Het gebruik van het Castiliaansch als spreek- en schrijftaal werd
tenslotte bestendigd door den eindeloozen strijd van het stoutmoedige
volk, dat deze taal sprak tegen de Saraceensche bezetting van hun
vaderland. Toen de Castiliaansche krijgslieden door een strijd, die
geslachten lang aanhield, langzamerhand stad na stad en district na
district inplaats van provincie na provincie, heroverden, verdrong hun
taal telkens in het kleine herwonnen gebied, die van hunne Arabische
vijanden, [7] totdat tenslotte de laatste vesting van de Mooren viel
en zij geen vasten voet meer behielden op het Schiereiland. »Wel
was het een harde oefenschool, die onze dappere voorouders moesten
doorloopen als inleiding tot zoo menige roemrijke overwinning en
tot verovering van de wereld,« zegt Martinez in zijn roman Isabel de
Solis, [8] »neergedrukt door hun harnas en met het zwaard in de hand,
sliepen zij gedurende 8 eeuwen geen enkelen nacht rustig.«
Van de nederlaag van Roderick af, »den laatste der Visigothen«,
bij den slag van Xeres de la Frontera in 711, tot aan den val van
Granada in 1492, was Spanje inderdaad een land van veldslagen. Bijna
oogenblikkelijk na hun eerste nederlaag tegen de Arabieren, werden
de Visigothen verdreven naar de Noord-Westelijke grenzen van het
Schiereiland, waar zij een toevluchtsoord vonden in de bergen
van Biskaje en Asturië. Daar zouden zij zich, evenals de bewoners
van Wales na den inval der Saksen in Engeland, misschien verzoend
hebben met het betrekkelijk kleine gebied, dat hun was overgelaten,
maar de omstandigheid van hunne feitelijke gevangenschap, droeg
er slechts toe bij, hen nauwer te verbinden in een sterk gevoel van
vaderlandsliefde, en een gemeenschappelijk besluit, hun oorspronkelijk
bezit te herwinnen.
Gedurende vele geslachten bepaalden hunne worstelingen zich
voornamelijk tot rooftochten aan de grens, en tot guerilla-gevechten,
waarbij zij volstrekt niet altijd gelukkig waren, want de vurige en
moedige Saracenen stelden zich niet tevreden met zich uitsluitend te
verdedigen, maar tegenover elke overwinning, waarop de Castilianen
zich konden beroemen, stonden tegenslagen en verliezen, die zij,
met hun klein aantal, moeilijk konden verdragen. Toch werd hun
moed en vasthoudendheid langzamerhand beloond, en voordat een eeuw
verloopen was, hadden zij het grootste gedeelte van Oud-Castilië
heroverd. Alleen reeds de naam van deze provincie, »Het Land van
Kasteelen«, bewijst, dat, al was zij herwonnen, zij slechts behouden
kon blijven, wanneer elke heuveltop versterkt was door vestingen; en
zoo gaf deze landstreek, met al hare kasteelen, ten slotte haar naam
aan het volk, dat haar bezit op zulk een hoogen prijs stelde. Voordat
er weder 20 jaren verloopen waren, hadden de Castiliaansche strijders
vasten voet in Nieuw-Castilië gekregen, en van dat oogenblik af,
schijnen zij voortdurend met succes te hebben gestreden.
Met den val van Toledo in 1085 na een Saraceensche bezetting van
drie en een halve eeuw, begint een nieuw tijdperk voor den voortgang
van de Castilianen in Zuidelijke richting, en met de inname van
Saragossa in 1118, keerden de kansen voor de Arabische overweldigers,
die nu verdreven werden naar een klein gebied in het Zuiden en het
Zuid-westen van het land. Deze omstandigheid schijnt echter meer
gunstig te zijn geweest voor hun gevoel van saamhoorigheid, dan dat
het hen heeft vernietigd, en de Castilianen moesten nog gedurende
vier eeuwen rekening met hen houden, totdat bij den val van Granada,
Boabdil of Abu-Abdallah, de laatste der Moorsche koningen, de sleutels
afstond aan Koning Ferdinand van Castilië, een laatsten blik wierp
op de stad, en naar Afrika voer, waar hij strijdend den dood vond.
In deze atmosfeer van voortdurenden strijd en onrust werd de
romantische literatuur van Spanje geboren. Het is volstrekt
niet verwonderlijk, dat hare ontwikkeling samenviel met dit
wapengekletter. Trompetgeschal klinkt uit de gedichten. De letterkunde
van dezen tijd is niet alleen de afspiegeling van den geest van een
strijdend volk, maar zij is tevens een noodzakelijk product, want
uit de liederen en legenden putten de ridders van Castilië nieuwen
moed, strijdlust en opgewektheid, en zij werden er door bezield op
den dag van den strijd. Wel mocht de zwervende ridder van Castilië,
zooals in de oude ballade, zingen:
»Het harnas is mijn eenig kleed,
En strijd is mij festijn!
Mijne lamp, de straal van een planeet,
Mijn wereld .... een woestijn.« [9]
Grensgevechten met hun herhaalde verandering van tooneel en
voortdurende onrust, waren een geschikte voorbereiding tot het
dolende ridderschap.