Een zoenoffer.
Deze wijze van spreken, het onverwachte van dit tooneel, het kalm
verhaal van het schip, dat met zijn vaderlandslievende bemanning
gezonken was, de ontroering, waarmede de zonderlinge man de laatste
woorden had uitgesproken, de naam van den Vengeur, welks beteekenis
mij niet kon ontsnappen, alles vereenigde zich om mij te treffen. Ik
had de oogen van den kapitein niet afgewend. Hij had de handen
voor zich uitgestrekt en beschouwde met een vurig oog het beroemde
wrak. Misschien zou ik nimmer te weten komen wie hij was, waar hij
vandaan kwam en waar hij heenging; maar ik zag meer en meer den mensch
zich uit den geleerde ontwikkelen. Het was geen gewone menschenhaat,
die den kapitein en zijn makkers in den Nautilus hield opgesloten,
maar een monsterachtige of verheven haat, dien de tijd niet kon
verzwakken. Zocht deze haat zich te wreken? Dit zou de toekomst mij
weldra ophelderen.
De Nautilus steeg ondertusschen weer langzaam naar de oppervlakte,
en ik zag de onduidelijke vormen van den Vengeur verdwijnen. Weldra
bemerkte ik door een geringe schommeling dat wij aan de oppervlakte
waren. Op dit oogenblik hoorde ik een doffen knal. Ik keek den kapitein
aan, deze bewoog zich niet.
"Kapitein?" vroeg ik.
Hij antwoordde niet.
Ik verliet hem en ging naar het plat, waar Koen en de Amerikaan
reeds waren.
"Waar komt die knal vandaan?" vroeg ik.
Ik keek in de richting van het schip dat ik reeds had opgemerkt. Het
was nabij den Nautilus gekomen en ik kon zien dat het hard aanstoomde;
het was nog maar zes kilometer van ons af.
"Een kanonschot," antwoordde Ned Land.
"Als ik het tuig en de kleine masten bezie," zei de Amerikaan "dan zou
ik wedden dat het een oorlogschip is. Ik wou dat het naar ons toe kwam,
en dezen vervloekten Nautilus, als 't noodig was, in den grond boorde."
"Vriend Ned," zei Koenraad, "wat kan het den Nautilus voor kwaad
doen? Zal dat schip ons onder water aanvallen? Zal het ons onder in
zee beschieten?"
"Zeg eens, Ned," vroeg ik, "kun jij zien aan welke natie dit schip
behoort?"
De Amerikaan trok de wenkbrauwen samen, kneep de oogleden op elkander
en de oogen half dicht, en keek eenige oogenblikken zoo scherp als
hij kon naar het schip.
"Neen, mijnheer," antwoordde hij, "ik kan het niet zien. Het heeft
geen vlag in top, maar ik kan u verzekeren, dat het een oorlogschip
is, want een lange wimpel waait van den grooten mast."
Gedurende een kwartier bekeken wij het vaartuig, dat naar ons
toekwam. Ik kon evenwel niet gelooven, dat het op dien afstand den
Nautilus had herkend, noch veel minder dus dat het wist wat dit voor
een onderzeesch werktuig was. Weldra vertelde de Amerikaan mij, dat het
een groote gepantserde, met een spoor gewapende tweedekker was. Een
dikke rookwolk steeg uit de beide schoorsteenen op. De gereefde
zeilen zaten op de ra's vastgebonden; het vertoonde geen vlag. De
afstand verhinderde ons de kieur van den wimpel te onderscheiden,
die als een dun lintje in de lucht wapperde. Het naderde met groote
snelheid. Als kapitein Nemo het schip liet naderen, bood zich een
kans tot redding aan.
"Mijnheer," zei Ned Land, "als dit schip ons op éen kilometer afstands
voorbijkomt, spring ik in zee, en noodig u uit hetzelfde te doen."
Ik antwoordde niets op het voorstel van den Amerikaan, en ik ging
voort met het schip te bekijken, dat zichtbaar grooter werd. Of het
een Engelschman, Franschman, Amerikaan of Rus was, het is zeker,
dat het ons goed zou opnemen, als wij het konden bereiken.
"Mijnheer zal zich wel willen herinneren," zei Koenraad toen, "dat
wij nog al iets van zwemmen kennen. Hij kan zich op mij verlaten om
hem naar dit schip te sturen, als hij het goedvindt om vriend Ned
te volgen."
Ik wilde antwoorden, toen een lichte witte rookwolk uit een van de
zijden van het schip te voorschijn kwam, doch eenige seconden later
spoot het water door toedoen van een zwaar vallend voorwerp over de
achterplecht van den Nautilus en nog iets later trof een knal mijn oor.
"Wat? schieten zij op ons!" riep ik.
"Brave lui!" mompelde de Amerikaan.
"Zij zien ons dus niet voor schipbreukelingen aan op een vlot!"
"Als mijnheer het niet kwalijk neemt...."
"Mooi," riep Ned, terwijl hij het water van zich afschudde, waarmee
een nieuwe kogel hem bespat had.
"Als mijnheer het niet kwalijk neemt, hebben zij den eenhoorn herkend,
en zij schieten op hem!"
"Maar zij kunnen toch zien, dat zij met menschen te doen hebben,"
antwoordde ik.
"Het is misschien juist daarom!" hernam Ned Land, terwijl hij mij
aankeek.
Het werd in mijn geest plotseling helder; zonder twijfel wist men nu
waaraan men zich met het bestaan van het zoogenaamde monster houden
moest. Zonder twijfel had kapitein Farragut van de Abraham Lincoln,
toen hij er zoo dicht bij was en de Amerikaan er met den harpoen
naar wierp, gezien dat de eenhoorn een onderzeesch schip was, dat
veel gevaarlijker kon zijn dan een bovennatuurlijk zeemonster. Ja,
zoo moest het zijn en overal vervolgde men nu zonder twijfel dit
verschrikkelijk vernielingswerktuig.
Het was inderdaad verschrikkelijk als kapitein Nemo, zooals men
wel veronderstellen kon, den Nautilus gebruikte als een werktuig
tot wraakoefening. Had hij ook in dien nacht, toen hij ons in den
Indischen Oceaan in onze hut opsloot, geen schip aangevallen? Was die
op het koralen kerkhof begraven man geen slachtoffer geweest van een
schok door den Nautilus teweeggebracht? Ja, ik herhaal het; zoo moest
het zijn. Een deel van het geheimzinnig leven van kapitein Nemo werd
daardoor ontsluierd. En indien men al niet kon ontdekken wie hij was,
dan vervolgden de tegen hem verbonden natiën niet meer een denkbeeldig
wezen, maar een man, die hun een onverzoenlijken haat had gezworen.
Het geheele vreeselijk verleden kwam mij weer voor den geest. In
plaats van vrienden op het naderend schip te ontmoeten, konden wij
er alleen vijanden zonder genade op aantreffen.
Ondertusschen regende het kogels rondom ons. Eenige troffen slechts
even de oppervlakte der zee, en sprongen dan op opzettenden afstand
weg. Maar geen enkele trof den Nautilus. Het gepantserde vaartuig
was nog maar drie kilometer van ons af. Niettegenstaande het hevig
kanonvuur verscheen de kapitein niet op het plat, en als toch een van
die kegelvormige kogels den Nautilus vlak op een der platen getroffen
had, zou dit noodlottig hebben kunnen worden.
Toen zei de Amerikaan:
"Mijnheer, wij moeten alles beproeven om uit dien ellendigen toestand
te geraken. Laten wij seinen geven! Duizend duivels, men zal misschien
dan toch begrijpen dat wij eerlijke lieden zijn!"
Ned Land nam zijn zakdoek om er mee in de lucht te zwaaien; doch
nauwelijks had hij dien ontplooid, of een ijzeren hand wierp hem,
niettenstaande Neds verbazende sterkte, tegen den grond.
"Ellendeling!" riep de kapitein, "wil je dan dat ik je op de spoor
van den Nautilus vastspijker, voordat ik dat schip aangrijp?"
Kapitein Nemo was vreeselijk om aan te hooren, doch nog
verschrikkelijker om aan te zien. Zijn gelaat was doodsbleek van woede;
zijn oogen waren verschrikkelijk samengetrokken; hij sprak niet meer,
hij brulde; hij stond daar voorover gebukt en drukte den Amerikaan
bijna in elkander. Eindelijk liet hij hem los, en zich naar het
oorlogschip wendend, waarvan de kogels om hem heen regenden, riep
hij met krachtige stem:
"O, je weet wie ik ben, vervloekt schip, ik heb je vlag niet te zien
en te herkennen! Zie, ik zal je de mijne toonen!" En kapitein Nemo
ontrolde voor op het plat een zwarte vlag, gelijk aan die, welke hij
aan de Zuidpool geplant had.
Op dit oogenblik raakte een kogel het bekleedsel van den Nautilus,
echter zonder het te beschadigen, en sprong dicht bij den kapitein
terug in zee. Deze trok de schouders op en zei toen kortaf tegen mij:
"Ga naar beneden met uw makkers!"
"Mijnheer!" riep ik, "wilt gij dit schip aanvallen?"
"Ik ga het in den grond boren, mijnheer."
"Dat zult gij niet."
"Ik zal het wel doen," antwoordde de kapitein koeltjes. "Krijg het
niet in uw hoofd, om mij te beoordeelen, mijnheer. Het noodlot toont
u iets, wat gij niet moest zien. De aanval is begonnen, de verdediging
zal verschrikkelijk zijn. Ga naar binnen."
"Welk schip is het?"
"Weet gij dat niet? des te beter, dan zal ten minste de herkomst er
van een geheim voor u blijven. Ga naar beneden!"
Wij konden niets anders doen dan gehoorzamen. Een vijftiental matrozen
van den Nautilus omringden den kapitein en beschouwden het naderend
vaartuig met een onverzoenlijk gevoel van haat. Men begreep, dat
dezelfde dorst naar wraak hen allen bezielde; ik ging naar beneden! op
het oogenblik dat een nieuwe kogel weer op den Nautilus afsprong,
en hoorde den kapitein roepen:
"Schiet, dwaas vaartuig! Verspil nutteloos je kogels! Je zult aan
de spoor van den Nautilus niet ontsnappen. Maar hier moet je niet te
gronde gaan! Ik wil niet dat je wrak op dezelfde plaats ligt als dat
van den roemrijken Vengeur!"'
Ik ging weer naar mijn kamer; de kapitein en de stuurman waren op het
plat gebleven. De schroef werd in beweging gebracht en de Nautilus
verwijderde zich met groote snelheid, om buiten het bereik der kogels
te komen. Doch de vervolging duurde voort, en kapitein Nemo vergenoegde
zich toen met den afstand in het oog te houden.
Tegen vier uur des namiddags kon ik het ongeduld en de onrust, die
mij kwelden, niet meer bedwingen, en ik ging naar de middeltrap. Het
luik stond open, ik waagde mij op het plat. De kapitein liep er in
ontroering heen en weer. Hij keek naar het schip, dat op vijf of
zes kilometer onder den wind van ons afbleef. Hij draaide er als een
wild dier omheen, en het oostwaarts achter zich aanlokkend, liet hij
zich vervolgen. Evenwel viel hij niet aan; misschien aarzelde hij
nog. Ik wilde een laatste poging aanwenden; maar nauwelijks had ik
den mond opengedaan, of hij legde mij het zwijgen op, door te zeggen:
"Ik ben de rechtvaardigheid, ik ben het recht! Ik ben de verdrukte,
daar is de onderdrukker! Daardoor is al wat ik heb liefgehad, bemind
en geëerd, vernietigd; vaderland, vrouw, kinderen, vader en moeder! Al
wat ik haat is daar vóor mij. Zwijg dus!"
Ik wierp een laatsten blik op het schip, dat de snelheid
vermeerderde. Daarna ging ik weer naar Koenraad en Ned Land.
"Wij zullen vluchten!" zei ik.
"Goed," antwoordde Ned! "maar wat is het voor een schip?"
"Ik weet het niet; maar waar het ook vandaan zij, vóór middernacht
is het in den grond geboord. In allen gevalle is het beter met dit
schip te zinken, dan deelgenooten te zijn van een wraak, waarvan wij
de billijkheid niet kunnen beoordeelen!"
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde Ned Land bedaard. "Wij moeten
den nacht afwachten."
De nacht kwam. Er heerschte doodelijke stilte aan boord. Het kompas
deed ons zien, dat de Nautilus niet van richting veranderd was. Ik
hoorde het geraas van de schroef, die zich met groote regelmatigheid
bewoog. Het vaartuig bleef op de oppervlakte, en een lichte deining
deed het heen en weder schommelen. Mijn makkers en ik hadden besloten
om te vluchten, op het oogenblik dat het schip dicht genoeg bij
was, hetzij om ons te hooren, hetzij om ons te zien, want de maan,
die over drie dagen vol moest zijn, stond helder aan den hemel. Als
wij maar eerst aan boord van het schip waren, zouden wij, als wij
den slag, waar het mede bedreigd werd, niet konden afwenden, alles
doen wat in ons vermogen stond en de omstandigheden ons zouden
veroorloven. Verscheidene malen meende ik dat de Nautilus zich
gereed maakte tot den aanval, maar hij vergenoegde zich met zijn
vijand te laten naderen, en dan zette hij na weinige oogenblikken
zijn vlucht voort.
Een gedeelte van den nacht ging voorbij, zonder dat er iets
voorviel. Wij loerden op een gelegenheid om ons plan te volbrengen. Wij
spraken weinig, want wij waren te ontroerd. Ned Land had wel in zee
willen springen. Ik dwong hem te wachten. Volgens mijn gevoelen zou
de Nautilus den tweedekker op de oppervlakte aanvallen, en dan ware
het niet alleen mogelijk, maar zelf gemakkelijk om te vluchten. Om
drie uur 's morgens ging ik vol ongerustheid naar het plat; kapitein
Nemo had het niet verlaten; hij stond overeind, voorop, bij zijn vlag,
welke een zacht koeltje boven zijn hoofd deed wapperen. Hij verloor
het schip niet uit het oog. Zijn buitengewoon scherpe blik scheen
het aan te trekken, te begoochelen, en zekerder met zich mee te
sleepen, dan dat hij het op sleeptouw had. De maan was toen op haar
grootste hoogte. Jupiter kwam in het oosten op. Te midden van die
stille natuur wedijverden lucht en zee in kalmte, en de nachtvorstin
liet haar stralen schitteren in den schoonsten spiegel, waarin hare
stralen ooit weerkaatst hadden. En als ik dacht aan deze kalmte der
elementen, en deze vergeleek met al den hartstocht en gramschap,
die in den onbegrijpelijken Nautilus waren opgesloten, dan voelde ik
een rilling door mijn leden gaan.
Het schip bleef op twee kilometer afstands. Het was naderbij gekomen,
altijd vooruitstoomende in de richting van dien lichtglans, die de
tegenwoordigheid van den Nautilus aanduidde. Ik zag het groene en
roode seinlicht der stoomboot, en de helderwitte lantaarn, die aan
den fokkemast hing. Het tuig werd door den maneschijn slechts flauw
in zee teruggekaatst, en ik kon zien, dat het de vuren vreeselijk
opstookte. Een menigte vonken, stukjes brandende kool, vlogen uit de
schoorsteenen als sterren door de lucht.
Ik bleef tot zes uur 's morgens op het plat, zonder dat de kapitein
mij scheen gezien te hebben. Het schip hield op anderhalven kilometer
achter ons, en met het krieken van den dag opende het opnieuw zijn
kanonvuur. Het oogenblik kon niet ver meer af zijn, dat de Nautilus
zijn vijand zou aanvallen en mijn makkers en ik den man, dien ik
niet durfde beoordeelen, voor altijd zouden verlaten. Ik wilde
naar beneden gaan, om hen te waarschuwen, toen de stuurman op het
plat kwam; verscheiden matrozen kwamen mee. Kapitein Nemo zag hen
niet, of wilde ze niet zien. Er werden eenige toebereidselen voor
het gevecht gemaakt; deze waren zeer eenvoudig. De leuning om het
plat werd neergeslagen, eveneens werden de lantaarn en het uitstek
van den stuurstoel naar binnengeschoven, zoodat zij niet boven het
buitenkleedsel van den Nautilus uitstaken: op de oppervlakte van den
langen ijzeren cylinder stak niets meer uit, wat in de beweging kon
hinderen. Ik ging weer naar den salon. De Nautilus dreef altijd boven;
het zeewater werd door de morgenschemering reeds eenigszins verlicht;
bij de deining der golven werden de ramen van den salon van tijd tot
tijd rood gekleurd door de stralen der opkomende zon. De vreeselijke
dag van 2 Juni brak aan. Om vijf uur wees de log, dat de Nautilus zijn
snelheid verminderde, ik begreep dat hij het stoomschip liet naderen;
daarenboven konden wij de kanonschoten duidelijker hooren. De kogels
vielen in het water en drongen daar met zonderling gesis in door.
"Vrienden," zei ik, "het oogenblik is gekomen, een handdruk, en God
helpe ons!"
Ned Land was vastberaden, Koenraad kalm, ik zenuwachtig, ik kon mij
ternauwernood inhouden.
Wij gingen in de bibliotheek. Op het oogenblik dat ik de deur opende,
die naar de middeltrap geleidde, hoorde ik het luik plotseling
toeslaan. De Amerikaan vloog de trap op, doch ik hield hem tegen. Een
welbekend gesis deed ons hooren, dat het water in de vergaarbakken werd
gepompt. Inderdaad, weinige oogenblikken daarna was de Nautilus eenige
nieters onder het vlak der zee gezonken. Ik begreep die beweging. Het
was te laat om te handelen. De Nautilus dacht er niet aan om den
tweedekker in zijn ondoordringbaar pantser te treffen, maar wel onder
de waterlijn, waar de metalen huid het houtwerk niet meer beschermde.
Wij waren opnieuw opgesloten en gedwongen getuigen van het treurspel
dat zou aanvangen. Bovendien hadden wij nauwelijks tijd om na te
denken. In mijn kamer gevlucht, keken wij elkander aan zonder een
woord te spreken. Mijn geest was geheel verstomd; ik kon niet meer
denken; ik was in den vreeselijken toestand, die een ontzettende
uitbarsting vooraf gaat! Ik hoorde, ik luisterde; ik was geheel en al
gehoor! Evenwel nam de snelheid van den Nautilus sterk toe; hij nam
op die wijze zijn aanloop; het geheele vaartuig trilde. Plotseling gaf
ik een schreeuw! Een betrekkelijk geringe schok had plaats. Ik voelde
de doordringende kracht van de spoor; ik hoorde gekraak en geknars;
maar de Nautilus, door groote kracht voortgestuwd, ging door het
schip heen als een mes door een stuk deeg! Ik kon het niet langer
uitstaan. Ontsteld en geheel ontdaan, vloog ik mijn kamer uit en den
salon binnen. Daar was kapitein Nemo; zwijgend, somber, onverzoenlijk
zag hij door het raam aan bakboordzijde. Een groote massa zonk in
het water en om niets van den doodstrijd te verliezen, daalde de
Nautilus met het schip naar de diepte. Op tien meter afstands zag ik
de doorboorde kiel, waar het water met donderend geweld binnendrong;
daarna de beide rijen geschutpoorten en de verschansingen. Het dek
was vol zwarte gedaanten, die in doodsangst heen en weer liepen. Het
water rees; de ongelukkigen vlogen in het want, grepen zich aan de
masten vast, wrongen nog onder water de handen. Het was een menschelijk
mierennest, dat plotseling door de zee werd verzwolgen!
Verstijfd van schrik, stom van angst, rezen mij de haren te berge;
ik had de oogen wijd opengespalkt, haalde ter nauwernood adem, ik kon
geen geluid geven en keek toe! Een onweerstaanbare aantrekkingskracht
dwong mij voor het raam te blijven staan!
Het kolossale schip zonk langzaam. De Nautilus volgde het en bespiedde
al zijn bewegingen; plotseling had er een ontploffing plaats. De
samengeperste lucht deed het dek openbarsten, alsof de kruitkamer
vuur had gevat. Het water werd zóo teruggeslagen, dat de Nautilus er
door op zijde werd geduwd. Toen zonk het ongelukkige schip sneller;
de masten daalden vol slachtoffers onder water, daarna de ra's,
die bogen onder de menigte schepelingen, en eindelijk de top van den
grooten mast. Toen verdween de sombere massa, en daarmee al de lijken,
die in een ontzettend zog werden meegesleept.
Ik keerde mij naar den kapitein. De vreeselijke rechter,
wezenlijke aartsengel van den haat, staarde nog altijd naar zijn
slachtoffers. Toen alles gedaan was, ging kapitein Nemo naar zijn
kamer en trad die binnen. Ik volgde hem met de oogen.
Op den wand, recht voor mij uit, zag ik onder de portretten zijner
helden, de afbeeldsels van een nog jonge vrouw en twee kleine
kinderen. Kapitein Nemo zag ze eenige oogenblikken aan, stak toen
de armen er naar uit, en barstte in snikken uit, terwijl hij op zijn
knieën viel.