De laatste woorden van Kapitein Nemo.
De ramen waren dichtgeschoven, maar het licht scheen niet weer in
den salon. In het binnenste van den Nautilus heerschte stilte en
duisternis. Wij verlieten deze vreeselijke plek op honderd meter
onder water met een verbazende snelheid. Waar gingen wij heen? Naar
het noorden of naar het zuiden? Waarheen vluchtte die man, na zulk
een vreeselijke wraak te hebben genomen?
Ik was naar mijn kamer gegaan, waar ik Ned Land en Koenraad
stilzwijgend bij elkander zag zitten. Ik gevoelde nu een
onoverkomelijken afkeer van kapitein Nemo. Wat hij ook van de menschen
te lijden had gehad, toch had hij geen recht om zóo te vergelden. Ik
had mij, zoo geen medeplichtige, ten minste getuige van zijn wraak
gemaakt! Dit was reeds te veel.
Om elf uur verscheen weer het electrisch licht. Ik ging in den salon;
deze was verlaten. Ik raadpleegde verschillende instrumenten. De
Nautilus voer naar het noorden met een snelheid van vijfentwintig
kilometer in het uur, dan eens op, dan tien meter onder de zee. Op
de kaart ziende, bemerkte ik dat wij door het Kanaal met een
onvergelijkelijke snelheid naar de Noordzee liepen. Wij voeren zoo
snel, dat ik nauwelijks de menigte visschen kon onderscheiden, tusschen
welke wij doorvlogen, 's Avonds hadden wij 300 kilometer afgelegd;
het werd duister en de zee was somber, totdat de maan opkwam. Ik ging
naar mijn kamer, doch kon niet slapen, want ik werd door benauwde
droomen gekweld; telkens kwam mij dat vreeselijk vernielingstooneel
voor den geest.
Wie zou kunnen zeggen, waar ons de Nautilus in dien Oceaan sedert dat
oogenblik heensleepte? Altijd met een onberekenbare snelheid! Altijd
te midden van een dikken noordschen mist! Waren wij bij Spitsbergen of
bij Nova Zembla? Voeren wij door onbekende zeeën, door de Witte Zee,
die van Kara of de golf van Obi, langs de bijna niet bekende kust
van noordelijk Azië? Ik kan het niet zeggen; ik kon den tijd die er
verliep, niet berekenen; de klokken aan boord stonden stil. Het scheen,
dat evenals in de poolstreken, nacht en dag elkander niet meer geregeld
opvolgden. Ik voelde mij in een vreemde wereld rondvoeren; ieder
oogenblik verwachtte ik een menschelijk wezen te zien verschijnen,
dat grooter dan eenig sterveling, zich voor den waterval zou stellen,
die den toegang tot de noordpool verhindert.
Ik reken (maar misschien bedrieg ik mij) dat deze zwerftocht van
den Nautilus vijftien of twintig dagen aanhield, en ik weet niet
hoe lang hij nog zou geduurd hebben, zonder het ongeluk, dat er
een einde aan maakte. Er was van kapitein Nemo geen sprake meer;
evenmin van zijn stuurman. Wij zagen niemand van de bemanning; de
Nautilus voer bijna aanhoudend onder water; als wij boven kwamen om
de lucht te ververschen, opende en sloot het luik zich als 't ware
van zelf. Op de kaart werd geen enkele aanteekening meer gemaakt;
ik wist niet waar wij waren.
Ik moet ook zeggen, dat de Amerikaan, die zijn krachten en geduld
scheen verloren te hebben, niet meer te voorschijn kwam. Koenraad kon
geen enkel woord uit hem krijgen, en vreesde dat hij in een aanval
van woede, of onder den indruk van een vreeselijk heimwee, de hand
aan zich zelven zou slaan. Hij bewaakte hem dus voortdurend met de
grootste bezorgdheid.
Men begrijpt, dat onder die omstandigheden onze toestand niet meer
houdbaar was.
Eens op een morgen (ik weet niet welke dag het was) zat ik nog
zeer vroeg in droeve gepeinzen verzonken; toen ik opkeek, stond Ned
Land vóór mij, en ik hoorde hem met zachte stem zeggen: "Wij zullen
vluchten."
Ik stond op. "Wanneer vluchten wij?" vroeg ik.
"Van nacht. Men schijnt aan boord niet meer te waken; men zou zeggen
dat ze allen verslagen zijn. Zult gij u gereed houden, mijnheer?"
"Ja, maar waar zijn wij?"
"In het gezicht van land, dat ik van morgen door den nevel heen op
twintig kilometer in het oosten gezien heb."
"Welk land is het?"
"Ik weet het niet, maar wat het ook zijn moge, wij zullen er heen
vluchten."
"Ja, Ned. Ja, wij zullen van nacht aan den haal gaan, al moest de
zee ons ook verzwelgen."
"De zee staat hol, het waait hard, maar ik ben niet bang om twintig
kilometer in de kleine sloep van den Nautilus af te leggen; zonder
dat de bemanning het gemerkt heeft, heb ik er eenige levensmiddelen
en een paar flesschen water in verborgen."
"Ik zal u volgen."
"Bovendien," voegde de Amerikaan er bij, "als ik overvallen word,
verdedig ik mij en steek mij dood."
"Wij zullen te zamen sterven, Ned."
Ik was tot alles besloten. De Amerikaan verliet mij, ik ging naar
het plat, waarop ik door den zwaren golfslag ter nauwernood kon
blijven staan. De zee stond dreigend, maar omdat daar achter dien
nevel land lag, moesten wij vluchten. Wij moesten geen dag, geen uur
zelfs verliezen.
Ik kwam weer in den salon, waar ik tegelijk vreesde en toch verlangde
om den kapitein te ontmoeten; ik wilde hem nog wel eens zien, en dan
weer wilde ik dit niet. Wat zou ik hem gezegd hebben? Kon ik het
onwillekeurig afgrijzen verbergen, dat hij mij inboezemde? Neen,
het was beter, dat ik hem niet meer zag; het was beter hem te
vergeten! En toch....
Wat duurde die laatste dag, dat ik aan boord van den Nautilus zou
blijven, lang. Ik bleef alleen. Ned Land en Koenraad ontweken mij,
uit vrees van zich te verraden.
Ik at om zes uur, doch had geen honger; ik deed moeite om wat te eten,
hoewel het met tegenzin geschiedde, daar ik mij wilde versterken. Om
half zeven kwam Ned Land in mijn kamer, en zei:
"Wij zullen elkander vóór ons vertrek niet terug zien. Om tien uur is
de maan nog niet op, daarom zullen wij dan van de duisternis gebruik
maken; kom dan in de sloep; Koen en ik wachten u daar."
Daarom ging de Amerikaan de deur uit, zonder mij tijd te gunnen om
te antwoorden. Ik wilde eens zien in welke richting de Nautilus voer
en ging naar den salon; wij liepen met verbazende snelheid naar het
noord-noordoosten, op een diepte van vijftig meter.
Ik wierp een laatsten blik op al die natuurwonderen, op al die
kunstschatten, welke in dit museum op elkander waren gestapeld,
op de verzameling, zonder weerga, bestemd om eens in de diepte der
zee te verzinken met hem, die haar gevormd had. Ik wilde een laatsten
indruk van dat alles in mijn geest krijgen; zoo bleef ik een uur in den
salon ronddwalen, terwijl ik, onder de stroomen van electrisch licht
uit het plafond, de onder de glazen schitterende rijkdommen bekeek;
toen ging ik weer naar mijn kamer. Daar deed ik dikker kleederen aan,
ik verzamelde mijn aanteekeningen, en verborg die zorgvuldig. Mijn
hart klopte hoorbaar. Zeker zouden mijn verwarring en onrust mij
bij kapitein Nemo verraden hebben. Wat deed hij op dat oogenblik. Ik
luisterde aan de deur zijner kamer. Ik hoorde iemand loopen; kapitein
Nemo was daar; hij was niet naar bed gegaan. Bij elk geritsel scheen
het mij toe dat hij verschijnen en mij vragen zou, waarom ik wilde
vluchten. Ik was voortdurend in onrust; mijn verbeelding vermeerderde
den angst; dit werd zóo sterk, dat ik mij zei ven afvroeg of het niet
beter was bij den kapitein in zijn kamer te gaan, hem eens ferm onder
de oogen te zien en hem met blik en gebaar te tarten!
Het was een dwaze inval, ik hield mij gelukkig in, en ging op mijn
bed liggen om die onrust een weinig te doen bedaren! Langzamerhand
werd ik wat kalmer, maar mijn al te opgewonden geest deed mij als
't ware mijn geheele verblijf aan boord van den Nautilus vluchtig
overzien. Alle gelukkige of ongelukkige gebeurtenissen, die mij
sedert mijn verdwijning van de Abraham Lincoln waren overkomen, de
onderzeesche jacht, de Torresstraat, de woeste Papoea's, de stranding,
het koralen kerkhof, de Arabische tunnel, het eiland Santorino,
de duiker van Creta, de baai van Vigo, Atlantis, de ijsbank, de
Zuidpool, de insluiting in het ijs, het gevecht met de inktvisschen,
de storm in den Golfstroom, de Vengeur en het verschrikkelijk
tooneel van het schip, dat met zijn geheele bemanning in den grond
werd geboord!.... Al die gebeurtenissen kwamen mij achtereenvolgens
voor oogen, evenals een beschilderd doek, dat achter op het tooneel
voorbijschuift. Kapitein Nemo werd in mijn verbeelding ontzaglijk
groot te midden van al die vreemde voorvallen. Zijn vormen werden
breed, hij nam een bovenmenschelijke gedaante aan. Hij was niet meer
mijns gelijke, het was de waterbewoner, de beheerscher der zeeën.
Het sloeg toen half tien; ik zat met het hoofd tusschen de handen, uit
vrees dat het anders uit elkander zou barsten, en sloot de oogen. Ik
wilde niet meer denken. Nog een half uur wachten. Een half uur van
angst, dat mij krankzinnig kon doen worden!
Op dat oogenblik hoorde ik de akkoorden van een orgel, een treurige
harmonie, als de droeve klacht eener ziel, die haar aardsche kluisters
wil verbreken. Ik luisterde zoo scherp mogelijk toe, haalde nauwelijks
adem, en was evenals kapitein Nemo weldra in een muzikale verrukking,
die ons de wereld met al wat haar aankleeft doet vergeten. Daarna
ontstelde ik door een plotseling invallende gedachte; kapitein Nemo
had zijn kamer verlaten, hij was in den salon, waar ik doorheen moest
om te vluchten. Daar zou ik hem dus een laatste maal ontmoeten. Hij
zou mij zien en misschien toespreken! Een beweging van hem kon mij
vernietigen, een enkel woord mij aan boord kluisteren!
Ondertusschen zou het tien uur slaan, het oogenblik was gekomen waarop
ik mijn kamer verlaten, en mij bij mijn makkers moest voegen. Ik
mocht niet meer aarzelen, al stond de kapitein ook vóor mij. Ik
opende voorzichtig de deur, en toch dacht ik, toen zij opendraaide,
dat de scharnieren een vreeselijk geweld maakten. Misschien bestond
dat geraas slechts in verbeelding!
Ik sloop door de donkere gangen van den Nautilus en bleef bij eiken
stap staan, om het kloppen van mijn hart te onderdrukken. Ik kwam bij
de deur van den salon en opende die zachtjes; in den salon heerschte
een volslagen duisternis; slechts zeer zwak klonken de tonen van het
orgel; kapitein Nemo zat dáar; hij zag mij niet; ik geloof dat hij
mij niet gezien zou hebben, als alles helder verlicht ware geweest,
zoo geheel was hij in verrukking geraakt! Ik sloop voorzichtig over
het tapijt, en paste wel op nergens tegen te stooten, daar het minste
geraas mijn tegenwoordigheid had kunnen verraden. Ik had vijf minuten
noodig om de deur te bereiken, waardoor ik in de bibliotheek kon
komen. Ik zou deze juist openen, toen een zucht van kapitein Nemo mij
als op de plaats vastnagelde. Zelfs kon ik hem even zien, daar eenige
lichstralen uit de bibliotheek onder de deur doordrongen. Hij kwam
met over elkander geslagen armen naar mij toe, en gleed, meer dan hij
liep, zwijgend evenals een spook voorwaarts. Hij snikte nu en dan,
en ik hoorde hem deze woorden mompelen (de laatste welke ik van hem
vernam); "Almachtige God! Genoeg! Genoeg!"
Was dit een bekentenis van het berouwvol geweten van dien man?....
Ontsteld vloog ik de bibliotheek binnen; ik beklom de middeltrap
en kwam door de bovengang bij de sloep; ik kroop er binnen door de
opening, waardoor mijn twee makkers reeds heen gekomen waren.
"Vluchten! vluchten!" riep ik.
"Aanstonds!" antwoordde de Amerikaan.
De opening in het pantser van den Nautilus werd eerst gesloten; daarna
de opening in de sloep, en toen begon Ned Land de schroeven los te
draaien, welke ons nog aan het onderzeesche vaartuig vasthechtten.
Plotseling hoorde wij daarbinnen een rumoer. Luide stemmen gaven
elkander antwoord. Wat was er gebeurd? Had men onze vlucht bemerkt? Ik
voelde dat Ned Land mij een dolk in de hand stopte.
"Ja!" mompelde ik, "wij zullen weten te sterven."
De Amerikaan hield met zijn werk op, maar een twintigmalen herhaald,
een verschrikkelijk woord deed mij de oorzaak van het rumoer kennen,
dat aan boord van den Nautilus heerschte. Het was niet op ons, dat
haar bemanning het gemunt had!
"De Maalstroom! de Maalstroom!" werd er geroepen.
De Maalstroom! Verschrikkelijker naam in vreeselijker toestand kon
ons zeker niet in de ooren klinken. Waren wij dan op die gevaarlijke
plek aan de kust van Noorwegen? Werd de Nautilus naar dien afgrond
gesleept op het oogenblik dat wij de sloep zouden losmaken?
Men weet, dat op het oogenblik van den vloed, het water dat tusschen de
eilanden Ferroë en de Loffoden opeengedrongen is, met onweerstaanbaar
geweld voortstroomt; het vormt een draaikolk, waar nimmer een schip
uit is kunnen komen. Van alle kanten stroomen monsterachtige groote
golven aan; zij vormen den afgrond, die den juisten naam draagt van
"navel van den Oceaan," en wiens aantrekkingskracht zich nog op een
afstand van vijftien kilometer laat gevoelen. Daar worden schepen,
ja zelfs walvisschen en ijsberen uit de poolzeeën in meegesleept.
Hierheen was nu de Nautilus (misschien wel met opzet) door den
kapitein heengevoerd en beschreef een spiraal waarvan de kringen
al kleiner en kleiner werden; de sloep, die nog vast zat, werd met
duizelingwekkende snelheid meegevoerd. Ik voelde het, ik ondervond
de onaangename gewaarwording, die het gevolg is van een langdurig
draaiende beweging. Wij waren vreeselijk ontsteld, en onze angst
zoo hoog mogelijk geklommen. Het bloed stolde ons in de aderen,
onze zenuwen waren gespannen, het koude zweet brak ons uit! Wat
vreeselijk geweld rondom onze sloep; welk geloei, dat de echo zeker
eenige kilometers ver herhaalde! Welk getier maakte het water, als
het tegen de scherpe rotspunten op den bodem aansloeg, waarop zelfs de
hardste voorwerpen verbrijzeld worden. Welk een toestand! Wij werden
vreeselijk heen en weer geslingerd. De Nautilus verdedigde zich als
een mensch: de stalen banden en platen kraakten; soms verhief hij
zich weer, en wij met hem!
"Houd u goed vast!" riep Ned; "ik zal de schroeven weer aanzetten. Als
wij aan den Nautilus vastblijven, kunnen wij misschien nog gered
worden....!"
Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreeselijk gekraak liet zich
hooren. De schroeven braken af, en de sleep van het schip afgescheurd,
werd te midden van de draaikolk als een steen weggeslingerd.
Ik sloeg met het hoofd tegen een ijzeren bout, en verloor door dien
schok mijn bewustzijn.