Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en
kunnen zij, als zij maar door een _groot kunstenaar_[19] worden
beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.
Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder
zijn, dat zij maar liever die valschheid [p.117] en vuilheid niet willen
vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid
door een _groot kunstenaar_ worden beschreven? Maar, veroorloof mij:
zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van
_"behalve"_ van des heeren van Hulzen's _artistieke kracht_, niet
_uitsluitend_ daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan
niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren--o, onbescheiden
vrager, die ik ben!--dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch
door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes,
die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's _Decamerone_; noch door het
zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende
der voorstellingen, zooals bij de _Sakuntala_; noch door het niet
medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij _Les Chants de
Maldoror_, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van
de _artistieke macht_, die het werk schiep, het _Scheppend Vermogen_,
dat erin straalt, en of men _diens_ schoone bewegingen daarin zoo
onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het
antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of
't wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf
bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere
volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat
ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en
hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen.
Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot
het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van
den betrokken _kunstenaarsaanleg_; wij hebben waarschijnlijk gemaakt,
dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen,
omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen.
Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de
scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal--terwijl wij hebben
aangetoond, dat een kunstenaar _als zoodanig_, d.i. een _ziener en
ontdekker der noodwendigheid_ niet door het eerste kàn worden
beïnvloed--"want [p.118] zulk een ideaal geeft aan het leven _een
zin"_[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt
de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste
plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen
zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven
de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke
en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen
zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de
kapitalistische _productiewijze_. Ziehier dus als oorzaak van deze haar
aesthetische redeneering: de _historisch-materialistische_
gedachtegang.--Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van
wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij _immer_
daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden
voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere
"burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid
veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een
dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen
twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij
bedoelt, _geen kunst_ zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een
ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten
produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van
wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt,
waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de
kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had
voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk,
bewondering, opgeheven worden.--Zoo gebood 't het
_historisch-materialisme._--
Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de
aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht [p.119]
eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken
der dichteres maar ook der prozaïste Roland Holst gelezen heeft, dat zij
niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het
historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste
plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich
daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog
betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk-
en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een
strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft.
O erger--en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen
zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die
zie--; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo
er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die
het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de
kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is
zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer
of je dat ermee zagen kunt....--Maar wilt ge trots dit feit en
niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de
voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij
hem, tenminste éénmaal, _aangetoond_ zien? Welnu dan: In zijn betoog,
dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is
door de productieverhoudingen gespecialiseerd--_waarin ik het volstrekt
eens met hem ben_--en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als
half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt
en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,--_'t geen
ik een evidente ongerijmdheid acht_--slaat hij twee vliegen in een
marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, _dan
liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme
ontsnappen!_
Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper
omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder _Scheppend Vermogen_ versta
en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een
kunstwerk kan verschijnen. [p.120] Want dit alles mag geen abstractie
voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier
ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds
hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer
slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met
terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:
"De kunst-scheppende Macht heeft geen _menschelijken_ wil of
bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste
teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de
verrukkelijkste omvaming der intuïtie, verschijnt Zij den
onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuïtie, maar
Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt
zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest,
máár--gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn,
oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend.
Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke
visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en
de zoete saamklinkingen der harmonieën opwellen en deinen en
blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn
Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van
Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand
haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste
en de intuïtie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn,
leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn,
zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid
winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de
absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de
groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den
menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst
en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat
is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den
aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag
spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan,
wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, [p.121] blijde tot 't
baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog.
En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem--die
geestelijke aarde--de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle
de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't
eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen:
uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van
gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen
en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't
licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige
kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen
der menschheid ontving.
"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: _de
volkomenheid van haar werk verdwijnt_. Want hier ontmoet Zij voor
't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het
hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk
te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks
wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid
zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak
haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het
hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den
voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die
mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen,
zijn _menschelijk_ bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het
werk van het _Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept_. En
alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten
door de schepping der Natuur heen, _moet_, dáárbij vergeleken,
leelijk zijn, _omdat_ het uit ònvolmaakte krachten werd geboren,
terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon _moet_ zijn, _omdat_
het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]
Maar wat nu de waarneming van de _bewegingen_ van het Scheppend Vermogen
betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van
den waarnemer verzinnelijkten [p.122] tot die van een mensch; van den
mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt
denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde
abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met
stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik
't--daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van
groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen
toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal
volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken,
Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:
Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:
Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid,
verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren
_naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van
deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch_, en het leven
omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....
... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes
en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee _waar hij gaat hoog
op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als
honden aan zijn voeten_....
... _hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende
etherische goudene tapijten de luchten_....
... _hoe hij het leven bewoont als een koning_, zijn rood-gouden
levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]
Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het _Scheppend
Vermogen_, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van
geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat
ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ...
wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten
tijd? Ook Querido's _Geschreven Portretten_, zij zijn er pràchtig van,
van dat _niet_ vóóral zien van het _werk_, maar van het _Scheppend
Bewustzijn en zijn bewegingen_, waardoor het werk is ontstaan.--Maar ge
vraagt mij wellicht, of [p.123] dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds
iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat
stelt het te begrijpen, lief te hebben?--Och, zou er dan wel één mensch
zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle
leven maar één schoonen droom van verlangen? _Kent gij één kind, dat
geen schepper is_?--Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is
er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel
verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er
een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet
verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet
uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? _There are many poets
who have never penned_, welk een diep woord was dat!--Ongetwijfeld zijn
er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend
Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te
geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door
maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste
Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een
lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. _Zij_ is
niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is
onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich
profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig
kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in
hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars
van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend
Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie
toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't
bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern
der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het
historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister
even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:
Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als
het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen [p.124] van
geest en stof, het spreekt _over den inhoud van_ het denken en het
toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde
menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en
zoo is en zoo en zoo verandert.[26]
Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek
op, de beschouwing van het _hoogste_, het _meest essentieele_
bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan
te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is.
En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de
kennis van de herkomst van den denk-_inhoud_ niet het minste licht, en
ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou
òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te
verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde
kunnen baten!
"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:
Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren
aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven
de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het _geheele_
menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke _het niet
bestaat_?[27]
En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het
pas. Want niet _het_ leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij
in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische
weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden.
_Het_ leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts
synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe
het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken,
wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het
is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van
het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het
doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en
elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de [p.125] goddelijke
essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware
hij daarvan verwijderd geweest, omdat _zijn aandacht zich dan in 't
bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren_. Hij deed
beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en
een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die
rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was
voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en
ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven
begint....
Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische
bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het
Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze
_uitsluitend-literaire_ van Van Deyssel u den Gorter der
sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!
En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen
beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den
aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch
materialisme dan op, deze _geologie_ der maatschappij, ter verklaring
van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de
historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat
zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar
"gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naïeve en jonge geesten dien
indruk maakt! Maar _is_ zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan
hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de
veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die
middelen, ja daardoor, haar dòel mist.--Er _is_ één middel: de
aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat
dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun
beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen
verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van
den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt,
dat haar wetens- en gevoels_inhoud_ is uitgebreid, maar in waarheid, zij
't voor nog zoo gering een [p.126] deel, haar _potentie_ om te voelen en
te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot,
maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek,
die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe
het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en
hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk_soortigs_
aan dat geluk.
Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar
zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt
laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat
de critische _kunstenaar_ in hem klaarblijkelijk zelf het
historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht,
dan--ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen
worden.--Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:
Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx
zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche
overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poëzie wordt
verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft
de groep Lessing, Schiller, Goethe en,--daar in de poëzie de daad
geldt, niet de aanleg--Shelley staat als een toren boven Goethe.
Dat zegt niet alleen de _zekerheid van een hart, dat tegenover
poëzie nooit heeft gedwaald_, maar het _verstand dat van Marx
geleerd heeft waardoor poëzie groot wordt_[28].
Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van
Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder
vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had
kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is--Gorter
zal wel de laatste zijn om het te ontkennen--in zulk een verreweg
grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen
theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij
daaraan onmogelijk recht en [p.127] moed had kunnen ontleenen, om zich
autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem
opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de
sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid
op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende
verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat _dit_
hier, in _kwesties van kunst den doorslag had te geven_. En in weerwil
van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit--en hoor de
heerlijke aandoening beven in zijn woord:--"dat zegt de zekerheid van
een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald."--O, dus dat is
het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen
ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En
zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk
werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven
heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en
medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet
zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naïef als hij, niet zoo "adamisch"
dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige
eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik
bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot
kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen
[p.128] spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen
moest.
Geloof is _geprosterneerd_ denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn
knielhouding weer verrezen, is het _gesublimeerde_ boven al zijn
broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en
ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers
dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de
ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen
van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden
heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde
het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het
verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de
God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid
schenkt, het is de _overgave_.... Het is het zich-verdroomen, het
zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het
opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden
en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het
dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren!
Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en
volgroeide _subjectieve_ waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke
wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de
zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè
eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen
zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen,
maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar
floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en
weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in....
Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het
geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil,
zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één
donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te
[p.129] kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de
gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de
fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....
Anders Gorter's levenswerk.
Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den
stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar
den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk
een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge
ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en
fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen
zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....
Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht
schalt, zijn geluid straalt.
Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar
moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen
dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets
héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar
vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even
terug. Een streeling van de hand, een innige blik....
Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar
worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is
kalm omdat zij zèker is....--
Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort,
midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de
heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen
respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering
van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als
amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen
herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen
en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De
lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een
ademloos [p.130] leven van voortijlende haast, en èven voor het
bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende,
in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de
omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een
uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met
tanden....
O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter.
Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen
haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn
Mei....
Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben
voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te
streven van _hoe_ dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien:
dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen,
groot vinden en liefhebben kan.
* * * * *