Mevr. Holst's Rousseau.
(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)
Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende
aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet
eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten
geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende
natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden
omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen
van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn,
doet geboren worden--mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer
mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en
gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken,
dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en
fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthèse gezegd,
schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het
is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden
en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten
bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van _mijne_
overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en
verdwaasde hoogmoed [p.147] zou zijn. Maar overigens is er nog een
andere reden, waarom _ik_ dat argument verwerpen moet. En ik kan
slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot
misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten mòet ik
haar. _Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip:
de moraliseerende geringschatting of verachting_.
Ik ken _slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer._ Eerbied
beteekent immer een min of meer op een afstand blijven--een
_eerbiedigen_ afstand, zegt het spraakgebruik!--van, en een
niet-indringen in het geëerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot
en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand
blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons
de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan
Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat
_kunnen_ wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze
voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over
andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te
zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen
_afkeer_ sloeg.
Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde
vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der
waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord
of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn,
die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer
was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige,
trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele
deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij,
niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.
* * * * *
Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's
meeningen omtrent Rousseau en Thérèse Le Vasseur, veel, in dit
hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, [p.148] geen op een
afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde
tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in
haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het
essentieele rakende dwalingen--voornamelijk onder den
historisch-materialistisch-aesthetischen invloed--binnengeslopen zijn,
voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid
voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos
daartegenover te stellen.
"C'est le pardon à cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de
wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat
wij, zèlf geringen, nu eenmaal nìets te vergeven, nìet te vonnissen,
maar alleen _alles_, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te
doorvoelen en te begrijpen hebben.--
Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer _critische_
beschouwingen:
Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche
revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun
leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm,
heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor
het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid,
die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning
van het gevoel.
Dit noodlot der revolutionnairen van 1789--92, was ook het noodlot
van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als
bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun
liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den
strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden
en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms _in hol pathos,
opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit._
Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk
onwaar en voos_....
En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de
gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij
de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke
innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar [p.149] _ook de
valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel_. Ook
deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. _Deze zijn
schuld_ aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken
ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der
burgerlijke klassen in beeld brengt, _nooit_, wanneer hij het zijn
persoonlijke ervaring doet.[34]
Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn
persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de
opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer:
in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel
van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de _pose_. Gij, die de
schoone paden der _Confessions_ gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er
dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner
klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen,
sterker: zij openden u het hek van den tuin!
Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai
été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon
intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble
autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils
écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités,
qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son
tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis
qu'un seul te dise s'il l'ose: _Je fus meilleur que cet
homme-là._[35]
Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des
hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele
werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van
de in "_valsch pathos_" zich uitende "_geforceerde spanning van het
gevoel_" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen
zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn
redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast,
dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale"
en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel
over zijn "persoonlijke [p.150] ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst
schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien.
Blz. 203 zegt zij:
Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem _de weg tot zijn apologie en
zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding_.
En blz. 204:
In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft
laten gaan--_veel vrijer dan in de "Confessions,"_ waar _de
achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
herinnering in een bepaalde bedding stuurden_....
Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te
hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van
zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "_achtergedachten_ van
zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te
vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende _pose_, het
_valsch pathos_ en al de _opgeschroefd-geuite_ verzekeringen van eigen
voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een
dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose
al die eigenaardigheden ten gevolge _moet_ hebben? Hoe is 't mogelijk,
dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:
Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te
worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn
binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen
gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven
schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid.
_Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die
niet verwarmde_.[36]
en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch
element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen,
het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat
heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een
aantoonbaar-onjuiste subjectieve [p.151] waarheid vormde?[37] Wel lezer,
sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de
idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche
elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het
theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is
dit niet het _historisch-materialisme_ pur sang? Vandaar, dat zìj al die
leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende
feitelijkheid in, alleen in zijn _maatschappij_-beeldingen en _niet_ in
zijn _autobiographische_ geschriften zag. _Haar perceptievermogen zat
ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek_!
Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het
historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller,
en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere
verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl
veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog
eens citeeren zal:
Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
idealen die zij verheerlijkten_, maar _die idealen waren innerlijk
onwaar en voos_....
Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica:
indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de
waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid
_hun niets_ doen. _Die bestond dan eenvoudig niet voor hen_. Iemand kan
slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter
nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het
echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat
kan alleen [p.152] het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr.
Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden
vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te
ver-beelden--maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid
gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der
idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!--òf zij had moeten
zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen
zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe
gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener
dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te
redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken
zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst
zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te
aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de
consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot
menschenschepper, en zijn _Raphaël_--in _Ghetto_--ver-beeldt te midden
van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch _ideaal_,
maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn
Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid.
Moeten wij dit dus, _in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner
overige productie_, zijner _werkelijkheids_beeldingen, wijten aan de
voosheid van het socialistisch ideaal?
Querido is een groot menschenschepper en zijn _Heins_--in
_Levensgang_--is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch
ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de
levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij
dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere
beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr.
Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne
gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter,
de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen,
van geen werkelijk belang is.
[p.153] Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een
uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau,
Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:
Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley
wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche
bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van
1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door
hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan
hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen
invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij
dat niet? Hield _hij_ er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje-
voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr.
Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch-
materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond
leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in
kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het
beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst,
wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen
_alle_ kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan
kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één
wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en
geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet
onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch
beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij
zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog
zien, [p.154] en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel
wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde
gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal,
maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden;
het hangt er alleen van af--och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder
diepzinnigheid--_of zij een Shelley zijn al dan niet_. En nu zal het u
ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk
ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der _Confessions_,
zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds
hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver
_altijd_ zijn stijl onzuiver _moeten_ maken, maar er was ook nog een
andere oorzaak daarvan, een zelfde in de _Confessions_ als in de
beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de
le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau--de _lagere_
persoonlijkheid wel te verstaan!--_bestond niet._ De "schrijver der
_Confessions_ moest hier dus wel geen stad maar een--_Rousseau
scheppen_, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde
gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van
een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt!
Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn
_alle_ idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking,
precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen,
niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt
veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging
en vreugde èn nieuwe--idealen!
Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische
verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht
aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of
gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen
verschijnselen uit het oog verliest. _Welnu, dit is een euvel
onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch
denken verbonden_ [p.155] _en voortvloeiend uit zijn aard_. Onderzoeken
wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En
dan valt onmiddellijk op, dat:
1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij _niets
minderwaardigs in hem_ te boekstaven hebben;
2°. dat zij echter _een sterk verfraaiende tendenz krijgen_, zoodra dat
wel zoo is;
3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het
laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat _de
betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen
oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten_. Het bewijs van de
juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken.
Ik, de _bestrijder_ van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik
noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij
te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden _wel_ zuiver
zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder
ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus
ad 2:
Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar,
zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met
zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]
Men kan hier het _streven_ naar objectiviteit zeer zeker waardeeren,
maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken
dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg
van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te
bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept,
tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen,
of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de
overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke
scène tusschen "la [p.156] papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf
als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de
_Enfants-Trouvés_ brengen zijner _twee eerste kinderen_, zonder dat hij
_één oogenblik "dobberde"_ tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in
hem zich daartegen verzette, _meegesleept_ als hij was--_dit alles naar
zijn eigen getuigenis_--door de opvattingen en gesprekken zijner
tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:
In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en
indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat
was hij.[40]
en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en
dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd
en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten
haar--hij was toen respectievelijk _37 en 38 jaar_--. Neen, de
scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt
duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn _genie zich openbaart._
Dit feit te zien--waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo
dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt--is van het hoogste gewicht
voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen
spreekt _voor_ mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een
_heerscher, leeraar en opheffer_ in de lagere persoonlijkheid werkt!
Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn
bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het _Discours_, waarvan Rousseau in het
nu volgend citaat spreekt is _ook volgens Mevr. Holst_ het _eerste_ werk
van zijn eigenlijk Genie.)
L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours,
j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. _Cette nouvelle
réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une
nouvelle force_....[41]
En daarna:
Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un [p.157]
événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse
devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, _trop
fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes
oeuvres_, je me mis _à examiner la destination de mes enfants_.[42]
Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan
naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in
het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien,
maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij
ertoe kwam, te gaan _nadenken ten minste_ over het lot zijner drie
laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle
openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg
naar Vincennes over hem--hij zelf heeft ons dat treffelijk
verhaald[43]--en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen
uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere
persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich
trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in
zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:
D'ailleurs _les principes élévés_ que je m'étais faits _devoient me
rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses_, et il est
certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: _mais c'est moins
pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé
la racine_--d.w.z.: zichzelf _de gelegenheid, om meegesleept_ te
worden, te hebben _benomen_; zie maar verder:--et j'aurois
grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes
désirs. _J'eus la preuve de cela chez M. de Mably_.[44]
En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid
gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het
Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: _Zijn lagere persoonlijkheid
schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn
verheven genie_. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen
innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot [p.158] deel ook
uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó
leeraarde en zùs deed.--En wat is nu de beteekenis van dit thans door
mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in
zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan
dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop
der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in
Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door _de
feiten_ en de door _hem-zelf bekend gemaakte_ overwegingen gelogenstraft
wordt, en dat er slechts een _zich aanpassen_ in daden, strevingen en
woorden--de beide laatste vooral!--van de lagere aan de Hoogere valt te
constateeren, zonder dat er in de _neigingen_ dus iets veranderde,
waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit
zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid
met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.
Thans ad 3:
Nu kwam hij in een omgeving, die _al de lagere aandriften en
neigingen in hem naar boven haalde_ en al het zachte en edele
verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en
hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten,
terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het
leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd
te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den
druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid,
maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed
altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een
knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot
zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte.
Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn
karakter in korten tijd was vervallen.[45]
Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er
is hier--men lette op den door mij gecursiveerden zin--niets verfraaid,
niets uitgewischt. Maar [p.159] hier _scheen dan ook zulk een fel licht
uit de Confessions-zelf,_ dat de schrijfster door haar onbewuste
verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet _kon_ verhinderd worden te
zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn
_artisticiteit_ hem ertoe drong, d.w.z.: die _moest_ uiten wat zijn
_Scheppend Psychologisch Vermogen_ in hem zelf _ontraadseld_ had--die
groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel
vlijmender gezegd:
Il faut que, _malgré l'éducation la plus honnête_, j'eusse _un
grand penchant à dégénérer_, car cela se fit trés rapidement, _sans
la moindre peine_, et jamais César si précoce ne devint pi
promptement Laridon.[46]
En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst
zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk
bewust werd.
Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak,
als zijn _artisticiteit_ hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit
niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij
betreffende die drijfveeren, die hij niet als _artist_ in zich-zelf
_ontdekt_, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone
menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid _niet_ zegt. Een
treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het
te-vondeling-brengen zijner _drie laatste kinderen_.--Ook is er nog een
groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun
drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad
de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn
artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt
hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat
Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag
ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook
daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid
afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want
hebben wij nu [p.160] reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden,
zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de
Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij
het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband
staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo
sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek
aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende
woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die
voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en
vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang
zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na
den dood van Mad. de Vercelli--hij was toen ongeveer 19 jaar--Mevr.
Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op
zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel,
geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige
Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot
en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord:
Rousseau evenmin, _indien hij niet in het schrijven der "Confessions"
het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben
gezien_. Doch om de _Confessions_ tot dat wapen te maken mocht hij dan
ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want
kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47]
dan ware de geheele _Confessions_ waarde- en krachteloos. Aan de
drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden,
de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat
voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad
heeft--en uiteraard _moest_ hebben--laat 't hem-zelf hier verhalen:
[p.161] Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus
grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le
découragement de l'innocence avilie a pu la porter?
Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke
kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den
man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion
terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven
had?--"Qui sait?" _Hij_ had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat
hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een
vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en
moeten pogen háár te vinden. _Daar_voor had hij de kracht en de deugd
moeten hebben. Hij had ze _niet_. Dáár ligt de zedelijke depravatie van
den _man_. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden
blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den
knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind
is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ...
gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau--let wel:
wat de daden en vooral de _gevoelens_ der _lagere_ persoonlijkheid
betreft!--laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die
zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan
Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die
zegt nooit de daad te hebben durven biechten, _leest_ in ter auditie van
de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal
personen, _het relaas dier daad voor_, 't geen nog heel wat anders is
dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood
wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan
het biechten aan een vriend.--"Als hij haar biecht in de _Confessions_
schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen
zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn
vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn,
hadden _daarin_ gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet
objectief-psychologisch voor de zaak, anders [p.162] hadden zij de
oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een
man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had
gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden.
Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.
En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr.
Holst aldus:
"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval
van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die
plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft
te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om
den zieken meester te bekommeren."[48]
Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd
heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien,
zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn
vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog
niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't
er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg
van dat kind op aan komt, dat het niet _uit zich-zelf_ meer beschaafde
manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een _twintig jarigen_ man
verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die
hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van
vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die
man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een
vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg--dan zeg ik
allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan
uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen
van beide," _mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat_ niet zijn kan
en _dit_ toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is,
dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere
gevangenispredikant allicht vertellen. _Het vreeselijke is dat het in
hem zit_. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel
uitziet--gelijk gij klaarblijkelijk [p.163] meent. _Daarvoor_ heb ik _u_
noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, _onze_
psycholoog, antwoordt _niet_.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank
u, nu weet ik 't wel!
Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze
schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau
zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de
zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige
gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen;
de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt,
en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te
stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon
stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!
"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de
haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.)
et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce
émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux,
généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même
âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le
plus doux des devoirs? (Zeker, het _blijkt_ dat dit kan! Want bij
het te vondeling brengen der twee _eerste_ kinderen was er immers
_volgens zijn eigen getuigenis_, geen sprake van _eenige
overweging_ noch van _eenige scrupule_! v.C.) Non, je le sens, et
le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant
de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans
entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non
m'endurcir. _Si je disois mes raisons, j'en dirois trop.
Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres:
je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se
laisser abuser par la même erreur_.[49]
Het is duidelijk dat dit een _uitvlucht_ is. Zoo het waar is, dat het
bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij
hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken
der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen
beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou [p.164]
hebben gemist. Hij _moet_ toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn
van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot
dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk
maakte: nu blééf hun alleen _een slecht voorbeeld_ gegeven door een
_groot man_. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze
bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer
gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij
verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge
gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat
het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die
bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: _ik acht er de Confessions en hun
schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was_. Zij
is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de
meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een _biecht_ wil
zijn en _niets dan dat_.--Máár--_waarom dan alleen bij deze gelegenheid
van dat standpunt afgeweken_? Dàt geeft te denken--wat ìk heb
gedacht!--Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er
onder de lezers van den _Emile_ waren, die lezend wat hij daar omtrent
de plichten van den vader leert--en _niet wetend, dat de Hoogere
Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de
lagere is_--minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor
_huichelarij_ moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse,
waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met
de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd
hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid
noemden.--Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij
thans niet zullen onderzoeken--hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof
"les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van
Thérèse's familie--zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden
zoo bezorgd was, in de _Rêveries_ die bezorgdheid geheel heeft verloren
en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen [p.165] enkel verwijt
doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat
minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu
ziet ge dus, dat 't zelfs _geen dwaling_ was.... Ik vrees dan ook, dat
indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en
diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het
lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben
gebracht![50]
* * * * *
Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er
tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr.
Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de
Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem
bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle
min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief
Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier
opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van
een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen
te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le
Vasseur.
Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een
_lichtelijk-pathologisch_-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg
het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij
_zulk_ een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij
Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk
blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de
aandacht op zich te vestigen en--zeer typisch daarvoor!--altijd te
klagen over zijn gezondheid, _ook wanneer daar geen reden voor was_; een
onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot
volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet;
onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline;
_snoep_-[p.166] en vooral _daardoor dief_achtig; vaak grootmoedig en
vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook
geestelijk-erotische naturen--het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich
namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid--; vaak berouwvol,
doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over
eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen--_sommige_ erotische
neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in _zeer
verhevigde_, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van
Oordt's Warhold--dikwijls dus een mooiprater, die zich... met
_schrijven_ moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward
en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte
bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna
altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil--geen zwak ethisch
bewustzijn!--en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als
alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en
doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met
beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met
menschen; uit dezen _vrij geringen_ aard dus, die eigen geringheid
kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend
Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens
reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar
werkte--daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren.
Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu
even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun
voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden
van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze
psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit
opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit
gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te
houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de
wisselwerking _aller_ neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de
psychisch-oorzakelijke [p.167] sfeer dier daad _kunnen_ beïnvloeden, en
dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen,
die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der
andere allerminst wensch te ontkennen.
Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste
betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve
d'un homme éveillé eut l'air _d'une vision prophétique_, ce fut
assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat
oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus
dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est
d'avoir retrouvé _des objets tels exactement que je les avais
imaginés._[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te
overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid).
Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar
een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven,
verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):
... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En
quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?...
Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à
vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de
damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre _d'une main
tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je
n'ai douté de mon salut...._[52] Men lette ook op het willen-neerleggen
van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.--Deze
neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van _immer iets
te verwachten van het wonderlijke, van het
nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal_,
is ten _deele_ oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst
luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens
gaat zienderoogen financieel achteruit, hij--wel is waar onder het
zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche [p.168] schoone
plannenmakerij, betuigingen en speeches--blijft meeëten, pleizierreisjes
maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den
kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer
hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn
"délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert
bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de
technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't
dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te
ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár--de wonderbaarlijke hulp op
het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel
terecht komen....--En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig
bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch
worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele
door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze
personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het
dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt
versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron
ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie
het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het
door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen,
die in hùn bewustzijn _voortdurend gaven ontvangen van het
hun-Onbewuste_; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven,
beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd;
in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In
zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven
hunner _lagere_ persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te
verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En
deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds _voor_ het Scheppend
Vermogen zich in haar openbaart. Zonder [p.169] die neiging zou de
gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend
genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het
nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de
gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was
Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van _beide_ genoemde
neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire"
voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft
daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken,
het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het
feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.--
Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door
zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen--alles wordt dan één
chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein--blijkt ook het
geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem
ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar
ten geschenke wilde geven--dit heeft hij zelf verklaard--doet nog de
reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar
gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd
brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande _bestaat_
dan _niet meer_ in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder
meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt
op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen,
zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: _zonder
het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem
ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,_ gelijk hij
ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de
la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds
vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te
herstellen viel.--
Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch
angstgevoel voor de menschen, dat niet anders [p.170] was dan _de vrees,
zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid
hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien_; chronische
angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was,
om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken,
oogenblikken gelijk er toen een was, _werd die menschenvrees acuut._
Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien
bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles,
hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet
hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend,
verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat
verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de
reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in
hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden
afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij _snelt_ weg.
_Ten deele_, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want
_zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees
het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen_.--
Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen:
deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige
pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische
kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht,
uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het
vragen om hulp, zonder die noodig te hebben--van uit Ermenonville--; het
klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en
niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon
bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens
geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te [p.171]
Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke
Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc,
_quittant celui dont il avoit fait la conquête_.--
Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch
is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere
persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering
mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe
natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op
zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde
het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een
terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot
bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft
hij ook nooit de _grond_oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de
schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. _Deze was die grondoorzaak_.
Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem
neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch,
aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest
hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere
dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte
kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette,
hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte
hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en
verward.--"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem
verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer
ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature
Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan
"le donne" geschikt was!
Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte,
geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel;
zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig
figuur te slaan; van [p.172] behept te zijn met den echten esprit de
l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch,
het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte
eigenliefde, maar ook _beleedigd rechtsgevoel_. Het was _onrecht_, zoo
moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het _genie_, "balourdises" zei:
niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één
woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben
gezegd; het was _onrecht_, dat die anderen, zijn minderen, aldus over
hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij
geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in
de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die
oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie
van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult
moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven
zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen
tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met
medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een
geringe zijn....--Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een
toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken
immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en
sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen
genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een
groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel _Rousseau_, de Leeraar der
groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en
verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....
En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der
Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is
duidelijker: het pogen _de synthese tusschen hoogere en lagere
persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken_.
Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en
psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de
productieverhoudingen [p.173] en de lagere persoonlijkheid wil verklaren
en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets
aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting
vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische
aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent,
het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke,
lagere persoonlijkheid acht te _ontstijgen_, en daarbij tevens aanneemt,
dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en
zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de
_scheppings_beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't
geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het
werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën
verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en
dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele
theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of
"onzedelijk" wordt genoemd--dan wordt men er immers onweerstaanbaar en
onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der
lagere persoonlijkheid niet, of zoo _microscopisch_-klein te zien, dat
het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad
hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere
persoonlijkheid te _verfraaien_! In hoeveel vrijere positie komt men
daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid
des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar
algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid
eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en
de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die
beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier
aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke
mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid
grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van
een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet [p.174]
dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om
de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En
zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in
zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een
erotisch-bewogen kunstenaar.--Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de
geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar
zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter
negatiefs was: een _tekort_ aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar
positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig
genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat
wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad _kunstwerken_ hebben
geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de
menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn
geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend
eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts
kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en
hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van
Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in
Rousseau's _Scheppend Vermogen_, evenmin als wie ook, iets van dat
zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar
leerstellingen, ook in zijn _geheele_ persoonlijkheid slechts in niet
noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en
ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr.
Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft
geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien
opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.
Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr.
Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van
liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot
menschenschepper mòet bezitten, [p.175] maar dat iets anders, dat dezen
even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den
heerscher, _dak_ zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de
_heerscher_ als de _minnaar_ moeten _beiden_ in den grooten
menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en
rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde
zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn
van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de
historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet
worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, _maar onbeheerschte_
overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote
lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar
indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke
mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die
naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de
psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en
ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf
niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.
* * * * *
Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij
voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der
marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken
kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe
bracht den _mensch_ Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe
dit tot _noodzakelijk_ gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur
geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan
Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de
psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en
pueriel-goedgeloovig te noemen.
Waarom of het eerste 't laatste tot _noodzakelijk_ gevolg had? vraagt
ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door
haar proletarisch-voelen--waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in
't tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb--er
onweerstaanbaar [p.176] toe gedreven Thérèse te verdedigen.[57] Haar
intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te
voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei--_omdat deze te dien
opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te
flatteeren_--is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is
_ten koste van Rousseau_. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten
_werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij
was_.--Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische
feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden
afgeleid.
Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in
Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop
bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar
luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:
Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het
"complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn
doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem
meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij
beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen
gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij
onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]
De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der
biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel
zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als
deze:
... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit
pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit
bien acquise par _le témoignage unanime de tous ceux qui ont
frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie_. Or il est
constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son
maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et
entretenu en [p.177] lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui
rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à
lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec
plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea
rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut
elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir
rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir!
Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions
calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres
adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit
mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les
autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.[59]
"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur
Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.--Hier
blijken dus doodgewone _misdaden_, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet
meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het
eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het
perfide _hevig-versterken_ van den waan, om maar niet langer op die
vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar
telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:
Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse
een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een
zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij
zich niet opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om
er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen,
met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in
haar in.[60]
Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te
lezen is, door _welke middelen zij dat doel_ poogde te bereiken.
_Daarop_ komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!
"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril
zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61]
Neen maar, zou ik tot Mevr.
[p.178] Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of
niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde
en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen _een mensch leeren
kennen_, dat is ons _eenig verlangen._ En bovendien--dat vertelt Mevr.
Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van
Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies
de Girardin gehad, maar _zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's
dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er
doorgejaagd_!
_Wat is er nu in deze vrouw_, "die nederige goede vriendin," "dat
eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," _omgegaan, dat zij
zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had
"liefgehad," dien zij "verzorgd" had_, enz. enz.? _Dat_ wenschen wij te
weten, _dat_ opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een
scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was--nu ja, dat weten we
waarachtig allemaal wel! _Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de
tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?_ Neen, klaarblijkelijk
heeft zij er _niets_ van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf
zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind
uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen,
omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee _de
historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en
lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen_, beheerschte hier de
scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die
mantel-der-liefde-achtige woordjes!
Zelfs reeds het _ontstaan_ hunner verhouding wordt dan ook reeds--wat
Rousseau betreft--door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:
Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar
voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]
Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen [p.179] te
loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:
Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un _amusement_. Je _vis_
que j'avois plus fait et que je m'étois donné _une compagne. Un peu
d'habitude_ avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma
situation, me firent sentir _qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs_,
j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]
Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance
tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't
die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan
innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers
pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche,
primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit
opzicht uitgevallen--men herinnert zich uit de _Confessions_ zijn angst
na zijn visite met Vitali bij de Padoana?--was hij heel blij--och ja,
het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het _is_ zoo--dat
hij háár gevonden had! _Jubelkreten_ slaakt hij als hem blijkt, dat
Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit
dat door hem zoo gevreesde!
En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden
verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan
"een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt
aan het verkeerde adres is? Helaas, het _kon_ alweer niet tot haar
doordringen, dat zij hiermede bij _Rousseau-zelf_ moest zijn.
Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases _pour amuser
Madame de Luxembourg_, et _ses quiproquo sont devenus célèbres dans
les sociétés où j'ai vécu_.[64]
Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie
in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol
tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden,
dat hij er maar wat uitflapte, [p.180] om maar iets te zeggen, wat dan
achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem
Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een
onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten
draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer
vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de
vrienden laten lachen--ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart
hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, _alles is te
begrijpen._ Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid--der _lagere_
persoonlijkheid!--welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan
eerbied ook voor--zich zelf! _Tenzij hij wist_--let wel!--dat die
vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem _een vrouw slechts in den
lageren zin_ was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat
fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een
"onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk
nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan
wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op
àndere gronden dan die van Mevr. Holst--_gronden, die echter voor
le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden_!--haar
verdediging met vrucht te voeren valt.
* * * * *
Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te
zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid
in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen
tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist
het _tegendeel_ als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het
Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven,
sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat
Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn
verwondering, _hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren_.
Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une
faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance [p.181]
et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un
cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien
à vingt ans qu'on en cherche![65]
Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in
het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar
in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een
al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu
zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich,
wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich
stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete--die niet
wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken--welk
een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau
geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de
gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het
tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het
geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere
zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de _waarde van deugd-zelf_
verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?
Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn
gebleken--voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn
natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe
hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.
Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse
van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement
pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen
wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het
bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van
destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar
scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was
geweest?
[p.182] Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan
kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal
betaald: het haar ontnemen van haar kinderen _tegen haar zin_.
Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le
seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui _j'eus toutes
les peines du monde_ de faire adopter cet unique moyen de sauver
son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même
expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion
de ma part, _pas plus d'approbation_ de celle de la mère: _elle
obéit en gémissant._[66]
Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die
ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan
bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen
gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een
licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als
overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen,
tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot
rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit
beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen
ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen
bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het
hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe--peilt gij,
wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed
van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den
vloek der kinderloosheid, _menschelijk-moedwillig_ wordt belast; peilt
gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle
deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven,
leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En
hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel
vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen
geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt
aandeed?... Maar gij wendt u af, [p.183] ge ziet naar uw eigen kinderen,
uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn
vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....
* * * * *
Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons
geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou
bezitten--maar geen mènsch kan dat--kan intreden tot alles wat waardevol
is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en
het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor
ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al
wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot
trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun
zielen opgericht, _drie onderrichters van het altruïsme_, die
achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner
gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij
onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even,
slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook
zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij
daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en
weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het
kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie
nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het
kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner
egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók
hem onderricht--in altruïsme.--Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar
speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde
verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel
egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging
van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij
nog--de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn.
Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De
driftige zinnen dringen om haar heen, hun [p.184] hoog opgeheven
flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende
schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen
voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de
overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende
storm, een lichtende davering voorbij.--Maar ten leste verschijnt der
Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat
is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar
wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch
hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun
kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te
weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar
woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij _is_
het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet
zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen
gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik,
worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven
wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner
begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig
te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts
bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten _zijn_ altruïstisch,
zònder die deugd _kan_ hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij
zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn
meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de
vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet
tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar
zij werden gezonden. _Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan
ouders den kinderen_. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste
gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende
jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der
bloemen, dieren en menschen ontlokt....--
* * * * *
Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt [p.185]
heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen
wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote
leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle
deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse
Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode,
ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is
er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam,
waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...
* * * * *
Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met
haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast
den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de
droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of
zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén
weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende;
achter haar rug uitgelachen--hoe zal haar dit hebben gestoken!--door
haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname
vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer
hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de
bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en
niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar
steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar
bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met
haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid,
wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor
veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar
boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan
analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt,
haar voelen verbergend--en tòch daarin niet slagend bij _Rousseau's
vrienden_! die zagen juist, Mevr. Holst!--in de eerste jaren daartoe
gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier
[p.186] karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het
andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit
eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat
verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende
wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van
haar leven, aan de deur van de _Comédie Française_ de hand ophouden voor
een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar
leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te
zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans
Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht
voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in
een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen.
Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet
gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's
oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen
was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet
beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het _feit-zelf_, maar dan, en
wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de
omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan
voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang,
zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem
met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar
drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "_une cerbère
odieuse_" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem
de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel,
toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en
liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar
dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen,
die haar kracht moet hebben [p.187] gegeven te doen wat zij deed; die,
dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die
haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem,
die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door
èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar
van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet
ontging. Zoo hebben in dit hart--ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben
het gezien!--monsters gewoond, omdat--'t geen zijn vrienden en ook Mevr.
Holst nièt hebben gezien--Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft
zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar
weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat
zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer
liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort
noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met
voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die
verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in
zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft
gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we
zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid
voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet
voor niets heeft zij de _handelingen_ van Rousseau jegens haar gezien,
niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is
goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er
een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met
haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal
doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid,
het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater
verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven _kent, doorvoelt_,
behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare
slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze
ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar
mishandelde instincten; [p.188] moeder, die hare kinderen niet heeft
gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun
steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar
dagelijksch brood!...
* * * * *
Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig
vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene
als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn
karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te
begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat,
jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar
allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling
haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de
frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige
huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een
diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld
--verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst
impulsive menschen waren, wezens van _gevoel_ vóóral. Het verschil: bij
Rousseau ging dat gevoel _denken_ vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk
zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een
droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's
denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg
neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen
ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der
onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het
vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in
het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook
telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens
echter ging het gevoel _handelen_ vooraf; elke droom, elke fantasie
veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem,
telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische
verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al
[p.189] ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van
Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan
in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak
zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het
predomineeren van zijn gevòel: _het snel-doortasten, de moed tot de
daad_, dat zag hij bij haar _juist uit het gevoel_ ontkiemen! Zoo,
tegelijkertijd, verzoende het hem met den _grondslag_ van zijn wezen èn
voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en
berustigend _aangevuld_.--
* * * * *
En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst
beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft
Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die
verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr.
Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende
verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen
aanleiding hadden.--
* * * * *