De inktvisschen.
Gedurende eenige dagen verwijderde de Nautilus zich hoe langer hoe meer
van de Amerikaansche kust. Waarschijnlijk wilde hij niet in de golf
van Mexico of in de zee der Antillen komen; echter zou het hem daar
met aan water ontbroken hebben, want de gemiddelde diepte dezer zeeën
is 1804 meter; doch waarschijnlijk beviel deze streek vol eilanden,
en waar het van stoombooten wemelde, niet aan kapitein Nemo.
Den 16den April hadden wij Martinique en Guadeloupe, op omstreeks
dertig kilometer afstand, in het gezicht. Een oogenblik zag ik de
hoogste bergtoppen. Ned Land, die er op rekende in de golf van Mexico
zijn plan ten uitvoer te brengen, door of naar het land te vluchten
of een der talrijke booten te bereiken, die den dienst tusschen
de verschillende eilanden doen, was zeer teleurgesteld; de vlucht
was zeker mogelijk geweest, als Ned Land zich buiten weten van den
kapitein van de sloep had kunnen meester maken, maar midden in den
Oceaan was daar geen denken aan.
Ned Land, Koenraad en ik hadden daarover een vrij lang gesprek:
sedert zes maanden zaten wij op den Nautilus opgesloten; wij hadden
68000 kilometer afgelegd, en, zooals Ned Land zei, zag het er niet
naar uit, dat dit nog spoedig zou eindigen. Hij stelde mij dus
iets voor, waar ik in het geheel niet verdacht op was; het was:
den kapitein duidelijk deze vraag te stellen of hij dacht ons voor
onbepaalden tijd bij zich aan boord te houden. Zulk een poging stuitte
mij tegen de borst; volgens mijn meening zou het niets uitwerken;
wij behoefden niet te rekenen op den kapitein van den Nautilus, maar
op ons zelven. Bovendien werd die man sinds eenigen tijd somberder,
meer teruggetrokken en minder gezellig. Hij scheen mij te mijden;
ik ontmoette hem maar zelden. Vroeger schepte hij er vermaak in mij
de onderzeesche wonderen te verklaren, doch nu liet hij mij aan mijn
studiën over, en kwam niet meer in den salon.
Welke verandering had er met hem plaatsgehad? Waarom? Ik had mij niets
te verwijten; hinderde hem misschien onze tegenwoordigheid? Echter
behoefde ik er niet op te rekenen, dat hij de man er naar was om ons
de vrijheid terug te geven.
Ik verzocht Ned dus mij eerst eens te laten nadenken, voordat ik
handelde. Indien deze poging niet slaagde, kon zij slechts zijn
achterdocht opwekken, onzen toestand onhoudbaar maken en de plannen van
den Amerikaan benadeelen. Ik zal er nog bijvoegen dat ik op geenerlei
wijze onze slechte gezondheid als bewijs kon aanvoeren; als men die
ellendige oogenblikken onder de ijsbank van de Zuidpool uitzondert,
dan was onze gezondheid nooit beter geweest. Het krachtig voedsel, de
zuivere lucht, de geregelde levenswijs, de gelijkmatige temperatuur,
dat alles weerde elke ziekte, en voor iemand, die geen heimwee had
naar de genoegens op het land, voor iemand als kapitein Nemo, die
zich te huis gevoelt, die door middelen, welke voor ieder behalve
voor hem, geheimen zijn, zijn doel zocht te bereiken, voor zoo iemand
begreep ik zulk een bestaan. Maar wij hadden niet met de menschheid
gebroken. Ik voor mij wilde mijn zonderlinge en nieuwe studiën niet
met mij te gronde doen gaan. Nu heb ik het recht een boek over de
zee te schrijven, ik wilde dit vroeger of later het licht doen zien.
Wat had ik b.v. hier bij de Antillen, op tien meter onder de
oppervlakte, door de ramen van den salon nog een aantal bijzonderheden
voor mijn oogen, die ik in mijn dagboek kon opteekenen! Allerhande
soorten van vreemdsoortige en gedrochtelijke dieren wemelden daar
door elkander, en ik zou zeker nog veel meer gezien hebben als de
Nautilus niet naar de diepte was gegaan, en zich zelfs tot op 3500
meter had laten zinken.
Den 20sten April waren wij weer op een gemiddelde diepte van 1500
meter; de Lucaische eilanden lagen toen het dichtst bij ons; zij
liggen daar als een hoop steenen aan de oppervlakte der zee. Daar
verhieven zich hooge onderzeesche klippen, rechte rotswanden op
breeden grondslag, waartusschen zwarte afgronden lagen, in welker
diepte ons electrisch licht zelfs niet kon doordringen. Die rotsen
waren met reusachtige zeeplanten bedekt, die in een wereld van Titans
te huis behoorden.
Van de groote planten, waarvan ik met Ned en Koen zat te praten,
kwamen wij natuurlijk op reusachtige zeedieren. Het eene dier is
blijkbaar bestemd om het andere te verslinden. Door de ramen van
den bijna stilliggenden Nautilus zagen wij evenwel niet veel anders
dan kleine beesten, toen Ned Land mijn aandacht vestigde op een
schrikkelijk gewemel tusschen het groote en hooge zeewier.
"Welnu," zei ik, "dat zijn de ware grotten voor inktvisschen en het
zou mij niet verwonderen, als wij eenige van die monsters zagen."
"Hoe?" vroeg Koenraad, "inktvisschen van de klasse der koppootigen?"
"Neen," antwoordde ik; "inktvisschen van zeer groote afmeting. Maar
vriend Ned heeft zich zeker vergist, want ik zie niets."
"Dat spijt mij," hernam Koen; "ik zou van aangezicht tot aangezicht wel
eens een van die inktvisschen willen zien, waarover ik zoo dikwijls heb
hooren spreken, en die heele schepen naar de diepte kunnen slepen. Die
beesten noemt men krakens...."
"Kraak jij die noot zelf maar," zei de Amerikaan met een spottend
gezicht.
"Krakens," ging Koen voort, zonder op de aardigheid van zijn makker
te letten.
"Men zal mij nimmer doen gelooven," zei Ned Land, "dat zulke dieren
bestaan."
"Waarom niet?" antwoordde Koen, "wij hebben wel aan den eenhoorn van
mijnheer geloof geslagen."
"Wij hadden ongelijk, Koen."
"Zonder twijfel, maar sommigen gelooven er zonder twijfel nog aan."
"Wel waarschijnlijk, Koen, maar ik geloof aan het bestaan van zulke
monsters niet, voordat ik ze zelf heb gedood."
"Gelooft mijnheer dus niet aan reusachtige inktvisschen?" vroeg
Koenraad.
"Kom, wie heeft daar ooit aan geloofd, voor den duivel!" riep de
Amerikaan.
"Zeer veel menschen, vriend Ned."
"Geen visschers toch; misschien geleerden."
"Neen, Ned, visschers en geleerden beiden."
"Maar ik, die tot u spreek," zei Koenraad met het ernstigste gezicht
van de wereld, "herinner mij zeer goed dat ik een groot schip door een
voelarm van zulk een koppootig weekdier naar beneden heb zien slepen."
"Heb jij dat gezien?" vroeg de Amerikaan.
"Ja Ned!"
"Met je eigen oogen?"
"Met mijn eigen oogen."
"Kom, loop heen."
"Op St. Malo;" antwoordde Koenraad met onverstoorbare kalmte.
"In de haven?" vroeg Ned spottend.
"Neen, in de kerk," antwoordde Koen.
"In de kerk!" riep de Amerikaan uit.
"Ja, vriend Ned, het was een schilderij waarop de inktvisch was
afgebeeld."
"Mooi zoo!" barstte Ned Land het uit van 't lachen, "mijnheer Koen
houdt mij geducht voor den gek."
"Waarachtig, hij heeft gelijk," zei ik. "Ik heb van dat schilderstuk
hooren spreken; maar het tafereel is uit een legende genomen; en je
weet wat men van die legenden uit de natuurlijke geschiedenis moet
denken! Bovendien als men over monsters spreekt, dan gaat men in zijn
verbeelding aan het afdwalen! Niet alleen heeft men beweerd dat zulke
monsters schepen naar den afgrond konden meeslepen, maar zekere Olaus
Magnus spreekt van een koppootig weekdier, dat een kilometer lang was
en meer op een eiland dan op een dier geleek. Men verhaalt ook dat de
bisschop van Nidros eens een altaar op een groote rots bouwde; toen
de mis gedaan was, begon de rots zich te bewegen en verdween in zee;
de rots was een inktvisch."
"En is dat alles?" vroeg de Amerikaan.
"Neen," antwoordde ik. "Een andere bisschop Pontoppidam van Bergen,
spreekt ook van een inktvisch waarop een regiment ruiterij kon
manoeuvreeren!"
"Die oude bisschoppen konden goed liegen!" zei Ned Land.
"Eindelijk nog vertellen natuurkenners uit de oudheid van monsters,
wier bek op een golf geleek, en die te groot waren om door de straat
van Gibraltar te komen."
"Mooi zoo!" lachte de Amerikaan.
"Maar wat is nu van al die verhalen waar?" vroeg Koenraad.
"Niets, mijn vrienden, niets althans wat de grenzen der
waarschijnlijkheid te buiten gaat, om aan fabels of legenden te
gelooven. Doch er moet voor de phantazieën van die vertellers
een oorzaak, of ten minste een voorwendsel bestaan. Men kan niet
ontkennen dat er inktvisschen van zeer groote afmeting bestaan, doch
zij zijn toch altijd kleiner dan walvisschen. Aristoteles spreekt van
een inktvisch van vijf ellebogen, dat is 3,1 meter. Onze visschers
zien er dikwijls, die langer zijn dan 1,80 m. De museums van Triëst
en Montpellier bewaren skeletten van inktvisschen, die twee meter
lang zijn. Bovendien zouden, volgens de bewering van natuurkenners,
dieren die maar twee meter lang zijn, voelarmen van negen meter hebben,
en dat is genoeg om er een vreeselijk monster van te maken."
"En vischt men ze nu nog wel eens op?" vroeg Ned Land.
"Al vangen zij er geen, dan zien de zeelieden ze toch van tijd tot
tijd. Een van mijn vrienden, kapitein Paul Bos uit Hâvre, heeft
mij dikwijls verzekerd dat hij een van die reusachtige monsters in
de Indische Zee ontmoet had. Maar het verwonderlijke feit, dat geen
twijfel aan het bestaan van die reusachtige dieren toelaat, is eenige
jaren geleden in 1861 gebeurd."
"Wat is dat dan?" vroeg de Amerikaan.
"In 1861 zag de bemanning van de Alecton ten N. W. van Teneriffe, op
ongeveer dezelfde breedte waar wij ons nu bevinden, een monsterachtigen
inktvisch in het zog van het schip zwemmen. De kapitein Bouguer naderde
het dier en men viel het met harpoen en geweer aan, doch zonder goed
gevolg, want kogels en harpoenen gingen door het beest heen, waarvan
het vleesch zoo week was als gelei. Na vele vluchtelooze pogingen
gelukte het der bemanning een strik om den staart van het weekdier
te werpen. Deze strik gleed vast tegen de staartvinnen en bleef daar
zitten. Men beproefde toen om het monster aan boord te hijschen,
maar de zwaarte van het dier was zoo groot, dat de staart door het
knellen van het touw er afscheurde en het beest zonder dit sieraad
in zee viel."
"Dat is dan toch een feit," zei Ned Land.
"Ontwijfelbaar, wakkere Ned; ook heeft men daarom voorgesteld dien
inktvisch 'de inktvisch van Bouguer' te noemen."
"En hoe lang was hij?" vroeg de Amerikaan.
"Was hij geen zes meter ongeveer lang?" vroeg Koenraad, die aan een
raam naar de kloven in de rotsen stond te kijken.
"Juist," antwoordde ik.
"Had hij geen acht voelarmen rondom den kop zitten," hernam Koenraad,
"die als een slangennest in het water door elkander krioelden!"
"Juist."
"Had hij geen verbazend groote oogen, die boven op den kop stonden?"
"Ja, Koenraad."
"En zag de bek er niet uit als die van een papegaai, maar veel
grooter?"
"Inderdaad, Koenraad."
"Welnu, als mijnheer mij niet kwalijk neemt," antwoordde Koenraad
dood bedaard, "dan is hier, zoo niet de inktvisch van Bouguer, dan
toch éen van zijn broertjes."
Ik keek Koenraad aan; Ned Land vloog naar het venster.
"Wat verschrikkelijk beest!" riep hij.
Ik keek op mijn beurt, en kon een gevoel van afgrijzen niet
onderdrukken. Voor mijn oogen spartelde een vreeselijk monster, dat
waard was om in de legenden der wonderwereld een plaats in te nemen.
Het was een inktvisch van kolossale afmetingen, van acht meter
lengte. Hij zwom in de richting van den Nautilus met verbazende
snelheid achteruit. Hij staarde ons met zijn groote bleekgroene oogen
aan. Zijn acht voelarmen, of liever zijn acht pooten, die aan den kop
vastzaten, en waarom deze dieren koppootigen genoemd worden, waren
tweemaal zoo lang als het lichaam, en kronkelden als de slangen op
het hoofd der Furiën. Men zag duidelijk de tweehonderd zuignappen,
die aan den binnenkant der voelarmen zaten en er als half bolvormige
vliesjes of blaasjes uitzagen. Soms drukte hij die zuignappen tegen het
glas en veroorzaakte daardoor een kleine luchtleegte. De bek van dit
monster was zoo hard als hoorn, en opende en sloot zich in vertikale
richting. De tong, hoornachtig en met eenige rijen tanden gewapend,
kwam trillend van tusschen deze nijptang te voorschijn. Welk een
speling der natuur, een weekdier met een vogelbek! Het spilvormige
en in het midden opgezwollen lichaam vormde een vleezige massa, die
waarschijnlijk 20 of 25000 kilogrammen woog. De kleur veranderde
bijzonder snel, naarmate van de woede van het dier, en ging van
lichtgrijs over tot bruinrood. Waarom werd het dier nijdig? Zonder
twijfel op den Nautilus, die grooter was dan hij, en waarop zijn
voelarmen en zuignappen geen vat hadden. En toch, wat zijn de
inktvisschen monsterachtig, welk eene macht in hun bewegingen,
welk een levenskracht heeft de Schepper hun gegeven, daar zij drie
harten hebben!
Het toeval deed ons dit dier ontmoeten, en ik wilde de gelegenheid niet
laten voorbijgaan om dit staaltje der koppootige weekdieren nauwkeurig
te bestudeeren. Ik overwon het afgrijzen, dat mij het gezicht van
dit beest inboezemde, en begon het met een potlood uit te teekenen.
"Het is misschien hetzelfde als dat van de Alecton," zei Koenraad.
"Neen," antwoordde de Amerikaan, "deze is in zijn geheel, en de ander
had zijn staart verloren."
"Dat is geen reden," antwoordde ik. "De voelarmen en de staart van deze
dieren groeien telkens opnieuw aan, en in zeven jaren tijds heeft de
staart van den inktvisch van Bouguer zeker tijd genoeg gehad om aan
te groeien."
"Bovendien," antwoordde Koenraad, "als dit dier het al niet is,
dan is het misschien een van deze hier."
Werkelijk verschenen andere dieren voor het andere raam. Ik telden
er zeven. Zij begeleidden den Nautilus, ik hoorde het krassen van
hun bek tegen den ijzeren buitenwand van het schip. Wij werden op
onze wenken gediend.
Ik vervolgde mijn werk. De monsters bleven met zulk een juistheid
van beweging in ons vaarwater, dat zij onbeweeglijk schenen te zijn.
Plotseling hield de Nautilus stil. Een schok deed het vaartuig trillen.
"Hebben wij gestooten?" vroeg ik.
"Dan zitten wij in ieder geval toch niet vast," zei de Amerikaan,
"want wij drijven."
De Nautilus dreef zonder twijfel, maar ging niet meer vooruit. De
schroef draaide niet meer; een minuut ging voorbij. Kapitein Nemo
kwam met zijn stuurman binnen. Ik had hem sinds eenigen tijd niet
meer gezien. Hij zag er somber uit. Zonder tot ons te spreken,
misschien zelfs zonder ons te zien, ging hij naar het raam, bekeek
de inktvisschen en zei iets tot zijn stuurman. Deze verwijderde zich;
de ramen werden gesloten en het licht aan het plafond werd ontstoken.
Ik trad op den kapitein toe.
"Een fraaie verzameling inktvisschen," zei ik, op den lossen toon
van een liefhebber, die voor een aquarium staat te kijken.
"Zeker, mijnheer de natuurkenner," antwoordde hij; "en wij zullen ze
eens gaan bevechten!"
Ik keek den kapitein aan, en meende niet goed gehoord te hebben.
"Bevechten?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer. De schroef zit vast, ik geloof dat de voelarmen van
een van die dieren er tusschen zit; daarom kunnen wij niet vooruit."
"Wat zult gij dan doen?"
"Naar boven stijgen en al dat ongedierte vernielen."
"Dat is niet gemakkelijk."
"Zeker niet, want de electrische kogels werken niets uit in dat weeke
vleesch, waar zij geen tegenstand genoeg vinden om te springen. Maar
wij zullen ze met bijlen aanvallen."
"En met den harpoen, mijnheer," zei de Amerikaan, "als gij ten minste
mijn hulp niet versmaadt."
"Ik neem die aan."
"Wij zullen u vergezellen," zei ik, en den kapitein volgend, begaven
wij ons naar de middeltrap.
Daar stonden een tiental mannen met enterbijlen in de hand, ten aanval
gereed. Koen en ik namen ieder een bijl, Ned Land greep een harpoen.
De Nautilus was ondertusschen aan de oppervlakte der zee gekomen. Een
der matrozen stond op de bovenste trede en maakte de schroeven van
het luik los. Maar deze waren ternauwernood los, of het luik sprong
met vreeselijk geweld open, zeker door de voelarmen van een der
inktvisschen opengerukt.
Aanstonds kwam een van die voelarmen als een slang door de opening,
en twintig anderen kronkelden daarboven. Met een bijlslag hieuw de
kapitein den vreeselijken voelarm af, die kronkelend langs de trappen
naar beneden gleed.
Op het oogenblik dat wij de een op den ander drongen, om het plat te
bereiken, kronkelden twee andere voelarmen door de lucht, grepen den
man die vóor den kapitein stond, en slingerden hem met onweerstaanbaar
geweld in de hoogte. De kapitein stiet een kreet uit en sprong naar
buiten; wij ijlden hem na.
Welk een tooneel! De ongelukkige, door een voelarm gegrepen en door
de zuignappen vastgehouden, werd door deze vreeselijke slang heen en
weer geslingerd; hij steunde, stikte en riep: "help! help!" Deze in
het Fransch gesproken woorden deden mij verstomd staan. Ik had dus
éen, misschien wel meer landgenooten aan boord! Die hartverscheurende
kreet zal mij mijn leven lang in de ooren klinken!
De ongelukkige was verloren. Wie kon hem aan dit geweld
ontrukken! Kapitein Nemo wierp zich echter op den inktvisch en sloeg
hem met de bijl nog een voelarm af. Zijn stuurman streed woedend met
andere monsters, die tegen den Nautilus opkropen. De geheele bemanning
was aan het rondhakken. Ned Land, Koen en ik hieuwen er ook dapper op
los in die vleezige massa's. Een vreeselijke muskusstank verspreidde
zich. Het was ijzingwekkend!
Een oogenblik meende ik dat de ongelukkige, die door den inktvisch
gegrepen was, zou worden bevrijd. Er waren reeds zeven van de acht
armen afgehouwen. Een enkele nog zwaaide het slachtoffer als een
veertje heen en weder, en kronkelde in de hoogte; maar op het oogenblik
dat kapitein Nemo en zijn stuurman zich op het dier wilden werpen,
spoog het een straal zwartachtig vocht uit, dat zich in een zak, die
aan het onderlijf zit, afscheidt. Wij werden er door verblind. Toen het
voorbij was, was de inktvisch verdwenen en daarmede mijn ongelukkige
landgenoot!
Hoe woedden wij toen tegen die monsters! Wij waren ons zelven geen
meester meer. Tien of twaalf inkvisschen waren op het plat of tegen
de zijden van den Nautilus opgekropen. Wij sprongen tusschen al die
slangen heen en weer, die op het dek in bloed en zwart vocht lagen te
rillen; het scheen dat die glibberige voelarmen, evenals de koppen van
de hydra, telkens weer aangroeiden. Met elken stoot drong de harpoen
van Ned Land in een der oogen van een inktvisch, en stiet het er uit;
maar plotseling werd mijn stoutmoedige makker omver geworpen door
den voelarm van een der monsters, dien hij niet had kunnen vermijden.
Hoe is het mogelijk dat mijn hart van aandoening en afgrijzen niet
gebarsten is! De vreeselijke bek van den inktvisch opende zich boven
Ned. De ongelukkige zou in tweeen worden gescheurd. Ik snelde hem te
hulp; maar de kapitein was mij voorgekomen. Zijn bijl verdween tusschen
de beide verschrikkelijke kaken, en Ned Land, op wonderdadige wijze
gered, sprong overeind en stak zijn harpoen in het drievoudig hart
van het monster.
"Ik was u dit nog schuldig," zei de kapitein tot den Amerikaan;
Ned boog, zonder te antwoordden.
Deze strijd had een kwartier geduurd. Het grootste aantal der monsters
was overwonnen, verminkt of doodgeslagen, de overigen lieten eindelijk
hun aanval varen en verdwenen onder de golven.
Kapitein Nemo zag rood van het bloed; hij stond onbeweeglijk bij de
lantaarn, beschouwde de zee, die een van zijn makkers had verzwolgen,
en dikke tranen rolden hem langs de wangen.