Conclusiën.
Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van
het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die
eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in
den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de
letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te
hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek
verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den
aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe
verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot
kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en
strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer
kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!
Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele
vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich
aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook
die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde,
dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet
aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven,
de vraag _of_ deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te
beschouwen en slechts de _mate_, waarin [p.191] zij het is, nog voor
discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di
Rimini in den _Inferno_. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt,
laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot
elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik
van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de
historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen
het omstormde proletariaat te naderen als een _verademing-brengende
troost._ Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen
zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de
bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en
verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij,
in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den
storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende--en dat is het
jammerlijkste--laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd
alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van
de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene
en klare, die diepe bevrediging, welke _zuiver_ kunstgenot schenkt.--Het
was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré,
die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de
nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist
iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig
kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter
wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van
_nature_ is, in _dezen_ tijd, gelijk in _alle_ tijden.
Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een
ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke
mensch, die niet geheel van _algemeen_ inzicht is ontbloot, het leven en
zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te
dienen op die wijze als _met zijn aanleg het natuurlijkst strookt_. Dan
_dient hij hen ook 't best_. De kunstenaar dus: door zonder bewuste
bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door
[p.192] kunstwerken in hun _essentie_ te doen begrijpen, niets meer. Het
wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook _niet_: de
kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel
van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend
werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle
concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk
alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne
schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur
ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij _dus_ 't
leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het
leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers
caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist
het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover
het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun
werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een
zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine
webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat
veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te
denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen:
niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn
web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in
Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen
dan dat geluk?...
* * * * *
Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar
enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle,
burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan
tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog
kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het
vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der
marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd
uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers
dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na
dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere
goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat
zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst
kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters
druks te vervaardigen over het _bijkomstige_ in een kunstwerk, _het
eenige waar zij bij kunnen_, en dat niets ter zake doet! En daar ligt
een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel.
Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat
deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire
voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar!
Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd
zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is
toch après tout iets van een _voornamen_ geest.... En zij en een
voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan!
Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend.
Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen
_aangetoond_ wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen
iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun
dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote
volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den
kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen,
omdat alleen hij 't is, die _intuïtief_ een kunstwerk doorvoelen kan, en
deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze
kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen
toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer
een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er
zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en
duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop
en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van
voetklemmende en gordelende parasieten, rondom--o heiligschennis!--de
kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de
latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun
voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de
vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen,
tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien
achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.
Aug.--Sept. 1913.
* * * * *
VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE
KRITIEK" [p.195]
Blz. 101 _Mestra_:
Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de _Metamorphosen_ van
Ovidius Naso.
Blz. 123 _There are_:
Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.
Blz. 137 _Then from_:
"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.
Blz. 148 _C'est le pardon_:
Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.
Blz. 149 _Je me suis montré_:
Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag,
wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik
heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig
Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat
zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden,
blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde
oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna
één enkele het wage te zeggen: _Ik was beter dan deze_.
Blz. 149 _à tout prendre_:
Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.
Blz. 156 _L'Année suivante_:
Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn
verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. _Deze
tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden
vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht...._
Blz. 156 _Tandis que je philosophois_:
Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong
een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd
voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk
te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette
ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.
Blz. 157 _D'ailleurs les principes élévés_:
Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen
gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan
ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit
vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou
hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der
verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in
mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd.
_Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably_.
Blz. 159 _Il faut que_:
Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot
ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder
eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig
vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.
Blz. 159 _délire inconcevable_ = onbegrijpelijke razernij.
Blz. 159 _délire_ = razernij, delirium.
Blz. 160 _De tout ce que_:
Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik
geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.
Blz. 161 _Je ne regarde_:
De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste
gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren
leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?
Blz. 161 _Qui sait_: = wie weet.
Blz. 161 _Moi qui ne fit_:
Ik, die nooit iemand kwaad deed....
Blz. 163 _cette horreur du mal_:
... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te
haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die
levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat
deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel--kan dat alles in een
en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig
gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik
voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean
Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder
erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen
vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei
te veel. _Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook
vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen
lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde
dwaling te worden_.
Blz. 164 _petites bonnes gens_ = goede luidjes.
Blz. 164 _grand hommes de nos jours_ = groote mannen onzer dagen.
Blz. 164 _les raisons déterminantes_ = de beslissende redenen.
Blz. 164 _Out of season_ = misplaatst.
Blz. 165 _jeunes gens_ = jonge lieden.
Blz. _16$ Enfants-Trouvés_ = Vondelingenhuis.
Blz. 167 _Si jamais rêve d'un homme eveillé_:
Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch
visioen geleek, dan was het wel deze.
Blz. 167 _et ce qui m'a frappé_:
En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft
getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies
dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.