HOOFDSTUK XLIII

De Golfstroom.

Niemand onzer zal ooit het vreeselijk tooneel van dien 20sten April

vergeten; ik heb het opgeschreven onder den indruk eener hevige

gemoedsbeweging. Later heb ik dat verhaal nog eens nagezien; ik

heb het Koenraad en den Amerikaan voorgelezen; zij vonden het feit

nauwkeurig genoeg beschreven, doch zeiden dat het den indruk nog

niet genoeg terug gaf. Om zulke tafereelen te schilderen, zou men

de pen van een onzer uitmuntendste dichters, van den schrijver der

"Travailleurs de la mer" moeten bezitten.

Ik zeide dat de kapitein weende, toen hij de zee beschouwde; hij was

erg aangedaan. Het was zijn tweede makker, dien hij sinds onze komst

aan boord verloor. En welk een dood! Deze vriend was verpletterd,

verstikt, in elkander gedrukt door den vreeselijken arm van den

inktvisch, wellicht later tusschen de ijzerharde kaken verbrijzeld,

en zou niet met zijn makkers rusten onder het kalme water in een

koralen graf!

Te midden van die worsteling had de wanhoopskreet, door den

ongelukkige geuit, mij het hart verscheurd. De arme Franschman

had zijn vreemdsoortige taal op dit oogenblik vergeten, om in zijn

moedertaal een laatsten kreet te slaken! Ik had dus een landgenoot

onder de bemanning van den Nautilus, die met lichaam en ziel aan

kapitein Nemo gehecht was, en evenals hij den omgang met de menschen

ontvluchtte! Was hij de eenige Franschman in die vreemdsoortige

vereeniging, die duidelijk uit menschen van verschillenden landaard

was samengesteld? Dit was nog een van die onoplosbare raadsels,

welke mij zonder ophouden voor den geest kwamen!

Kapitein Nemo ging weer naar zijn kamer en gedurende eenige dagen

zag ik hem niet. Naar het vaartuig te oordeelen, waarvan hij de

ziel was, en dat al zijn indrukken ondervond, moest hij treurig,

wanhopig zelfs, en besluiteloos zijn. De Nautilus voer niet meer in

bepaalde richting. Het schip kwam en ging, of liet zich als een dood

lichaam door de golven voortwiegen. De schroef was weer vrij, en toch

bediende het er zich ter nauwernood van. De kapitein voer onzeker;

hij kon de plek van den pas geleverden strijd niet verlaten, de zee,

die een van de zijnen verzwolgen had!

Zóo gingen er tien dagen voorbij. Het was eerst den derden Mei,

dat de Nautilus weer in rechte lijn naar het Noorden voer, nadat wij

vooraf bij het kanaal van Bahama de Lucaïsche eilanden nogmaals in

het gezicht hadden gehad. Wij volgden toen den loop van den grooten

zeestroom, die zijn oevers, zijn eigenaardige visschen en bijzondere

temperatuur heeft; dit is de Golfstroom.

Het is inderdaad een stroom, die vrij te midden van den Atlantischen

Oceaan golft, en wiens water zich bijna niet met dat van de wereldzee

vermengt. Het is een stroom van zout water, veel zouter dan dat van

den omringenden Oceaan. De gemiddelde diepte is een kilometer, de

breedte zestig kilometer. Op sommige plaatsen bereikt de stroom een

snelheid van vier kilometer in het uur. De onveranderlijke watermassa

is grooter dan die van alle stroomen van den aardbol bij elkander.

De oorspong van den Golfstroom, door Maury ontdekt, is in de golf

van Gascogne. Daar vormt hij zich, hoewel er dan nog weinig verschil

in warmtegraad en kleur bestaat. Hij wendt zich naar het Zuiden,

gaat langs de westkust van Afrika, ziet zijn golven door de stralen

der zon in de verzengde luchtstreek verwarmen, stroomt dan door den

Atlantischen Oceaan, bereikt kaap Roque op de kust van Brazilië,

en verdeeld zich dan in twee takken, waarvan de een het warme water

van de zee der Antillen opneemt. Dan begint de Golfstroom zijn rol te

spelen, door het evenwicht te herstellen tusschen de verschillende

temperaturen, en het water van de heele luchtstreek in aanraking

te brengen met het water der koudere streken. Verhit in de golf

van Mexico, stroomt hij noordwaarts langs de kust van Noord-Amerika

naar New-Foundland, en wijkt dan oostwaarts af door toedoen van den

kouden stroom, die uit de Davisstraat komt; daarna gaat de golfstroom

door den Oceaan langs een loxodromische lijn, verdeelt zich om

streeks 43° N.B. in twee takken, waarvan de een door toedoen van den

noordoostpassaat naar de golf van Gascogne en de Azoren terugkeert,

en de ander de luchtgesteldheid op de kusten van Ierland en Noorwegen

verzacht, zelfs tot Spitsbergen doorstroomt, waar de temperatuur van

het water tot vier graden daalt en dan de open poolzee vormt.

Het was in dezen stroom, dat de Nautilus op dat oogenblik voer. Als hij

het kanaal van Bahama verlaat, is de Golfstroom 56 kilometer breed en

350 meter diep, en stroomt met een snelheid van acht kilometer in het

uur. Deze snelheid neemt geregeld af naarmate hij verder noordwaarts

gaat, en het is te wenschen dat deze regelmatigheid blijft bestaan,

want als die snelheid, zooals men wel eens heeft meenen op te merken,

en die richting zich wijzigden, dan zou het klimaat in Europa wel

eens zulk een verandering kunnen ondergaan, dat de gevolgen er van

niet te berekenen zijn.

Tegen den middag stond ik met Koenraad op het plat. Ik deelde hem

eenige bijzonderheden omtrent den Golfstroom mede. Toen ik geëindigd

had, verzocht ik hem, de hand eens in het water te steken. Koenraad

deed het en was verwonderd geen enkele gewaarwording van warmte of

koude te voelen.

"De oorzaak is," zei ik, "dat de temperatuur van het water van den

Golfstroom, als hij de golf van Mexico verlaat, bijna niet verschilt

van die van ons bloed. Deze Golfstroom is een groote warmteaanbrenger,

waardoor sommige kusten van Europa met een eeuwigdurend groen zijn

bedekt. En als wij Maury mogen gelooven, zou deze stroom, zoo men hem

geheel kon benutten, hitte genoeg opleveren, om een stroom ijzer,

zoo groot als de Amazonenrivier of de Missouri, in voortdurenden

staat van gloeihitte te houden."

Op dat oogenblik was de snelheid van den Golfstroom 2.25 M. per

seconde. De stroom is zóo te onderscheiden van de omringende zee,

dat het opeengedrongen water als het ware over dat van den Oceaan

heenstroomt, en dat van den Golfstroom en het koudere zeewater

ongelijk van hoogte is. Bovendien is het water donkerkleurig en

sterk zouthoudend, en steekt door de zuivere indigokleur tegen het

omringende groene zeewater bijzonder af. De grensscheiding tusschen

dit water is zoo juist afgebakend, dat de Nautilus op de hoogte van

de Carolinen met den voorsteven in den Golfstroom was, terwijl de

schroef nog de golven van den Oceaan doorkliefde.

Deze stroom sleept een gansche wereld van levende wezens met zich. De

argonauten, die in de Middellandsche Zee nog al eens voorkomen,

zwommen er bij groote troepen. Allerhande soorten van visschen,

roggen, haaien enz. spartelden verder om ons heen, en 's nachts

lichtte het water van den Golfstroom zóozeer, dat het in licht met

onze lantaarn wedijverden, vooral als ons stormachtig weder dreigde,

zooals nog al dikwijls gebeurde.

Den 8sten Mei waren wij op de hoogte van kaap Hatteras, bij de

Noordelijke Carolinen. De Golfstroom is daar 300 kilometer breed en

200 meter diep. De Nautilus bleef in het onzekere rondvaren; alle

waakzaamheid scheen aan boord te zijn opgeheven. Ik moet bekennen

dat onder zulke omstandigheden de vlucht kon gelukken. De bewoonde

kust toch bood overal een veilig toevluchtsoord aan. De zee werd

onophoudelijk doorkruist door een groot aantal stoombooten, die

tusschen New-York of Boston en de golf van Mexico dienst doen,

en nacht en dag bevaren door schoeners, die op de Amerikaansche

kust voor kustvaart worden gebruikt. Wij konden dus wel verwachten

goed te worden ontvangen. Het was derhalve een gunstige gelegenheid,

niettegenstaande de dertig kilometer, die den Nautilus van de kusten

der Vereenigde Staten scheidden.

Een noodlottige omstandigheid echter werkte de plannen van den

Amerikaan tegen: het weder was zeer slecht; wij waren in die streken

waar stormen dikwijls voorkomen en de cyclonen ontstaan, die door den

Golfstroom worden veroorzaakt. Het was in een zeker verderf loopen,

zich in een kleine boot op zulk een zee te wagen; Ned Land moest dit

bekennen; derhalve kropte hij zijn leed op, want hij had een hevigen

aanval van heimwee, waarvan de vlucht hem alleen had kunnen genezen.

"Mijnheer," zei hij eens, "daar moet een einde aan komen. Ik wil

eindelijk weten waar ik mij aan te houden heb. Uw Nemo gaat hoe

langer hoe verder van land af, en trekt weer naar het noorden. Doch

ik verklaar u, dat ik genoeg van de Zuidpool heb en ik hem niet naar

de Noordpool zal volgen."

"Wat wilt gij dan, Ned, want een vlucht is op het oogenblik toch

onmogelijk?"

"Ik blijf bij mijn meening; wij moeten den kapitein er over

spreken. Gij hebt niets gezegd, toen gij in de buurt van uw land

waart; nu wil ik spreken, nu wij in de wateren van het mijne zijn. Als

ik er aan denk dat de Nautilus over weinige dagen op de hoogte van

Nieuw-Schotland zijn zal, en dat daar bij Newfoundland een groote

golf gevonden wordt, waar de St. Laurens uit stroomt, en dat die

St. Laurens mijn stroom is, de stroom van Quebec, mijn geboortestad;

en als ik aan dat alles denk, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd,

en mijn haren rijzen te berge. Kijk, mijnheer, ik zou nog liever in

zee springen dan hier blijven: ik stik!"

Het geduld van den Amerikaan was blijkbaar ten einde. Zijn krachtige

natuur kon zich aan deze langdurige gevangenschap niet gewennen. Zijn

gezicht veranderde bij den dag. Zijn karakter werd hoe langer

hoe somberder; ik gevoelde wat hij lijden moest, want ik begon

ook heimwee te krijgen. Er waren bijna zeven maanden verloopen,

zonder dat wij iets van het land hadden gehoord. Bovendien begon

ik de zaken op geheel andere wijze te beschouwen, nu de kapitein

zich zoo afzonderde en zijn humeur, vooral sedert den strijd met

de inktvisschen, zoo veranderd was. Ik gevoelde niet meer dezelfde

geestdrift als in de eerste dagen. Men moest een Vlaming zijn als

Koenraad, om zich in dien toestand te schikken, een toestand, die

goed was voor walvisschen of andere zeebewoners. Ik geloof waarlijk,

dat als die goede jongen kieuwen in plaats van longen had gehad,

hij een uitstekende visch zou geweest zijn.

"Welnu, mijnheer?" hernam Ned, toen hij zag dat ik niet antwoordde.

"Welnu, Ned, wilt gij dat ik aan kapitein Nemo vraag, welke plannen

hij met ons heeft?"

"Ja, mijnheer."

"En dit niettegenstaande hij het al gezegd heeft?"

"Zeker. Ik verlang een bepaalde beslissing. Spreek voor mij alleen

en in mijn naam, als gij wilt."

"Maar ik ontmoet hem zelden; zelfs mijdt hij mij."

"Een reden te meer hem op te zoeken."

"Ik zal hem ondervragen, Ned."

"Wanneer?" vroeg de Amerikaan aandringend.

"Zoodra ik hem ontmoet."

"Mijnheer Aronnax, wilt gij dat ik hem ga opzoeken?"

"Neen, laat mij begaan; morgen ...,"

"Vandaag," zei Ned Land.

"Goed, vandaag zal ik hem opzoeken," antwoordde ik, daar de Amerikaan

met zelf te gaan, alles zou bedorven hebben.

Ik bleef alleen. Toen de zaak beslist was, besloot ik er dadelijk een

einde aan te maken. Ik heb liever dat iets achter den rug is, dan

dat het nog geschieden moet. Ik kwam weer in mijn kamer; ik hoorde

in die van den kapitein loopen; ik mocht dus de gelegenheid van hem

te spreken te krijgen niet laten ontglippen. Ik klopte aan de deur,

maar kreeg geen antwoord. Ik klopte nog eens, en draaide toen de kruk

om; de deur ging open. Ik trad binnen. De kapitein zat voorovergebogen

aan de tafel en had mij niet gehoord. Besloten niet heen te gaan voor

ik hem ondervraagd had, naderde ik; hij hief plotseling het hoofd op,

fronste de wenkbrauwen en zei op ruwen roon:

"Gij hier! wat wilt gij?"

"U spreken, kapitein"

"Maar ik ben bezig, mijnheer, ik werk. De vrijheid, die ik u geef om

u af te zonderen, mag ik die zelf niet hebben?"

De ontvangst was niet zeer aanmoedigend, maar ik was besloten alles

aan te hooren, ten einde alles te beantwoorden.

"Mijnheer," zei ik koeltjes, "ik heb te spreken over een zaak, die

geen uitstel lijdt."

"Welke, mijnheer?" vroeg hij op spottenden toon. "Hebt gij een

ontdekking gedaan, die mij nog ontgaan was? Heeft de zee u nieuwe

geheimen geopenbaard?"

Hij was ver van de wijs, maar voordat ik kon antwoorden, wees hij

mij op een handschrift, dat voor hem op de tafel lag, en zei op

ernstigen toon:

"Hier ligt een handschrift in verscheiden talen, mijnheer Aronnax,

Het behelst het overzicht van mijn studiën over de zee, en zoo God

wil, zal het niet met mij te gronde gaan. Dit handschrift, door mij

onderteekend, en aangevuld met de geschiedenis van mijn leven, zal in

een hermetisch gesloten kistje worden geborgen. De laatst overlevende

van ons aan boord van den Nautilus, zal het in zee werpen, en dan

kan het gaan waarheen de golven het voeren willen."

De naam van den man! Zijn levensgeschiedenis, door hem zelven

geschreven! Zijn geheim zou dus eenmaal ontsluierd worden? Maar op

dat oogenblik zag ik in die medeeling alleen een middel om het gesprek

te beginnen.

"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan de gedachte slechts goedkeuren,

die u aldus doet handelen. De vrucht uwer studiën moet niet

verloren gaan; maar het middel, dat gij daartoe aangrijpt, schijnt

mij kinderachtig. Wie weet werwaarts de winden dit kistje zullen

heenvoeren en in welke handen het zal vallen? Zoudt gij niet iets

beters kunnen uitdenken? Kunt gij, of kan een uwer manschappen ...."

"Nooit, mijnheer," zei de kapitein, terwijl hij mij haastig in de

rede viel.

"Maar ik en mijn makkers zijn gereed dit handschrift te bewaren,

en als gij ons de vrijheid hergeeft...."

"De vrijheid!" zei kapitein Nemo, terwijl hij opstond.

"Ja, mijnheer, en het is daarover dat ik u kwam spreken. Sedert

zeven maanden zijn wij bij u aan boord, en nu vraag ik u heden in

naam mijner makkers en van mij zelven, of het uw plan is ons altijd

bij u te houden?"

"Mijnheer Aronnax," zei kapitein Nemo, "ik zal u heden hetzelfde

antwoord geven als voor zeven maanden: hij, die in den Nautilus komt,

verlaat hem niet meer."

"Het is dus slavernij, waartoe gij ons veroordeelt?"

"Noem het zooals gij wilt."

"Maar de slaaf behoudt toch overal het recht om de vrijheid te

herkrijgen! Welke ook de middelen zijn, die zich daarvoor aanbieden,

hij mag ze allen aangrijpen."

"Wie weigert u ditzelfde recht?" antwoordde Nemo. "Heb ik er ooit

aan gedacht u door een eed aan mij te binden?"

De kapitein keek mij aan, terwijl hij de armen over elkander sloeg.

"Mijnheer," zei ik, "het zou noch in uwen, noch in mijnen smaak vallen

om voor de tweede maal op dit onderwerp terug te komen. Maar omdat wij

er nu eenmal mee bezig zijn, kunnen wij het ten einde toe behandelen;

ik herhaal u dat hier niet alleen sprake is van mijn persoon. Voor

mij is studie een hulpmiddel, een krachtige afleiding, een wegslepend

iets, een hartstocht, die mij alles doet vergeten. Evenals gij ben ik

iemand, die gaarne eenzaam en vergeten leef, in de geringe verwachting

van eens aan het nageslacht de vruchten mijner studiën na te laten,

door middel van een kistje, dat ik aan de gril van golven en wind zou

toevertrouwen. In éen woord, ik kan u bewonderen en zonder verdriet

volgen in een rol, die ik slechts in sommige opzichten begrijp; maar

uw leven heeft nog andere gezichtspunten, waardoor ik het beschouw,

als omringd van moeielijkheden en geheimzinnigheden waarmede mijn

makkers en ik niets te maken hebben. En zelfs als ons hart voor u

heeft kunnen kloppen, bewogen als het was door innige droefheid,

of getroffen door grootsche of moedige daden, hebben wij zelfs het

geringste bewijs van dit medegevoel in ons hart moeten terugdringen,

een medegevoel, dat het gezicht van het schoone en goede in ons opwekt,

hetzij dit komt van een vriend of van een vijand. Welnu, het is dit

gevoel, dat wij vreemd zijn aan al wat u betreft, dat onze toestand

hier onhoudbaar en onmogelijk maakt, zelfs voor mij, maar vooral

onmogelijk voor Ned Land. Ieder mensch is waard dat men aan hem denkt,

alleen omdat hij mensch is. Hebt gij u zelven wel afgevraagd, welke

wraakzuchtige plannen zucht naar vrijheid en afschuw van slavernij

in een karakter als dat van den Amerikaan kunnen doen rijpen, wat

hij kan denken, pogen, beproeven?...."

Ik hield op; kapitein Nemo was opgestaan.

"Laat Ned Land al denken en beproeven wat hij wil, het kan mij niets

schelen! Ik heb hem niet opgezocht; het is niet voor mijn genoegen

dat ik hem aan boord houd! Wat u betreft, mijnheer Aronnax, gij

zijt een van die menschen die alles kunnen begrijpen, zelfs het

stilzwijgen. Ik heb u niets meer te antwoorden. Laat deze eerste

maal, dat gij mij over die zaak komt spreken, ook de laatste zijn,

want een tweede maal zou ik u zelfs niet kunnen aanhooren."

Ik ging heen. Van dien dag af was onze toestand zeer gespannen;

ik deelde ons gesprek aan mijn beide makkers mede.

"Nu weten wij," zei Ned, "dat er van dien man niets te hopen is. De

Nautilus nadert Long-Island; wij zullen dus vluchten, hoe het weer

ook moge zijn."

Maar de lucht werd hoe langer hoe dreigender; er waren voorteekenen

van een naderenden orkaan; het zwerk werd melkachtig wit; in plaats

van kleine wolkjes, rezen aan den gezichteinder dikke zwarte wolken,

en dreven snel voort. De zee begon hol te staan en groote golven te

vormen. De vogels verdwenen, met uitzondering van de stormvogels; de

barometer daalde sterk en duidde een sterke drukking van den dampkring

aan; het mengsel in het stormglas loste op door den invloed van de

electriciteit, waarmee de dampkring verzadigd was. De worsteling der

elementen was aanstaande.

Op den 18den Mei barstte de storm los, juist toen de Nautilus op de

hoogte van Long-Island op eenige kilometers van New-York was. Ik kan

dien strijd der elementen beschrijven, want in plaats van naar de

diepte te gaan, wilde kapitein Nemo door een onverklaarbare gril, den

storm aan de oppervlakte trotseeren. De wind woei uit het zuid-westen;

eerst was het een flinke bries, die met een snelheid van 15 meter in

de seconde woei; deze vermeerderde tegen drie uren des namiddags tot

25 meter; het was de snelheid van den storm.

Kapitein Nemo bleef onwrikbaar op het plat zitten. Hij had zich om

het midden van het lichaam vastgesjord, om door de groote golven,

die over hem heen sloegen, niet weggeslagen te worden. Ik was ook

op het plat komen zitten, en had mij eveneens vastgebonden, terwijl

ik gedeeltelijk den storm, gedeeltelijk dien onvergelijkelijken man

bewonderde, die het hoofd bood aan zulk een orkaan!

De woeste zee werd door de regenvlagen gezweept; ik zag geen

van de kleine golven meer, die zich in de laagte tusschen twee

groote gewoonlijk vormen. Niets als lange donkerkleurige baren,

wier kruinen zich dreigend verhieven. Zij werden hoe langer hoe

hooger, en schenen als in woede elkander te vervolgen. Nu eens lag de

Nautilus op zijde, dan stond hij recht overeind, slingerde en stampte

verschrikkelijk. Tegen vijf uur viel de regen bij stroomen neer,

doch wind noch golven werden er door tot bedaren gebracht. De orkaan

woedde met een snelheid van 45 meter in de seconde, dat is ongeveer

160 kilometer in het uur. Als een orkaan zóo hevig is, dan werpt

hij huizen omver, licht daken op, verbreekt ijzeren hekken, en kan

zelfs 24-ponders van hunne plaats brengen. En toch rechtvaardigde de

Nautilus in dien storm het gezegde van een bekwaam scheepsbouwmeester,

die eens zei: "Er is geen goed gebouwd vaartuig, dat aan de woede der

zee geen weerstand kan bieden." Het was geen vaste rots, waarop die

golven zouden breken, maar wel een stalen spil, die zich kon bewegen

en aan een roer gehoorzaamde, en zonder tuig of masten, de woede der

elementen straffeloos kon trotseeren.

Ik bekeek de vreeselijke zeeën zoo nauwkeurig als onze toestand dit

toeliet. Zij waren tot zelfs vijftien meter hoog, 150 tot 175 meter

lang, en rolden voort met een snelheid van vijftien meter in de

seconde. De watermassa en de kracht ervan nam toe met de diepte van

het water. Ik begreep toen welke rol de golven speelden, daar zij lucht

opnemen en die met geweld naar de diepte der zee dringen, waar ze met

de zuurstof dus het leven aanbrengen. De kracht van die golven heeft

men berekend; zij kan zich zelfs verheffen tot 27000 kilogrammen op den

vierkanten meter; wanneer zij ergens tegen aanklotsen. Het waren zulke

baren, die op de Hebriden een rotsblok van 48000 kilogrammen hebben

omvergeworpen, of die in den storm van 23 December 1864 een gedeelte

van de stad Yeddo omverwierpen, en met een snelheid van 200 kilometer

in het uur, dienzelfden dag nog de kust van Amerika bereikten.

Gedurende den nacht nam de hevigheid van den storm nog toe. De

barometer daalde, evenals in 1860 op het eiland Bourbon, gedurende een

cykloon tot 710 m.M. In de schemering zag ik aan den gezichteinder

een groot schip, dat met den storm worstelde; het voer onder halven

stoom, om zich op de golven overeind te houden; waarschijnlijk was

het een van de stoombooten van de lijn van New-York naar Liverpool

of Havre. Het verdween weldra in de duisternis.

Om tien uur 's avonds stond de hemel in vuur; vreeselijke

bliksemstralen doorkliefden de lucht; ik kon het schitterend licht

aan de oogen niet uitstaan, terwijl kapitein Nemo het zonder blikken

beschouwde, en als 't ware den stormwind in zich opnam. Een vreeselijk

gebulder vervulde de lucht; het was een geraas dat ontstond door het

gebrul der golven, door het geloei van den storm en het ratelen der

donderslagen. De wind barstte aan alle kanten tegelijk los, en de

cykloon, die in het oosten onstond, keerde daarheen door het noorden,

westen en zuiden terug, juist andersom als met zulke draaiende stormen

in het zuidelijk halfrond het geval is.

O, wat rechtvaardigt die Golfstroom zijn naam: het vaderland der

stormen te zijn! Hier worden die vreeselijke cyklonen gevormd,

door het verschil in de temperatuur van de luchtlagen, die boven de

stroomen liggen.

Op den regen volgde een stroom van vuur; de regendruppels veranderden

in vurige vonken; men zou gezegd hebben dat kapitein Nemo een

hem waardigen dood had willen sterven, en hij daarom gaarne door

den bliksem getroffen wilde worden. Bij het ontzettend stampen en

slingeren van den Nautilus, verhief deze zich een oogenblik met de

voorpunt in de lucht, en ik zag er evenals van een bliksemafleider

tal van vonken afspringen.

Dood moede en bijna machteloos, kroop ik langzaam naar het luik; ik

opende het en ging naar den salon. Toen kreeg de storm zijn grootste

kracht; het was onmogelijk op de beenen te blijven staan. Kapitein Nemo

kwam tegen middernacht binnen; ik hoorde dat de vergaarbakken vol water

werden gepompt, en de Nautilus zonk langzaam onder het vlak der zee.

Door de geopende ramen van den salon zag ik groote visschen als

spoken schuw voorbijsnellen; enkele werden onder mijn oogen door

den bliksem getroffen. De Nautilus daalde nog altijd; ik dacht dat

wij op vijftien meter diepte in kalm water zouden zijn, maar neen,

de bovenvlakte was in al te heftige beweging; wij moesten de kalmte

in een diepte van vijftig meter opzoeken. Maar welk een rust, welk

een kalmte heerschte ook daar! Wie zou gezegd hebben, dat op dat

oogenblik een orkaan woedde aan de oppervlakte van den Oceaan?!

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 23 / 27 题