Maar al namen de Castilianen den inhoud van de chansons niet aan, den
vorm namen zij wél over. Hun tegenzin tegen den uitheemschen geest en
de strekking van de chansons schijnt te zijn ontstaan eenigen tijd
nadat zij door geheel Spanje verspreid waren. Een Spaansch priester
uit het begin der twaalfde eeuw schreef de wonderbaarlijke kroniek van
Aartsbisschop Turpinus van Rheims; het moest de levensbeschrijving
voorstellen van dien krijgshaftigen geestelijke, maar de werkelijke
bedoeling was, aan te sporen tot bedevaarten naar Compostella, waarvan
in het geschrift sprake was. Vele Franken trokken naar deze heilige
plaats, onder wie Troubadours, die naar alle waarschijnlijkheid den
geest en de metriek van de chansons brachten tot de Castiliaansche
zangers, zoodat wij later hooren van Spaansche Cantares de gesta,
waarvan echter de meeste, in tegenstelling met hunne Fransche
voorbeelden, voor ons verloren zijn gegaan. De beroemde Poema del Cid,
handelende over de krijgsverrichtingen van een groot Castiliaansch
held, is in vorm en geest het type van een Cantar de gesta, en wij
mogen op goede gronden aannemen, dat vele van de latere romanceros
of balladen over helden als Bernaldo de Carpio, Gonzalvo de Cordova
en Gayferos, oude cantares zijn, omgewerkt en vervormd door den tijd.
Evenals in Frankrijk, verloren in Spanje de Cantares de gesta
hun aanzien. In den loop der tijden werden zij verdrongen naar
marktplaatsen en herbergen. Van verscheidene werd de stof verwerkt in
kronieken, maar de Juglares, die ze nu zongen, maakten er, wanneer
ze ouderwetsch werden, slechte uittreksels van, of vervormden ze
tot balladen, om ze geschikt te maken voor den smaak van een minder
beschaafd publiek. [13]