HOOFDSTUK XXXIX

Ongeluk of toeval.

Den volgenden dag, 22 Maart, maakte men zich te zes uur des morgens

reeds tot het vertrek gereed. De laatste schemering verdween; het was

scherp koud; de sterren flikkerden zeer helder; boven ons schitterde

het wonderschoone Zuiderkruis, de poolster der zuiderstreken.

De thermometer stond op twaalf graden onder nul, en als de wind wat

aanwakkerde, sneed deze ons het gezicht bijna stuk. De zee scheen

overal te zullen dichtvriezen. Tallooze zwarte plekken toonden

reeds de vorming van het jonge ijs; de zee zou dus gedurende de

zes wintermaanden waarschijnlijk geheel ontoegankelijk zijn. Waar

bleven de walvisschen in dien tijd? Zonder twijfel zochten zij,

onder de ijsbank door, een open zee. De zeekalven en walrussen,

die beter tegen het ruwe klimaat konden, bleven in deze bevroren

streken. Deze dieren graven, door instinct gedreven, gaten in het

ijs en weten die open te houden. Door die gaten kunnen zij ademhalen,

en als dan de vogels ook voor de koude vluchten, dan zijn deze dieren

de eenige bewoners dezer poolstreken.

De vergaarbakken waren vol water en de Nautilus zonk langzamerhand naar

beneden. Op een diepte van 350 meter hield hij stil; de schroef begon

te werken, en wij stevenden met een snelheid van vijftien kilometer

in het uur naar het noorden. Tegen den avond dreven wij reeds onder

de onmetelijke ijsbank. Uit voorzichtigheid waren de ramen van den

salon gesloten, want de Nautilus kon wel eens tegen een drijvend

ijsblok stooten; ik bracht dien dag dus door met mijn aanteekeningen

in het net te schrijven. Mijn geest was nog vervuld van de wonderen

der Pool; zonder moeite of gevaar hadden wij dit ontoegankelijk punt

bereikt, alsof wij er over een effen spoorbaan waren heengereden. En

nu keerden wij inderdaad terug. Moest ik mij nogmaals op dergelijke

verrassingen voorbereiden? Ik dacht het wel, want het aantal der

onderzeesche wonderen is niet te tellen. Sedert vijf en een halve

maand, dat wij aan boord waren, hadden wij 14000 kilometer afgelegd

en hoeveel zonderlings, wonderbaarlijks of vreeselijks had die

reis reeds niet opgeleverd; de jacht in de bosschen van Crespo, de

stranding in de Torresstraat, het koralen kerkhof, de parelvisscherij

bij Ceylon, de Arabische tunnel, de vulkanische verschijnselen van

Santorino, de schatten in de baai van Vigo, het verdwenen Atlantis,

de Zuidpool! Dien nacht stonden mij al die zaken telkens in mijn

droomen weer voor den geest.

Om drie uur in den morgen werd ik wakker door een hevigen schok. Ik

ging in mijn bed overeind zitten en luisterde, toen ik plotseling

midden in de kamer werd geworpen. De Nautilus had dus gestooten en

hing blijkbaar geheel op zijde. Te midden van de grootste duisternis

tastte ik langs den wand en kroop door de gangen naar den salon,

die verlicht was. De meubels waren omver geworpen. Gelukkig stonden

de glazen kasten met kostbaarheden overeind, omdat zij op den vloer

waren vastgeschroefd. De schilderijen aan stuurboord hingen pal

tegen den wand, die aan bakboord waren er bijna een halven meter van

verwijderd. De Nautilus helde dus naar stuurboordzijde over en lag

geheel onbeweeglijk.

Ik hoorde voetstappen en het geluid van stemmen, doch de kapitein

verscheen niet. Op het oogenblik dat ik den salon, wilde verlaten,

kwamen Ned Land en Koenraad binnen.

"Wat is er gaande?" vroeg ik aanstonds.

"Dat kom ik mijnheer vragen," antwoordde Koenraad.

"Duizend duivels!" bromde de Amerikaan, "ik weet het wel. De Nautilus

is gestrand en nu geloof ik niet, dat de kast zich er uit zal redden,

zooals de eerste keer in de Torresstraat."

"Maar wij zijn ten minste aan de oppervlakte der zee?" vroeg ik.

"Dat weten wij niet," antwoordde Koenraad.

"Dat kunnen wij gemakkelijk zien," en naar den manometer gaande, zag ik

tot mijn groote verbazing, dat wij op een diepte van 360 meter lagen.

"Wat beteekent dat?" riep ik uit.

"Dat moet den kapitein gevraagd worden," zei Koenraad.

"Waar is hij te vinden?" vroeg Ned Land.

"Volgt mij," zei ik tot mijn beide makkers.

Wij verlieten den salon; in de bibliotheek was niemand. Ik dacht,

dat de kapitein misschien bij den stuurman was; het beste was dus

hem te wachten, waarom wij alle drie naar den salon teruggingen.

Ik ga de verwenschingen van Ned Land met stilzwijgen voorbij; hij kon

zich naar hartelust opwinden; ik liet hem uitrazen zonder hem in de

rede te vallen. Wij wachtten zoo wat twintig minuten en luisterden

naar elk gerucht, toen de kapitein binnen kwam; hij scheen ons niet

te zien. Zijn gelaat, dat gewoonlijk zoo kalm was, drukte nu eenige

ongerustheid uit. Hij bekeek langzaam het kompas, den manometer,

en wees met den vinger op een punt der wereldkaart, daar waar de

zuidelijke poolzee zich bevond.

Ik wilde hem niet storen; toen hij zich echter na eenige oogenblikken

naar mij toekeerde, vroeg ik hem het tegenovergestelde van mijn vraag

in de Torresstraat.

"Een toeval, kapitein?"

"Neen, mijnheer ditmaal is het een ongeluk."

"Ernstig?"

"Misschien."

"Is er oogenblikkelijk gevaar?"

"Neen."

"Heeft de Nautilus gestooten?"

"Ja."

"En hoe kwam dit?"

"Door een speling der natuur, niet door menschelijke onbekwaamheid. Er

is bij onze vaart geen enkele fout begaan. Doch men kan de wetten van

het evenwicht niet tegengaan, men kan zich wel tegen de menschelijke

wetten, maar niet tegen die van de natuur verzetten."

Het oogenblik was zonderling gekozen om zich aan wijsgeerige

bespiegelingen over te geven; het antwoord verklaarde mij bovendien

niets.

"Mag ik ook weten, kapitein, waardoor dit ongeluk veroorzaakt

wordt?" vroeg ik.

"Een ontzaglijk ijsblok, een heele ijsberg heeft zich

omgekeerd. Wanneer de ijsbergen van onder door het water of door

herhaalde schokken worden ondermijnd, dan rijst hun zwaartepunt en

kunnen zij omkantelen: dit is nu gebeurd. Een van die ijsgevaarten

heeft bij zijn kanteling tegen den Nautilus gestooten, is daarna

langs liet vaartuig heen gegleden, doch heeft, toen het na den val

weer begon te rijzen, het schip met onweerstaanbare kracht naar boven

geduwd; wij zitten nog eenigermate vast en liggen daarom op zijde."

"Kan dan de Nautilus niet loskomen, als de vergaarbakken leeg worden

gepompt?"

"Dat gebeurt op dit oogenblik, mijnheer: gij kunt de pompen hooren

werken, kijk maar eens naar den wijzer van den manometer; die wijst

aan, dat de Nautilus rijst; maar de ijsberg rijst met ons, en als

niets die rijzing tegenhoudt, zal onze stand niet veranderen."

De Nautilus helde altijd nog naar stuurboordzijde over; hij zou eerst

recht gaan liggen als de ijsbank stuitte. Doch wie weet of wij dan de

onderzijde van de ijsbank niet zouden bereiken en tusschen de beide

ijsmassaas verpletterd worden?

Ik dacht over onzen toestand na; de kapitein keek enkel naar den

manometer. De Nautilus was nu ongeveer vijftig meter gerezen, maar hij

lag nog altijd op zijde. Plotseling voelden wij een lichte beweging

in het vaartuig; het richtte zich dus een weinig op; laagzamerhand

namen de schilderijen in den salon den vorigen stand weer in, en

stonden de wanden weer bijna loodrecht; niemand van ons sprak een

woord; met kloppend hart voelden wij ons oprichten; de vloer lag weer

horizontaal onder onze voeten: tien minuten gingen zoo voorbij.

"Eindelijk liggen wij recht!" riep ik.

"Jawel!" zei de kapitein, terwijl hij naar de deur ging.

"Zullen wij weer voort kunnen varen?"

"Zeker," antwoordde hij, "omdat de waterbakken nog niet ledig zijn;

als ze dat waren, moest de Nautilus naar de oppervlakte stijgen."

De kapitein ging heen, en ik bemerkte weldra dat men de stijgende

beweging van den Nautilus op zijn bevel had doen ophouden. Hij zou

ook weldra tegen den onderkant van de ijsbank zijn aangestooten en

het was beter om het vaartuig vrij te laten drijven.

"Dat zijn wij mooi ontkomen!" zei Koenraad.

"Ja zeker; wij konden tusschen die ijsblokken verpletterd of ten

minste vastgekneld zijn, en dan zonder versche lucht!"

"Ja, ja, wij zijn er best afgekomen!"

"Als het gedaan is!" mompelde Ned Land.

Ik wilde met den Amerikaan niet gaan twisten en antwoordde derhalve

niet. Bovendien openden zich op dit oogenblik de zijwanden, en viel

het electrisch licht naar binnen. Wij waren in het ruime sop, maar

op tien meter afstand verhief zich aan elke zij van den Nautilus

een schitterende ijsmuur; dit was boven en onder ons evenzeer

het geval. Boven ons, want de onderzijde der ijsbank vormde een

reuzengewelf; onder ons, omdat de losgeraakte ijsberg bij zijn

rijzen gestuit was tegen een paar naar beneden uitstekende wanden,

en dus een vasten stand had ingenomen. De Nautilus bewoog zich nu in

een tunnel van ijs; het was gemakkelijk om er uit te komen, hetzij

het vaartuig voor- of achteruit ging, om dan later weer in eenige

honderden meters dieper vaarwater den vrijen tocht onder de ijsbank

door voort te zetten.

Het licht in het plafond was uit en toch was de salon schitterend

verlicht; dit kwam omdat de ijswanden het licht van de lantaarn

krachtig terugkaatsten. Ik zou geen woorden kunnen vinden om

de prachtige uitwerking der lichtstralen op die grillig gevormde

ijsblokken te beschrijven; elke hoek, elke spleet, elk kristal wierp

een ander schijnsel van zich, dat verschilde naarmate er gekleurde

aderen door het ijs liepen. Het was een mijn van de schitterendste

edelgesteenten; vooral waren het de blauwe lichtstralen van de saffier,

die zich aan het groen der smaragden paarden. Hier en daar was het

alsof er diamanten tusschen waren gestrooid, zoodat het oog den glans

ternauwernood kon verdragen. Het licht van de lantaarn werd honderd

malen versterkt, evenals het licht eener lamp door allerlei lenzen

in een vuurtoren.

"Wat is dat schoon!" riep Koenraad.

"Ja," zei ik, "het is een prachtig schouwspel; dunkt je ook niet, Ned?"

"Ja, voor den drommel!" antwoordde Ned Land. "Het is prachtig, maar

ik ben woedend dat ik het bekennen moet. Zoo iets heb ik van mijn

leven niet gezien; maar dat moois kan ons duur te staan komen, want

ik geloof dat wij nu dingen zien, die God voor het oog der menschen

heeft willen verbergen!"

Ned had gelijk; het was al te prachtig. Plotseling keerde ik mij om

op een kreet van Koenraad.

"Wat is er?" vroeg ik.

"Mijnheer moet zijn oogen dicht doen en niet kijken!" Koen hield zelf

de handen voor de oogen.

"Maar wat is er dan?"

"Ik ben blind!" riep hij.

Ik keek onwillekeurig naar het raam, maar kon mijn oogen niet naar die

zijde gericht houden. Ik begreep wat het was: de Nautilus had zich

met groote snelheid in beweging gezet; alle schitterende kristallen

der ijsmuren waren daardoor voor het oog vurige strepen geworden, de

schittering dezer millioenen diamanten smolt tot één vuur te zamen. De

Nautilus voer daardoor als het ware in een zee van vuur. De wanden

van den salon werden daarop dichtgeschoven; wij hielden de handen

voor de oogen, omdat ons netvlies aangedaan was alsof wij in het al

te felle zonlicht hadden zitten staren; er was eenige tijd noodig

voordat onze oogen aan de duisternis gewend waren. Eindelijk namen

wij de handen voor de oogen weg.

"Zoo iets had ik nooit kunnen gelooven," zei Koenraad.

"En ik geloof het nog niet," antwoordde de Amerikaan.

"Als wij weer aan land komen," voegde Koenraad er bij, "zullen

wij verzadigd zijn van al die wonderen: maar wat zullen wij dan

wel denken van die ellendige landjes en al dat nietige werk van

menschenhanden! Neen, de bewoonde aarde is onzer niet meer waardig."

Die woorden, in den mond van een kalmen Vlaming, bewezen genoegzaam

in welke mate zijn opgewondenheid gestegen was.

Maar de Amerikaan koelde hem wat af door te zeggen:

"De bewoonde aarde!" en schudde het hoofd. "Wees maar bedaard, vriend

Koen, die zullen wij niet weerzien!"

Het was toen vijf uur in den morgen. Op dat oogenblik stiet de

voorsteven van den Nautilus. Ik begreep dat de ijzeren spoor tegen

een ijsblok had gestooten. Misschien was het een klein toeval, want

die onderzeesche tunnel, hier en daar door ijsblokken verstopt,

moest niet gemakkelijk te bevaren zijn. Ik dacht dus dat kapitein

Nemo zijn tocht zou wijzigen en de hinderpalen te boven komen, of al

de kronkelingen van den tunnel zou volgen. In allen gevalle kon onze

tocht voorwaarts niet geheel en al verhinderd worden; doch tegen mijn

verwachting begon de Nautilus achteruit te loopen.

"Wij gaan terug!" riep Koenraad.

"Ja," antwoordde ik, "de tunnel schijnt aan die zijde geen opening

te hebben."

"En dan?"

"Dan is onze beweging gemakkelijk te verklaren. Wij gaan achteruit

en zullen er door de zuidelijke opening uitkomen. Dat is alles."

Toen ik zoo sprak, wilde ik kalmer schijnen dan ik het inderdaad

was. Echter ging de Nautilus hoe langer hoe sneller achterwaarts en

sleepte ons in razende vaart mee.

"Dat is een oponthoud," zei ik.

"Wat komen er eenige uren op aan, als wij er maar uitkomen!"

Ik liep gedurende eenige oogenblikken van den salon naar de bibliotheek

heen en weer; mijn makkers zaten zwijgend te peinzen; ik viel op een

rustbank neer en nam een boek in de hand, waar ik slechts werktuiglijk

een oog in wierp.

Een kwartier daarna naderde Koenraad mij en zei:

"Leest mijnheer daar een belangwekkend boek?"

"Zeer belangwekkend," antwoordde ik.

"Dat geloof ik wel, het is mijnheers eigen boek," zei hij lachend.

"Mijn boek?"

Waarlijk, ik had mijn werk over de groote diepten der zee in handen. Ik

had dit zelf niet gezien. Ik sloeg het boek dicht, en hervatte mijn

wandeling. Ned en Koen wilden weggaan.

"Blijft hier, vrienden," zei ik, terwijl ik hen tegenhield. "Wij

moeten bij elkander blijven totdat wij uit den tunnel zijn."

"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad.

Er verliepen eenige uren. Ik zag dikwijls naar de instrumenten die aan

den wand hingen. De manometer wees aan dat de Nautilus voortdurend op

een diepte van 300 meter bleef; het kompas dat hij steeds zuidwaarts

voer; de log, dat hij met een snelheid van twintig kilometer in

het uur achteruitging, een snelheid, die in zulk een nauw vaarwater

buitensporig was. Maar kapitein Nemo wist, dat hij zich niet te zeer

kon haasten, en dat minuten voor hem eeuwen waren.

Vijf minuten voor half negen, stootte de Nautilus ten tweeden male,

doch ditmaal van achteren. Ik verbleekte; mijn makkers kwamen dichter

bij mij; ik greep Koenraads hand; wij ondervroegen elkander met de

oogen, en dat op welsprekender wijze dan wij het met woorden hadden

kunnen doen.

Op dat oogenblik kwam de kapitein in den salon, en ik trad op hem toe.

"Is onze weg naar het Zuiden versperd?" vroeg ik.

"Ja, mijnheer; de ijsberg heeft zich omgekeerd en alle uitgangen

gestopt."

"Zijn wij dus ingesloten?"

"Ja."

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 18 / 27 题