Ongeluk of toeval.
Den volgenden dag, 22 Maart, maakte men zich te zes uur des morgens
reeds tot het vertrek gereed. De laatste schemering verdween; het was
scherp koud; de sterren flikkerden zeer helder; boven ons schitterde
het wonderschoone Zuiderkruis, de poolster der zuiderstreken.
De thermometer stond op twaalf graden onder nul, en als de wind wat
aanwakkerde, sneed deze ons het gezicht bijna stuk. De zee scheen
overal te zullen dichtvriezen. Tallooze zwarte plekken toonden
reeds de vorming van het jonge ijs; de zee zou dus gedurende de
zes wintermaanden waarschijnlijk geheel ontoegankelijk zijn. Waar
bleven de walvisschen in dien tijd? Zonder twijfel zochten zij,
onder de ijsbank door, een open zee. De zeekalven en walrussen,
die beter tegen het ruwe klimaat konden, bleven in deze bevroren
streken. Deze dieren graven, door instinct gedreven, gaten in het
ijs en weten die open te houden. Door die gaten kunnen zij ademhalen,
en als dan de vogels ook voor de koude vluchten, dan zijn deze dieren
de eenige bewoners dezer poolstreken.
De vergaarbakken waren vol water en de Nautilus zonk langzamerhand naar
beneden. Op een diepte van 350 meter hield hij stil; de schroef begon
te werken, en wij stevenden met een snelheid van vijftien kilometer
in het uur naar het noorden. Tegen den avond dreven wij reeds onder
de onmetelijke ijsbank. Uit voorzichtigheid waren de ramen van den
salon gesloten, want de Nautilus kon wel eens tegen een drijvend
ijsblok stooten; ik bracht dien dag dus door met mijn aanteekeningen
in het net te schrijven. Mijn geest was nog vervuld van de wonderen
der Pool; zonder moeite of gevaar hadden wij dit ontoegankelijk punt
bereikt, alsof wij er over een effen spoorbaan waren heengereden. En
nu keerden wij inderdaad terug. Moest ik mij nogmaals op dergelijke
verrassingen voorbereiden? Ik dacht het wel, want het aantal der
onderzeesche wonderen is niet te tellen. Sedert vijf en een halve
maand, dat wij aan boord waren, hadden wij 14000 kilometer afgelegd
en hoeveel zonderlings, wonderbaarlijks of vreeselijks had die
reis reeds niet opgeleverd; de jacht in de bosschen van Crespo, de
stranding in de Torresstraat, het koralen kerkhof, de parelvisscherij
bij Ceylon, de Arabische tunnel, de vulkanische verschijnselen van
Santorino, de schatten in de baai van Vigo, het verdwenen Atlantis,
de Zuidpool! Dien nacht stonden mij al die zaken telkens in mijn
droomen weer voor den geest.
Om drie uur in den morgen werd ik wakker door een hevigen schok. Ik
ging in mijn bed overeind zitten en luisterde, toen ik plotseling
midden in de kamer werd geworpen. De Nautilus had dus gestooten en
hing blijkbaar geheel op zijde. Te midden van de grootste duisternis
tastte ik langs den wand en kroop door de gangen naar den salon,
die verlicht was. De meubels waren omver geworpen. Gelukkig stonden
de glazen kasten met kostbaarheden overeind, omdat zij op den vloer
waren vastgeschroefd. De schilderijen aan stuurboord hingen pal
tegen den wand, die aan bakboord waren er bijna een halven meter van
verwijderd. De Nautilus helde dus naar stuurboordzijde over en lag
geheel onbeweeglijk.
Ik hoorde voetstappen en het geluid van stemmen, doch de kapitein
verscheen niet. Op het oogenblik dat ik den salon, wilde verlaten,
kwamen Ned Land en Koenraad binnen.
"Wat is er gaande?" vroeg ik aanstonds.
"Dat kom ik mijnheer vragen," antwoordde Koenraad.
"Duizend duivels!" bromde de Amerikaan, "ik weet het wel. De Nautilus
is gestrand en nu geloof ik niet, dat de kast zich er uit zal redden,
zooals de eerste keer in de Torresstraat."
"Maar wij zijn ten minste aan de oppervlakte der zee?" vroeg ik.
"Dat weten wij niet," antwoordde Koenraad.
"Dat kunnen wij gemakkelijk zien," en naar den manometer gaande, zag ik
tot mijn groote verbazing, dat wij op een diepte van 360 meter lagen.
"Wat beteekent dat?" riep ik uit.
"Dat moet den kapitein gevraagd worden," zei Koenraad.
"Waar is hij te vinden?" vroeg Ned Land.
"Volgt mij," zei ik tot mijn beide makkers.
Wij verlieten den salon; in de bibliotheek was niemand. Ik dacht,
dat de kapitein misschien bij den stuurman was; het beste was dus
hem te wachten, waarom wij alle drie naar den salon teruggingen.
Ik ga de verwenschingen van Ned Land met stilzwijgen voorbij; hij kon
zich naar hartelust opwinden; ik liet hem uitrazen zonder hem in de
rede te vallen. Wij wachtten zoo wat twintig minuten en luisterden
naar elk gerucht, toen de kapitein binnen kwam; hij scheen ons niet
te zien. Zijn gelaat, dat gewoonlijk zoo kalm was, drukte nu eenige
ongerustheid uit. Hij bekeek langzaam het kompas, den manometer,
en wees met den vinger op een punt der wereldkaart, daar waar de
zuidelijke poolzee zich bevond.
Ik wilde hem niet storen; toen hij zich echter na eenige oogenblikken
naar mij toekeerde, vroeg ik hem het tegenovergestelde van mijn vraag
in de Torresstraat.
"Een toeval, kapitein?"
"Neen, mijnheer ditmaal is het een ongeluk."
"Ernstig?"
"Misschien."
"Is er oogenblikkelijk gevaar?"
"Neen."
"Heeft de Nautilus gestooten?"
"Ja."
"En hoe kwam dit?"
"Door een speling der natuur, niet door menschelijke onbekwaamheid. Er
is bij onze vaart geen enkele fout begaan. Doch men kan de wetten van
het evenwicht niet tegengaan, men kan zich wel tegen de menschelijke
wetten, maar niet tegen die van de natuur verzetten."
Het oogenblik was zonderling gekozen om zich aan wijsgeerige
bespiegelingen over te geven; het antwoord verklaarde mij bovendien
niets.
"Mag ik ook weten, kapitein, waardoor dit ongeluk veroorzaakt
wordt?" vroeg ik.
"Een ontzaglijk ijsblok, een heele ijsberg heeft zich
omgekeerd. Wanneer de ijsbergen van onder door het water of door
herhaalde schokken worden ondermijnd, dan rijst hun zwaartepunt en
kunnen zij omkantelen: dit is nu gebeurd. Een van die ijsgevaarten
heeft bij zijn kanteling tegen den Nautilus gestooten, is daarna
langs liet vaartuig heen gegleden, doch heeft, toen het na den val
weer begon te rijzen, het schip met onweerstaanbare kracht naar boven
geduwd; wij zitten nog eenigermate vast en liggen daarom op zijde."
"Kan dan de Nautilus niet loskomen, als de vergaarbakken leeg worden
gepompt?"
"Dat gebeurt op dit oogenblik, mijnheer: gij kunt de pompen hooren
werken, kijk maar eens naar den wijzer van den manometer; die wijst
aan, dat de Nautilus rijst; maar de ijsberg rijst met ons, en als
niets die rijzing tegenhoudt, zal onze stand niet veranderen."
De Nautilus helde altijd nog naar stuurboordzijde over; hij zou eerst
recht gaan liggen als de ijsbank stuitte. Doch wie weet of wij dan de
onderzijde van de ijsbank niet zouden bereiken en tusschen de beide
ijsmassaas verpletterd worden?
Ik dacht over onzen toestand na; de kapitein keek enkel naar den
manometer. De Nautilus was nu ongeveer vijftig meter gerezen, maar hij
lag nog altijd op zijde. Plotseling voelden wij een lichte beweging
in het vaartuig; het richtte zich dus een weinig op; laagzamerhand
namen de schilderijen in den salon den vorigen stand weer in, en
stonden de wanden weer bijna loodrecht; niemand van ons sprak een
woord; met kloppend hart voelden wij ons oprichten; de vloer lag weer
horizontaal onder onze voeten: tien minuten gingen zoo voorbij.
"Eindelijk liggen wij recht!" riep ik.
"Jawel!" zei de kapitein, terwijl hij naar de deur ging.
"Zullen wij weer voort kunnen varen?"
"Zeker," antwoordde hij, "omdat de waterbakken nog niet ledig zijn;
als ze dat waren, moest de Nautilus naar de oppervlakte stijgen."
De kapitein ging heen, en ik bemerkte weldra dat men de stijgende
beweging van den Nautilus op zijn bevel had doen ophouden. Hij zou
ook weldra tegen den onderkant van de ijsbank zijn aangestooten en
het was beter om het vaartuig vrij te laten drijven.
"Dat zijn wij mooi ontkomen!" zei Koenraad.
"Ja zeker; wij konden tusschen die ijsblokken verpletterd of ten
minste vastgekneld zijn, en dan zonder versche lucht!"
"Ja, ja, wij zijn er best afgekomen!"
"Als het gedaan is!" mompelde Ned Land.
Ik wilde met den Amerikaan niet gaan twisten en antwoordde derhalve
niet. Bovendien openden zich op dit oogenblik de zijwanden, en viel
het electrisch licht naar binnen. Wij waren in het ruime sop, maar
op tien meter afstand verhief zich aan elke zij van den Nautilus
een schitterende ijsmuur; dit was boven en onder ons evenzeer
het geval. Boven ons, want de onderzijde der ijsbank vormde een
reuzengewelf; onder ons, omdat de losgeraakte ijsberg bij zijn
rijzen gestuit was tegen een paar naar beneden uitstekende wanden,
en dus een vasten stand had ingenomen. De Nautilus bewoog zich nu in
een tunnel van ijs; het was gemakkelijk om er uit te komen, hetzij
het vaartuig voor- of achteruit ging, om dan later weer in eenige
honderden meters dieper vaarwater den vrijen tocht onder de ijsbank
door voort te zetten.
Het licht in het plafond was uit en toch was de salon schitterend
verlicht; dit kwam omdat de ijswanden het licht van de lantaarn
krachtig terugkaatsten. Ik zou geen woorden kunnen vinden om
de prachtige uitwerking der lichtstralen op die grillig gevormde
ijsblokken te beschrijven; elke hoek, elke spleet, elk kristal wierp
een ander schijnsel van zich, dat verschilde naarmate er gekleurde
aderen door het ijs liepen. Het was een mijn van de schitterendste
edelgesteenten; vooral waren het de blauwe lichtstralen van de saffier,
die zich aan het groen der smaragden paarden. Hier en daar was het
alsof er diamanten tusschen waren gestrooid, zoodat het oog den glans
ternauwernood kon verdragen. Het licht van de lantaarn werd honderd
malen versterkt, evenals het licht eener lamp door allerlei lenzen
in een vuurtoren.
"Wat is dat schoon!" riep Koenraad.
"Ja," zei ik, "het is een prachtig schouwspel; dunkt je ook niet, Ned?"
"Ja, voor den drommel!" antwoordde Ned Land. "Het is prachtig, maar
ik ben woedend dat ik het bekennen moet. Zoo iets heb ik van mijn
leven niet gezien; maar dat moois kan ons duur te staan komen, want
ik geloof dat wij nu dingen zien, die God voor het oog der menschen
heeft willen verbergen!"
Ned had gelijk; het was al te prachtig. Plotseling keerde ik mij om
op een kreet van Koenraad.
"Wat is er?" vroeg ik.
"Mijnheer moet zijn oogen dicht doen en niet kijken!" Koen hield zelf
de handen voor de oogen.
"Maar wat is er dan?"
"Ik ben blind!" riep hij.
Ik keek onwillekeurig naar het raam, maar kon mijn oogen niet naar die
zijde gericht houden. Ik begreep wat het was: de Nautilus had zich
met groote snelheid in beweging gezet; alle schitterende kristallen
der ijsmuren waren daardoor voor het oog vurige strepen geworden, de
schittering dezer millioenen diamanten smolt tot één vuur te zamen. De
Nautilus voer daardoor als het ware in een zee van vuur. De wanden
van den salon werden daarop dichtgeschoven; wij hielden de handen
voor de oogen, omdat ons netvlies aangedaan was alsof wij in het al
te felle zonlicht hadden zitten staren; er was eenige tijd noodig
voordat onze oogen aan de duisternis gewend waren. Eindelijk namen
wij de handen voor de oogen weg.
"Zoo iets had ik nooit kunnen gelooven," zei Koenraad.
"En ik geloof het nog niet," antwoordde de Amerikaan.
"Als wij weer aan land komen," voegde Koenraad er bij, "zullen
wij verzadigd zijn van al die wonderen: maar wat zullen wij dan
wel denken van die ellendige landjes en al dat nietige werk van
menschenhanden! Neen, de bewoonde aarde is onzer niet meer waardig."
Die woorden, in den mond van een kalmen Vlaming, bewezen genoegzaam
in welke mate zijn opgewondenheid gestegen was.
Maar de Amerikaan koelde hem wat af door te zeggen:
"De bewoonde aarde!" en schudde het hoofd. "Wees maar bedaard, vriend
Koen, die zullen wij niet weerzien!"
Het was toen vijf uur in den morgen. Op dat oogenblik stiet de
voorsteven van den Nautilus. Ik begreep dat de ijzeren spoor tegen
een ijsblok had gestooten. Misschien was het een klein toeval, want
die onderzeesche tunnel, hier en daar door ijsblokken verstopt,
moest niet gemakkelijk te bevaren zijn. Ik dacht dus dat kapitein
Nemo zijn tocht zou wijzigen en de hinderpalen te boven komen, of al
de kronkelingen van den tunnel zou volgen. In allen gevalle kon onze
tocht voorwaarts niet geheel en al verhinderd worden; doch tegen mijn
verwachting begon de Nautilus achteruit te loopen.
"Wij gaan terug!" riep Koenraad.
"Ja," antwoordde ik, "de tunnel schijnt aan die zijde geen opening
te hebben."
"En dan?"
"Dan is onze beweging gemakkelijk te verklaren. Wij gaan achteruit
en zullen er door de zuidelijke opening uitkomen. Dat is alles."
Toen ik zoo sprak, wilde ik kalmer schijnen dan ik het inderdaad
was. Echter ging de Nautilus hoe langer hoe sneller achterwaarts en
sleepte ons in razende vaart mee.
"Dat is een oponthoud," zei ik.
"Wat komen er eenige uren op aan, als wij er maar uitkomen!"
Ik liep gedurende eenige oogenblikken van den salon naar de bibliotheek
heen en weer; mijn makkers zaten zwijgend te peinzen; ik viel op een
rustbank neer en nam een boek in de hand, waar ik slechts werktuiglijk
een oog in wierp.
Een kwartier daarna naderde Koenraad mij en zei:
"Leest mijnheer daar een belangwekkend boek?"
"Zeer belangwekkend," antwoordde ik.
"Dat geloof ik wel, het is mijnheers eigen boek," zei hij lachend.
"Mijn boek?"
Waarlijk, ik had mijn werk over de groote diepten der zee in handen. Ik
had dit zelf niet gezien. Ik sloeg het boek dicht, en hervatte mijn
wandeling. Ned en Koen wilden weggaan.
"Blijft hier, vrienden," zei ik, terwijl ik hen tegenhield. "Wij
moeten bij elkander blijven totdat wij uit den tunnel zijn."
"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad.
Er verliepen eenige uren. Ik zag dikwijls naar de instrumenten die aan
den wand hingen. De manometer wees aan dat de Nautilus voortdurend op
een diepte van 300 meter bleef; het kompas dat hij steeds zuidwaarts
voer; de log, dat hij met een snelheid van twintig kilometer in
het uur achteruitging, een snelheid, die in zulk een nauw vaarwater
buitensporig was. Maar kapitein Nemo wist, dat hij zich niet te zeer
kon haasten, en dat minuten voor hem eeuwen waren.
Vijf minuten voor half negen, stootte de Nautilus ten tweeden male,
doch ditmaal van achteren. Ik verbleekte; mijn makkers kwamen dichter
bij mij; ik greep Koenraads hand; wij ondervroegen elkander met de
oogen, en dat op welsprekender wijze dan wij het met woorden hadden
kunnen doen.
Op dat oogenblik kwam de kapitein in den salon, en ik trad op hem toe.
"Is onze weg naar het Zuiden versperd?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer; de ijsberg heeft zich omgekeerd en alle uitgangen
gestopt."
"Zijn wij dus ingesloten?"
"Ja."