Ik geloof, dat de balladen of romanceros weer verdeeld moeten worden
in twee soorten: die, welke spontaan uit het volk zijn voortgekomen,
zonder letterkundige basis, en die, welke eigenlijk Cantares de gesta
of gedeelten uit kronieken zijn, die in den loop der tijden een ander
uiterlijk hebben gekregen. Ik ben met de meeste onderzoekers van de
oude Spaansche literatuur van meening, dat de Cantares of Kronieken
niets hebben overgenomen van de balladen uit eenig tijdperk, die, naar
ik stellig geloof, slechts een volksuiting zijn. Natuurlijk omvatten
deze twee soorten niet de meer »poëtische« of vervalschte balladen, die
geschreven werden, nadat de ballade een erkende vorm voor proefnemingen
op het gebied van bewuste dichtkunst was geworden; het is duidelijk,
dat deze soort in geen der beide klassen kan worden ondergebracht.
Wij bezitten geen stellige aanwijzing omtrent de mate van vervalsching
of verandering, die de balladen ondergingen, voordat zij verzameld en
uitgegeven werden. Het zou echter vreemd zijn, wanneer geen balladen
uit den vroegsten tijd tot ons waren gekomen, zij het dan ook in
veranderden vorm, en het lijkt mij een even overdreven uiting van
zucht tot kritiek, wanneer men de oudheid zou ontkennen van een lied,
alleen omdat het eerst in een later tijdperk gedrukt werd, of omdat
men het nooit in oude manuscripten heeft aangetroffen, als wanneer men
zou twijfelen aan de oudheid van een legende of een volksgebruik, op
grond van het feit, dat deze in onze dagen nog gangbaar zijn, tenzij
men hun ontstaan in een latere periode zou kunnen bewijzen. Toch
schijnt het mij toe, dat weinig van deze balladen ouder zijn dan
bijv. die van Schotland of Denemarken.
Weinig balladen van Europa zijn meer waard bestudeerd te worden dan
de Spaansche. Maar op deze plaats kunnen wij haar slechts beschouwen
in hare verhouding tot de Romance. Dat zij nauw verwant is aan de
romantische literatuur van het Schiereiland, zien wij reeds dadelijk
aan den naam, dien de Spanjaarden aan deze gedichten hebben gegeven,
nl. Romanceros. [14] Sommige ervan zijn eigenlijk slechts in naam
romances of Cantares de gesta, doch inderdaad behandelen zij alle
onderwerpen, die in de Cantares bezongen zijn, of in de Kronieken
beschreven, zooals de Cid, Bernaldo de Carpio, Graaf Alarcos
enz. Zij schijnen echter weinig gemeen te hebben met de latere,
werkelijke romance, zooals Amadis, Palmerin of Felixmarte, en wel,
omdat in den tijd, toen deze in de mode waren, de ballade reeds het
eigendom geworden was van het volk. Zooals de markies van Santillana
(1398-1458), die zelf een verdienstelijk dichter was, opmerkte in
een brief, die beroemd is geworden om het licht, dat hij werpt op
den toestand van de Spaansche letterkunde van dien tijd: »Er zijn
verachtelijke dichters, die zonder systeem, methode of maat van die
liederen en romances maken, waarin het gemeene volk behagen schept.«
Zoo zouden Lovelace of Drummond of Hawthornden hebben kunnen schrijven
over de Engelsche balladedichters.
Waar de balladen dus waren overgelaten aan de boeren en de
arbeidersklasse, daar waren de hoogere standen, die tijd tot lezen
hadden, aangewezen op de Kronieken en de enkele Cantares de gesta,
die op schrift waren gebracht. Maar als gevolg van de vernietiging der
Moorsche staten in Spanje, van den toenemenden rijkdom onder de hoogere
standen en de uitvinding der boekdrukkunst, ontstond een meerdere
vraag naar gedrukte boeken, die in de behoefte naar ontspanning
zouden voorzien. Een groote scheppingsdrang ontwaakte. Eerst werd
de romantische stof, die als het ware versteend en begraven lag in
de Kronieken, tot nieuw leven gewekt. Voor sommige dezer gedichten
was het slechts een kleine stap naar de eigenlijke romances. Maar
Spanje snakte naar iets nieuws, en in het begin der vijftiende eeuw
wendden de romancedichters hunne oogen opnieuw naar Frankrijk, welks
onuitputtelijke bron van geestelijken rijkdom hun een overvloed van
romantische stof begon te verschaffen.