Geen lucht.
Derhalve een ondoordringbare ijsmuur boven, beneden en rondom den
Nautilus; wij zaten in de ijsbank gevangen! De Amerikaan sloeg met
de vuist op de tafel; Koenraad zweeg, ik keek den kapitein aan;
zijn gelaat had de gewone kalmte hernomen. Hij had de armen over
elkander geslagen, en scheen na te denken. De Nautilus bewoog zich
niet. Daarna nam de kapitein het woord:
"Mijne heeren," zei hij op bedaarden toon, "er zijn twee wijzen van
sterven in de omstandigheden waarin wij verkeeren."
Deze onverklaarbare man had iets van een hoogleeraar in de wiskunde,
die voor zijn leerlingen de een of andere stelling bewees.
"De eerste manier," vervolgde hij, "is om te sterven door
verplettering, de tweede door verstikking. Ik spreek niet van de
mogelijkheid om den hongerdood te sterven, want de proviand van den
Nautilus zal langer duren dan wij. Laten wij dus alleen over de beide
eerste gevallen spreken."
"Voor stikken behoeven wij niet bang te zijn, kapitein," antwoordde ik,
"want onze vergaarbakken zijn vol."
"Juist," hernam Nemo, "maar dat is maar voor twee dagen genoeg. Wij
zijn nu al zes en dertig uren onder water, zoodat het zeer noodig
is de lucht in den Nautilus te ververschen. Over tweemaal vier en
twintig uren zal onze voorraad uitgeput zijn."
"Welnu, kapitein, dan moeten wij vóor dien tijd bevrijd zijn."
"Wij zullen het tenminste beproeven, door den muur te doorboren,
die ons insluit."
"Aan welken kant?" vroeg ik.
"Dat zal de peiling leeren. Ik zal den Nautilus op den onderkant
van den tunnel laten rusten, en dan zullen mijn manschappen met hun
scaphanders aan, den ijsberg aan de minst dikke zijde aantasten."
"Mogen de wanden van den salon open?"
"Zeker, want wij liggen stil."
De kapitein ging heen. Een gesis onderrichtte mij weldra dat de
waterbakken volstroomden. De Nautilus daalde langzaam, en stuitte
eindelijk op den ijsvloer op een diepte van 350 meter.
"Vrienden," zei ik, "de toestand is ernstig, doch ik reken op uw moed
en geestkracht."
"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "ik zal u nu niet vervelen met
mijn klaagliederen. Ik ben bereid om alles te doen voor het algemeen
behoud."
"Goed zoo, Ned," zei ik, terwijl ik hem de hand toestak.
"En ik voeg er nog bij," hernam hij, "dat ik even goed het houweel
als den harpoen hanteer, en dat als de kapitein denkt dat ik hem
nuttig kan zijn, hij over mij kan beschikken."
"Hij zal je hulp niet weigeren; kom maar mee."
Ik bracht den Amerikaan naar het vertrek waar de mannen van den
Nautilus bezig waren de scaphanders aan te doen. Ik deelde den kapitein
Neds voorstel mede, dat hij aannam. De Amerikaan trok een scaphander
aan en was even spoedig als de anderen gereed. Elk hunner droeg een
toestel van Rouquayrol met een voorraad zuivere lucht op den rug. De
vergaarbakken van den Nautilus werden daardoor nog al beroofd, doch,
't was noodig. De lampen van Ruhmkorff waren onnoodig in dit electrisch
verlichte water.
Toen Ned was aangekleed, ging ik naar den salon terug, waar de wanden
geopend waren, en naast Koenraad staande, bekeek ik de ijsmuren eens,
waartusschen de Nautilus lag.
Eenige oogenblikken later zagen wij een twaalftal mannen op het ijs
komen; Ned Land was door zijn lengte te herkennen. De kapitein was
er ook bij.
Voordat hij in de muren liet hakken, beval hij boringen te doen om
den goeden uitslag te verzekeren en te verhaasten. Er werden diepe
gaten in de zijmuren gemaakt, doch na vijftien meter diep geboord te
hebben, stiet men nog altijd op den ijsmuur. Het was onnoodig den muur
boven ons te onderzoeken, omdat zich daar de ijsbank zelf bevond,
die meer dan vierhonderd meter dik was. Toen liet de kapitein den
bodem onderzoeken; daar scheidden ons maar tien meter ijs van het
water; er moest dus een stuk worden uitgehakt, dat zoo groot was
als de doorsnee van ons vaartuig; er waren dus 6500 kubieke meter
op te ruimen, om daardoor een gat te krijgen, waardoor wij onder het
ijsveld weer in het vaarwater zouden kunnen komen.
Het werk werd onmiddellijk aangevangen en met onvermoeide werkzaamheid
voortgezet. In plaats van om den Nautilus te graven, want dit zou een
zeer moeielijk werk zijn geweest, liet de kapitein een groote geul op
acht meter afstands rondom den Nautilus afbakenen; daarna boorden zijn
manschappen er op verschillende punten te gelijk in. Weldra viel men
met het houweel op deze vaste massa aan, waarvan men spoedig groote
blokken loshakte. Volgens de wetten der zwaartekracht vlogen de
blokken, die minder wogen dan het water, om zoo te zeggen naar het
gewelf, dat daardoor zooveel dikker als de bodem dunner werd. Doch
dit kwam er niet op aan, als de bodem maar slonk.
Na twee uren van onafgebroken arbeid kwam Ned Land afgemat weer
binnen. Zijn makkers en hij werden door anderen vervangen, waartoe
ook Koenraad en ik behoorden. De stuurman van den Nautilus bestierde
onzen arbeid.
Het scheen mij toe dat het water erg koud was, doch ik werd spoedig
warm door het werk. Ik was vrij in mijn bewegingen, hoewel mijn lichaam
een drukking van dertig atmosferen ondervond. Toen ik na twee uren
werkens weer binnen kwam om wat te eten en te rusten, vond ik een
merkbaar verschil tusschen de lucht uit het toestel van Rouquayrol
en de atmosfeer die ons in den Nautilus omringde. Sedert tweemaal
vier en twintig uur was de lucht niet ververscht en de levenskracht
er dus van afgenomen.
Echter hadden wij in twaalf uren tijds maar één meter dikte van het
ijs opgeruimd; als dus het werk op dezelfde wijze werd door-gezet,
dan zouden wij nog vijf nachten en vier dagen hebben noodig gehad om
te eindigen.
"Vijf nachten en vier dagen!" zei ik tot mijn makkers, "en wij hebben
maar voor twee dagen lucht in onze vergaarbakken."
"Zonder nog te rekenen, dat, als wij uit die vervloekte gevangenis
verlost zijn," zei Ned, "wij dan nog onder de ijsbank zitten en geen
gemeenschap hebben met de buitenlucht."
Die opmerking was juist, want wie kon berekenen hoeveel tijd wij op
zijn minst noodig hadden voor onze bevrijding? Zouden wij niet gestikt
zijn voordat de Nautilus weer de oppervlakte kon bereiken? Was het
vaartuig bestemd in dit ijsgraf te verdwijnen met allen die er in
waren? Onze toestand scheen verschrikkelijk. Maar ieder onzer staarde
die toekomst moedig tegen, en allen waren vast besloten om ten einde
toe hun plicht te doen.
Zooals ik dacht, was er gedurende den nacht weer een meter dikte van
het ijs afgehakt. Doch toen ik den volgenden morgen met mijn scaphander
aan, onder een temperatuur van zes tot zeven graden onder nul door het
zeewater liep, zag ik dat de zijmuren ons langzamerhand naderden. Het
water, dat op eenigen afstand niet verwarmd werd door onzen arbeid
en door de beweging, begon langzamerhand te stollen. Wat beteekenden
tegenover dit nieuw en dreigend gevaar onze kansen op behoud, en hoe
zouden wij deze ijsvorming kunnen tegengaan, die de Nautilus als een
stuk glas uit elkander zou doen springen?
Ik deelde mijn makkers dit nieuw gevaar niet mede. Waarom behoefde ik
de geestkracht uit te dooven, die zij voor hun reddingswerk zoozeer
noodig hadden? Doch toen ik weer aan boord kwam, deelde ik den kapitein
deze omstandigheden mede.
"Ik weet het," antwoordde hij op dien kalmen toon, die de vreeselijkste
omstandigheden niet konden doen veranderen. "Het is een gevaar te
meer, maar ik zie geen middel om het te verhoeden. Onze eenige kans
op behoud is sneller te werken dan de vorst; het is er om te doen de
eersten te zijn; dat is alles!"
De eersten te zijn! Ik had mij toch reeds moeten gewennen aan die
wijzen van spreken!
Dien dag werkte ik verscheiden uren, zoo hard ik kon. Dit werken gaf
mij moed. Bovendien, met werken kon ik den Nautilus en die bedorven
atmosfeer van ons vaartuig verlaten, en dus wat zuivere lucht inademen.
Tegen den avond was de groeve nog een meter dieper gemaakt. Toen
ik weer aan boord kwam, stikte ik bijna door het koolzuur waarmee
de atmosfeer daar binnen verzadigd was. O, waarom hadden wij geen
scheikundige middelen om dit gas te verdrijven! Aan zuurstof hadden
wij geen gebrek, het water bevatte een groote hoeveelheid, en als
wij dit door onzen toestand wisten te ontbinden, zou het ons door de
zuurstof nieuwe levenskracht hebben geschonken! Ik dacht er wel aan,
doch waartoe zou het gediend hebben, daar het koolzuur in alle deelen
van ons vaartuig was doorgedrongen. Om het koolzuur weg te nemen,
hadden wij groote vazen met bijtende potasch moeten vullen en die
aanhoudend schudden; en juist deze stof ontbrak aan boord.
Dien avond moest de kapitein de kranen van zijn luchtvergaderbakken
openen, om zoodoende de atmosfeer in den Nautilus eenigszins te
ververschen. Zonder die voorzorg zouden wij den volgenden morgen niet
zijn opgestaan.
Den volgenden morgen, 26 Maart, begon ik weer te werken. Wij waren
aan den vijfden meter bezig. De zij- en bovenmuren van de ijsbank
naderden ons van oogenblik tot oogenblik. Het was duidelijk dat zij ons
zouden insluiten voordat de Nautilus los was. Ik werd éen oogenblik
wanhopend; het houweel viel mij bijna uit de handen. Waarom behoefde
ik nog te hakken, als ik toch moest stikken in het water dat tot ijs
stolde; het was een straf, die de grootste wreedaard niet zou hebben
uitgedacht. Ik dacht dat ik tusschen de vreeselijke kaken van een
monster zat, die onweerstaanbaar tot elkander naderden.
Op dat oogenblik kwam de kapitein, die het werk bestierde, doch zelf
ook meewerkte, langs mij heen; ik stiet hem aan den arm en wees hem
op de muren onzer gevangenis. Aan stuurboordzijde was de muur tot
op vier meter van den Nautilus genaderd. "Wij gingen naar binnen en
trokken onze scaphanders uit, waarna ik met hem in den salon ging.
"Mijnheer Aronnax," zei hij, "wij moeten iets groots wagen of wij
zullen in dit water evenals in cement worden vastgemetseld."
"Ja," antwoordde ik, "maar wat dan?"
"O," riep hij uit, "als mijn Nautilus aan die drukking weerstand kon
bieden zonder verpletterd worden!"
"Welnu?" vroeg ik, daar ik hem niet begreep.
"Begrijpt gij niet dat die vorst ons dan te hulp zou komen? Ziet
gij niet, dat zij dan die ijsbank, die ons ingesloten houdt,
zou doen vaneenspringen, evenals het ijs de hardste steenen doet
splijten? Gevoelt gij niet dat die vorst dan ons reddingsmiddel zijn
zou, in plaats van ons te verdelgen?"
"Ja, kapitein, misschien; maar welke groote kracht de Nautilus ook
bezit, zoo zou hij toch aan die verbazende drukking geen weerstand
kunnen bieden, en geheel platgedrukt worden."
"Ik weet het, mijnheer. Wij moeten derhalve niet rekenen op de hulp
der natuur, maar op ons zelven. Wij moeten dat invriezen beletten;
niet alléen naderen ons de zijmuren, doch vóor en achter ons hebben wij
niet veel meer dan tien voet water. Aan alle kanten vriezen wij in."
"Hoe lang kunnen wij met behulp van de luchtvergaarbakken nog
ademhalen?" vroeg ik.