In deze gedichten, die waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Noorden
van Frankrijk kwamen, en zich in den loop der tijden naar het Zuiden
verspreidden, werd Karel de Groote voorgesteld als het bolwerk van
het Christendom tegen de Saracenen van Spanje. Omringd door zijne
paladijnen Roland, Olivier, Naymes, Ogier en Willem van Oranje,
voerde hij een onafgebroken strijd tegen de Mooren of de »Saracenen«
(heidenen) van Saksen. Van deze gedichten heeft Gautier er 110
gecatalogiseerd, waarvan de helft uit de twaalfde eeuw stamt. Een
aantal van de latere chansons zijn in het Provençaalsch geschreven,
maar alle pogingen, om van de geheele cyclus den oorspronkelijken
vorm op te sporen, hebben blijkbaar gefaald.
Zeker is het, dat deze romantische stof in haar geheel haar weg vond
in Castilië. Het is niet met zekerheid bekend, of dit geschiedde door
Provence en Catalonië, maar het is niet onmogelijk, dat dit het geval
was. Men zou meenen, dat Christelijk Spanje door zijn moeilijken strijd
tegen de Mooren, zich voelde aangetrokken tot een literatuur, die zoo
voortdurend handelde over de nederlagen van zijn aartsvijand. Dit was
oorspronkelijk ook het geval, en de chanson vond dan ook een gunstig
onthaal. Maar er bleken spoedig twee beletselen te bestaan voor eene
onverdeelde waardeering. In de eerste plaats schijnt het Castilië
van de twaalfde eeuw te hebben begrepen, dat, als Karel de Groote
Spanje binnenviel, hij niet alleen den Moor, maar ook den Spanjaard
tegenover zich zou vinden. Dit wordt niet gestaafd, zooals sommige
autoriteiten meenen, door een gedeelte van een populair gedicht, bij
de Baskiërs bekend als Altobiskarko Cantar, of Lied van Altobiskar,
dat stilzwijgend erkent, dat de nederlaag van de achterhoede van Karel
den Groote niet te danken was aan de Saracenen, maar aan de Baskiërs,
die gebelgd waren over de doortocht van het Frankische leger door
hunne bergpassen. Het geheel is een uitvoerig stuk in het Baskisch,
door den Baskischen student Duhalde vertaald uit het Fransche gedicht
van François Garay de Montglave (circa 1833). Een tweede slag van
Roncevalles had plaats onder de regeering van Lodewijk den Vrome in
824, toen twee Frankische graven, uit Spanje komende, weder overvallen
werden en verslagen door de Pyreneesche bergbewoners. Maar er schijnt
nog een vroeger gevecht te zijn geweest tusschen Franken en Baskiërs
in de Pyreneeën, onder de regeering van Dagobert I (631-638). De
herinnering aan deze gevechten schijnt bij de bevolking levendig te
zijn gebleven, zoodat de Spanjaard den Frank bleef beschouwen als zijn
erfvijand. Aartsbisschop Roderick van Toledo trad streng op tegen die
Spaansche juglares, die de heldendaden van Karel den Groote in Spanje
bezongen, en Alfonso de Wijze trachtte, zooveel het hem mogelijk was,
de mythische overwinningen van den Frankischen keizer te kleineeren.
Maar dit was niet alles. Het denkbeeld, dat Karel de Groote zijn
intocht in Spanje had gedaan als overwinnaar, alles voor zich
uitdrijvende, was in hooge mate beleedigend voor den trots en het
patriotisme van de Castilianen, die de chansons de gestes in hun
eigen geest wenschten uit te leggen, en inplaats van ze woordelijk
over te nemen, zelf een verzameling liederen schiepen. Zij namen als
den nationalen held van het Carlovingische tijdperk een denkbeeldigen
ridder aan, Bernaldo de Carpio, dien zij begroetten als den bevrijder
van Castilië, en ter wiens verheerlijking zij zangen dichtten, waarin
hij wordt voorgesteld als de strijder, die Roland bij Roncevalles
versloeg aan het hoofd van een zegevierend leger, dat niet uit
Arabieren of Baskiërs, maar uit Castilianen was samengesteld.