IV.

Conclusiën.

Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van

het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die

eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in

den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de

letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te

hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek

verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den

aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe

verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot

kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en

strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer

kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!

Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele

vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich

aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook

die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde,

dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet

aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven,

de vraag _of_ deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te

beschouwen en slechts de _mate_, waarin [p.191] zij het is, nog voor

discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di

Rimini in den _Inferno_. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt,

laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot

elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik

van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de

historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen

het omstormde proletariaat te naderen als een _verademing-brengende

troost._ Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen

zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de

bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en

verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij,

in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den

storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende--en dat is het

jammerlijkste--laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd

alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van

de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene

en klare, die diepe bevrediging, welke _zuiver_ kunstgenot schenkt.--Het

was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré,

die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de

nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist

iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig

kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter

wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van

_nature_ is, in _dezen_ tijd, gelijk in _alle_ tijden.

Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een

ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke

mensch, die niet geheel van _algemeen_ inzicht is ontbloot, het leven en

zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te

dienen op die wijze als _met zijn aanleg het natuurlijkst strookt_. Dan

_dient hij hen ook 't best_. De kunstenaar dus: door zonder bewuste

bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door

[p.192] kunstwerken in hun _essentie_ te doen begrijpen, niets meer. Het

wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook _niet_: de

kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel

van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend

werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle

concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk

alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne

schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur

ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij _dus_ 't

leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het

leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers

caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist

het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover

het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun

werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een

zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine

webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat

veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te

denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen:

niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn

web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in

Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen

dan dat geluk?...

* * * * *

Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar

enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle,

burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan

tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog

kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het

vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der

marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd

uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers

dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na

dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere

goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat

zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst

kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters

druks te vervaardigen over het _bijkomstige_ in een kunstwerk, _het

eenige waar zij bij kunnen_, en dat niets ter zake doet! En daar ligt

een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel.

Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat

deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire

voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar!

Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd

zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is

toch après tout iets van een _voornamen_ geest.... En zij en een

voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan!

Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend.

Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen

_aangetoond_ wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen

iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun

dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote

volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den

kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen,

omdat alleen hij 't is, die _intuïtief_ een kunstwerk doorvoelen kan, en

deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze

kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen

toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer

een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er

zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en

duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop

en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van

voetklemmende en gordelende parasieten, rondom--o heiligschennis!--de

kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de

latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun

voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de

vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen,

tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien

achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.

Aug.--Sept. 1913.

* * * * *

VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE

KRITIEK" [p.195]

Blz. 101 _Mestra_:

Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de _Metamorphosen_ van

Ovidius Naso.

Blz. 123 _There are_:

Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.

Blz. 137 _Then from_:

"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.

Blz. 148 _C'est le pardon_:

Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.

Blz. 149 _Je me suis montré_:

Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag,

wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik

heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig

Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat

zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden,

blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde

oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna

één enkele het wage te zeggen: _Ik was beter dan deze_.

Blz. 149 _à tout prendre_:

Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.

Blz. 156 _L'Année suivante_:

Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn

verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. _Deze

tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden

vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht...._

Blz. 156 _Tandis que je philosophois_:

Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong

een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd

voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk

te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette

ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.

Blz. 157 _D'ailleurs les principes élévés_:

Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen

gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan

ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit

vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou

hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der

verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in

mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd.

_Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably_.

Blz. 159 _Il faut que_:

Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot

ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder

eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig

vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.

Blz. 159 _délire inconcevable_ = onbegrijpelijke razernij.

Blz. 159 _délire_ = razernij, delirium.

Blz. 160 _De tout ce que_:

Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik

geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.

Blz. 161 _Je ne regarde_:

De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste

gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren

leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?

Blz. 161 _Qui sait_: = wie weet.

Blz. 161 _Moi qui ne fit_:

Ik, die nooit iemand kwaad deed....

Blz. 163 _cette horreur du mal_:

... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te

haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die

levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat

deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel--kan dat alles in een

en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig

gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik

voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean

Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder

erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen

vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei

te veel. _Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook

vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen

lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde

dwaling te worden_.

Blz. 164 _petites bonnes gens_ = goede luidjes.

Blz. 164 _grand hommes de nos jours_ = groote mannen onzer dagen.

Blz. 164 _les raisons déterminantes_ = de beslissende redenen.

Blz. 164 _Out of season_ = misplaatst.

Blz. 165 _jeunes gens_ = jonge lieden.

Blz. _16$ Enfants-Trouvés_ = Vondelingenhuis.

Blz. 167 _Si jamais rêve d'un homme eveillé_:

Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch

visioen geleek, dan was het wel deze.

Blz. 167 _et ce qui m'a frappé_:

En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft

getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies

dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 33 / 78 题