HOOFDSTUK XL

Geen lucht.

Derhalve een ondoordringbare ijsmuur boven, beneden en rondom den

Nautilus; wij zaten in de ijsbank gevangen! De Amerikaan sloeg met

de vuist op de tafel; Koenraad zweeg, ik keek den kapitein aan;

zijn gelaat had de gewone kalmte hernomen. Hij had de armen over

elkander geslagen, en scheen na te denken. De Nautilus bewoog zich

niet. Daarna nam de kapitein het woord:

"Mijne heeren," zei hij op bedaarden toon, "er zijn twee wijzen van

sterven in de omstandigheden waarin wij verkeeren."

Deze onverklaarbare man had iets van een hoogleeraar in de wiskunde,

die voor zijn leerlingen de een of andere stelling bewees.

"De eerste manier," vervolgde hij, "is om te sterven door

verplettering, de tweede door verstikking. Ik spreek niet van de

mogelijkheid om den hongerdood te sterven, want de proviand van den

Nautilus zal langer duren dan wij. Laten wij dus alleen over de beide

eerste gevallen spreken."

"Voor stikken behoeven wij niet bang te zijn, kapitein," antwoordde ik,

"want onze vergaarbakken zijn vol."

"Juist," hernam Nemo, "maar dat is maar voor twee dagen genoeg. Wij

zijn nu al zes en dertig uren onder water, zoodat het zeer noodig

is de lucht in den Nautilus te ververschen. Over tweemaal vier en

twintig uren zal onze voorraad uitgeput zijn."

"Welnu, kapitein, dan moeten wij vóor dien tijd bevrijd zijn."

"Wij zullen het tenminste beproeven, door den muur te doorboren,

die ons insluit."

"Aan welken kant?" vroeg ik.

"Dat zal de peiling leeren. Ik zal den Nautilus op den onderkant

van den tunnel laten rusten, en dan zullen mijn manschappen met hun

scaphanders aan, den ijsberg aan de minst dikke zijde aantasten."

"Mogen de wanden van den salon open?"

"Zeker, want wij liggen stil."

De kapitein ging heen. Een gesis onderrichtte mij weldra dat de

waterbakken volstroomden. De Nautilus daalde langzaam, en stuitte

eindelijk op den ijsvloer op een diepte van 350 meter.

"Vrienden," zei ik, "de toestand is ernstig, doch ik reken op uw moed

en geestkracht."

"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "ik zal u nu niet vervelen met

mijn klaagliederen. Ik ben bereid om alles te doen voor het algemeen

behoud."

"Goed zoo, Ned," zei ik, terwijl ik hem de hand toestak.

"En ik voeg er nog bij," hernam hij, "dat ik even goed het houweel

als den harpoen hanteer, en dat als de kapitein denkt dat ik hem

nuttig kan zijn, hij over mij kan beschikken."

"Hij zal je hulp niet weigeren; kom maar mee."

Ik bracht den Amerikaan naar het vertrek waar de mannen van den

Nautilus bezig waren de scaphanders aan te doen. Ik deelde den kapitein

Neds voorstel mede, dat hij aannam. De Amerikaan trok een scaphander

aan en was even spoedig als de anderen gereed. Elk hunner droeg een

toestel van Rouquayrol met een voorraad zuivere lucht op den rug. De

vergaarbakken van den Nautilus werden daardoor nog al beroofd, doch,

't was noodig. De lampen van Ruhmkorff waren onnoodig in dit electrisch

verlichte water.

Toen Ned was aangekleed, ging ik naar den salon terug, waar de wanden

geopend waren, en naast Koenraad staande, bekeek ik de ijsmuren eens,

waartusschen de Nautilus lag.

Eenige oogenblikken later zagen wij een twaalftal mannen op het ijs

komen; Ned Land was door zijn lengte te herkennen. De kapitein was

er ook bij.

Voordat hij in de muren liet hakken, beval hij boringen te doen om

den goeden uitslag te verzekeren en te verhaasten. Er werden diepe

gaten in de zijmuren gemaakt, doch na vijftien meter diep geboord te

hebben, stiet men nog altijd op den ijsmuur. Het was onnoodig den muur

boven ons te onderzoeken, omdat zich daar de ijsbank zelf bevond,

die meer dan vierhonderd meter dik was. Toen liet de kapitein den

bodem onderzoeken; daar scheidden ons maar tien meter ijs van het

water; er moest dus een stuk worden uitgehakt, dat zoo groot was

als de doorsnee van ons vaartuig; er waren dus 6500 kubieke meter

op te ruimen, om daardoor een gat te krijgen, waardoor wij onder het

ijsveld weer in het vaarwater zouden kunnen komen.

Het werk werd onmiddellijk aangevangen en met onvermoeide werkzaamheid

voortgezet. In plaats van om den Nautilus te graven, want dit zou een

zeer moeielijk werk zijn geweest, liet de kapitein een groote geul op

acht meter afstands rondom den Nautilus afbakenen; daarna boorden zijn

manschappen er op verschillende punten te gelijk in. Weldra viel men

met het houweel op deze vaste massa aan, waarvan men spoedig groote

blokken loshakte. Volgens de wetten der zwaartekracht vlogen de

blokken, die minder wogen dan het water, om zoo te zeggen naar het

gewelf, dat daardoor zooveel dikker als de bodem dunner werd. Doch

dit kwam er niet op aan, als de bodem maar slonk.

Na twee uren van onafgebroken arbeid kwam Ned Land afgemat weer

binnen. Zijn makkers en hij werden door anderen vervangen, waartoe

ook Koenraad en ik behoorden. De stuurman van den Nautilus bestierde

onzen arbeid.

Het scheen mij toe dat het water erg koud was, doch ik werd spoedig

warm door het werk. Ik was vrij in mijn bewegingen, hoewel mijn lichaam

een drukking van dertig atmosferen ondervond. Toen ik na twee uren

werkens weer binnen kwam om wat te eten en te rusten, vond ik een

merkbaar verschil tusschen de lucht uit het toestel van Rouquayrol

en de atmosfeer die ons in den Nautilus omringde. Sedert tweemaal

vier en twintig uur was de lucht niet ververscht en de levenskracht

er dus van afgenomen.

Echter hadden wij in twaalf uren tijds maar één meter dikte van het

ijs opgeruimd; als dus het werk op dezelfde wijze werd door-gezet,

dan zouden wij nog vijf nachten en vier dagen hebben noodig gehad om

te eindigen.

"Vijf nachten en vier dagen!" zei ik tot mijn makkers, "en wij hebben

maar voor twee dagen lucht in onze vergaarbakken."

"Zonder nog te rekenen, dat, als wij uit die vervloekte gevangenis

verlost zijn," zei Ned, "wij dan nog onder de ijsbank zitten en geen

gemeenschap hebben met de buitenlucht."

Die opmerking was juist, want wie kon berekenen hoeveel tijd wij op

zijn minst noodig hadden voor onze bevrijding? Zouden wij niet gestikt

zijn voordat de Nautilus weer de oppervlakte kon bereiken? Was het

vaartuig bestemd in dit ijsgraf te verdwijnen met allen die er in

waren? Onze toestand scheen verschrikkelijk. Maar ieder onzer staarde

die toekomst moedig tegen, en allen waren vast besloten om ten einde

toe hun plicht te doen.

Zooals ik dacht, was er gedurende den nacht weer een meter dikte van

het ijs afgehakt. Doch toen ik den volgenden morgen met mijn scaphander

aan, onder een temperatuur van zes tot zeven graden onder nul door het

zeewater liep, zag ik dat de zijmuren ons langzamerhand naderden. Het

water, dat op eenigen afstand niet verwarmd werd door onzen arbeid

en door de beweging, begon langzamerhand te stollen. Wat beteekenden

tegenover dit nieuw en dreigend gevaar onze kansen op behoud, en hoe

zouden wij deze ijsvorming kunnen tegengaan, die de Nautilus als een

stuk glas uit elkander zou doen springen?

Ik deelde mijn makkers dit nieuw gevaar niet mede. Waarom behoefde ik

de geestkracht uit te dooven, die zij voor hun reddingswerk zoozeer

noodig hadden? Doch toen ik weer aan boord kwam, deelde ik den kapitein

deze omstandigheden mede.

"Ik weet het," antwoordde hij op dien kalmen toon, die de vreeselijkste

omstandigheden niet konden doen veranderen. "Het is een gevaar te

meer, maar ik zie geen middel om het te verhoeden. Onze eenige kans

op behoud is sneller te werken dan de vorst; het is er om te doen de

eersten te zijn; dat is alles!"

De eersten te zijn! Ik had mij toch reeds moeten gewennen aan die

wijzen van spreken!

Dien dag werkte ik verscheiden uren, zoo hard ik kon. Dit werken gaf

mij moed. Bovendien, met werken kon ik den Nautilus en die bedorven

atmosfeer van ons vaartuig verlaten, en dus wat zuivere lucht inademen.

Tegen den avond was de groeve nog een meter dieper gemaakt. Toen

ik weer aan boord kwam, stikte ik bijna door het koolzuur waarmee

de atmosfeer daar binnen verzadigd was. O, waarom hadden wij geen

scheikundige middelen om dit gas te verdrijven! Aan zuurstof hadden

wij geen gebrek, het water bevatte een groote hoeveelheid, en als

wij dit door onzen toestand wisten te ontbinden, zou het ons door de

zuurstof nieuwe levenskracht hebben geschonken! Ik dacht er wel aan,

doch waartoe zou het gediend hebben, daar het koolzuur in alle deelen

van ons vaartuig was doorgedrongen. Om het koolzuur weg te nemen,

hadden wij groote vazen met bijtende potasch moeten vullen en die

aanhoudend schudden; en juist deze stof ontbrak aan boord.

Dien avond moest de kapitein de kranen van zijn luchtvergaderbakken

openen, om zoodoende de atmosfeer in den Nautilus eenigszins te

ververschen. Zonder die voorzorg zouden wij den volgenden morgen niet

zijn opgestaan.

Den volgenden morgen, 26 Maart, begon ik weer te werken. Wij waren

aan den vijfden meter bezig. De zij- en bovenmuren van de ijsbank

naderden ons van oogenblik tot oogenblik. Het was duidelijk dat zij ons

zouden insluiten voordat de Nautilus los was. Ik werd éen oogenblik

wanhopend; het houweel viel mij bijna uit de handen. Waarom behoefde

ik nog te hakken, als ik toch moest stikken in het water dat tot ijs

stolde; het was een straf, die de grootste wreedaard niet zou hebben

uitgedacht. Ik dacht dat ik tusschen de vreeselijke kaken van een

monster zat, die onweerstaanbaar tot elkander naderden.

Op dat oogenblik kwam de kapitein, die het werk bestierde, doch zelf

ook meewerkte, langs mij heen; ik stiet hem aan den arm en wees hem

op de muren onzer gevangenis. Aan stuurboordzijde was de muur tot

op vier meter van den Nautilus genaderd. "Wij gingen naar binnen en

trokken onze scaphanders uit, waarna ik met hem in den salon ging.

"Mijnheer Aronnax," zei hij, "wij moeten iets groots wagen of wij

zullen in dit water evenals in cement worden vastgemetseld."

"Ja," antwoordde ik, "maar wat dan?"

"O," riep hij uit, "als mijn Nautilus aan die drukking weerstand kon

bieden zonder verpletterd worden!"

"Welnu?" vroeg ik, daar ik hem niet begreep.

"Begrijpt gij niet dat die vorst ons dan te hulp zou komen? Ziet

gij niet, dat zij dan die ijsbank, die ons ingesloten houdt,

zou doen vaneenspringen, evenals het ijs de hardste steenen doet

splijten? Gevoelt gij niet dat die vorst dan ons reddingsmiddel zijn

zou, in plaats van ons te verdelgen?"

"Ja, kapitein, misschien; maar welke groote kracht de Nautilus ook

bezit, zoo zou hij toch aan die verbazende drukking geen weerstand

kunnen bieden, en geheel platgedrukt worden."

"Ik weet het, mijnheer. Wij moeten derhalve niet rekenen op de hulp

der natuur, maar op ons zelven. Wij moeten dat invriezen beletten;

niet alléen naderen ons de zijmuren, doch vóor en achter ons hebben wij

niet veel meer dan tien voet water. Aan alle kanten vriezen wij in."

"Hoe lang kunnen wij met behulp van de luchtvergaarbakken nog

ademhalen?" vroeg ik.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 19 / 27 题