I.

Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische Aestetica.

--H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.

Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien

verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief

voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich

den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een

geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op

spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle

donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de

eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en

paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en

lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust

gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij

zijn alleen gebleven....

O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt,

nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die

meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim,

oneindig, zoo standvastig [p.100] beklijvend en toch zonder eenige

weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets

hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten

en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het

scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten,

de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen,

gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun

rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen.

Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij

schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van

het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere

sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste

opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar,

arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht

duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden

blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend

licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij

ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst

een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die

hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn.

Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat,

het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de

arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en

dorst.--Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat

èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als

een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het

u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest

gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och,

droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt

ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk

genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken

ochtendgloor.

[p.101] Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van

wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst

... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun

geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende

sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de

verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar

wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half

verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom

... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want

zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben

haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra,

verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich

telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet

wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te

dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher,

dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo

moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet,

in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit

begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder

geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien

moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de

kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en

strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als

een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet

van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan

het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het

"leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden,

maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte

zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een

diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is

slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van

wezen. Nu [p.102] erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij

voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een

waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in

de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u

verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat

ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid

der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is

er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van

vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken,

die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens

meer, zij schijnen de eigenschap der _hedenmatigheid_--mogen wij zóó

haar even noemen?--onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen

en leven in de wisselende verhoudingen van het _heden_; de eigenschap

dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der

eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in

het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te

vinden, wàt dit _uitzonderlijk_ eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het

_essentieele_ in hen is.

Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet

immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als

thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat

juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting

der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken

wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar

onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest

actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen,

niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit

op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere

verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet

allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het

opkomen eener [p.103] marxistisch-socialistische aesthetiek, die het

probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der

heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten

maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de

rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het

bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de

figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat

"algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst

verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit

kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te

zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote

kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan

dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst

zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen

van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een

gevoelde maar niet _door_voelde en evenmin _begrepen_ waarheid, een

aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en

aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen

hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren

zij bij machte geweest uit te zeggen _waarom_ dat andere als het

vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt

mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het

historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en

verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als

stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr.

Holst's _Studies over Socialistische Aesthetica_ en Gorter's _Kritiek op

de Literaire Beweging van '80 in Holland_, zijn invloed begon uit te

strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral

concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die

algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer

zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het

historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het

bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd,

[p.104] hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders

gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom

der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch-

en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene

menschelijkheid--waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt,

_geen kunst te maken is_--maar het bestaan eener algemeene

menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar

drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol

onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn

grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der

productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche

zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen

_gespecialiseerde_ menschelijkheid, waarvan _de kunst van dien tijd

gemaakt wordt_, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende

menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige

en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens

Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende _gespecialiseerde

menschelijkheid_.--Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet

zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met

een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze

Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht

zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen _alsof_ ik niets zie!

Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De

strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat

is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk

werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen?

Ziehier: _Niet_ de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de

"door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en

essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en

meevoelbaar blijvende _schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat

dat werk voortbracht_.--Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de

hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde [p.105]

wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze

ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij

hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten,

van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit

dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig

schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der

scheppende ziel, de _schoone daden_ der _kunst_-scheppende _Natuur_, die

in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar,

in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de

vergankelijke tijd niet doorstroomde--ja, hoe grooter hij is, des te

opener staat hij voor dien tijd!--van diens vergankelijke beelden en

neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen

is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen

blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het _vergankelijk_ is?

Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is:

de _taal_: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner

beweging, de uit zich-zelf blijkende _noodzakelijkheid_ daarvan, in één

woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend _gebaar_, van

de scheppende _daad_. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke

zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch

niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend,

als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo

vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer _is: dat niets anders dan de

in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal,

dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent_. En wat nu de werking dier

tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in

betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans

zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en

volmaakt, in de _herleving van dat doode_, èn--hebben gelijk! Want: op

het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem,

hebben zij het _iets van hùn_ [p.106] _eigen menschelijkheid, onbewust,

geleend_, _hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield_.

Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of

onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel

te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds

afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne

citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij

schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der

marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn

aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den

geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al

minstens evenzeer om de vrucht--de literaire critiek--als om den boom,

waaraan zij groeit--de aesthetiek--te doen is, zij het mij vergund ook

in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele

denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit

de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig

resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener

waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel _letterlijk_ citeeren plicht.

En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]

Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle

menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard

afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door

den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als

er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding.

Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme,

de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in

de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen

onbeduidende menschen--zij het geheel objectief of in een tint van

medegevoel of ironie.

[p.107] Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van

den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van _de neiging tot_ het

afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat

tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het

naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is

zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen

van heroïsche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander

slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen

onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot,

die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van

het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun

kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren _die_ er niet geweest,

misschien hadden _zij_ dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna

altijd bij een _nabloei_ hoort, nu van het naturalisme en in andere

tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer

klein--zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te

zijn--hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers,

vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande

grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't

ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen

door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het

burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke

kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook _kunst_ is, kregen

zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij

verder:

Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het

gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te

wekken--dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te

brengen--des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in

haar soort zijn kunst.[4]

De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele

onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap [p.108] van kunst,

ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het

"ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij

ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet

weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat

wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde

zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en

veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar _daarin_

slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn

kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt--hetgeen vrijwel zeker

is--indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan

nog--tweede onjuistheid:--kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van

wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd

uitgaande van de premisse, dat die voorstelling _kunst_ en dus voor haar

verreweg grootste deel _wel_ geslaagd is, zal het gevoel van

neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal

opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk,

dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En

wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal

overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het

schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het

verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.

De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is

onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het

menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van

die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid

het helderst straalt.[5]

Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het

leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en

is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil

hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend

scheppend [p.109] vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het

ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden--gelijk het óók gebeuren

kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het

beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt--dat een socialistisch

kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil

(kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een

bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet

op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroïsme van

zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de

_enge beperktheid_ daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook

nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr.

Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers--van dezulken

moeten wij immers hier toch vooral spreken--van ons land: Querido en

Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun

prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en

zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes

mummelt! Integendeel: het breede en heroïeke is juist in hen, dat zij

zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk

tot leven brengen, en hun _beste_ werk bestaat zelfs _uitsluitend_[6]

uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid

van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die

gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:

De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den

zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het

wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid--is hun (der

burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen

geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De

hoogste bewondering hun gebracht, kan niet [p.110] anders dan de

zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel

betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met

het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk

aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het

levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de

aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar

zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding

der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan,

d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de

proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder

ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open

voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare

oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een

terugstootende ziel.[8]

Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der

dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst

het _zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren_ ten

gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van

't _voorgesteld gebeuren_ uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren,

zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag

rustte of die miste--zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te

rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in

een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen

menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus,

dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd

ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove

miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook

het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet.

Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van

de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding

bewondert, [p.111] verkeert in de positie van iemand, die in de

physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de

kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die

physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die

dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der

socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter

wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik

ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een

onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers

zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het

gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken

... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is

zijn kunst." Zulk werk is dus _kùnst_, is dus _voortreffelijk_, ook in

háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het

levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende

of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij

deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in

een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel

vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel

weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich

afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk

dat kind wèl een edele ziel hebben? _Zou wellicht datgene, wat ìk voor

de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn,_ Zouden wellicht

niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke

grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot

zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot

straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan

zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij

den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te

bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf

daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar

wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige [p.112]

dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't

grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn

niet-verstelselde intuïtie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn

ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of

verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een

voortdurend verband met die intuïtie leeft, dat zij hem, in weerwil van

zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter

waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren

wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn

bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig

nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de

algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°.

dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de

proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze

bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het

algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze

meening aldus geformuleerd en verdedigd:

De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een

bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is.

Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, _het

algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is_, zóó voor den dag

komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde

algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de

Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars

onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te

blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk

van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig

ook nog heeft--_die handelt en zich uit, zooals een levende

superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal

kunnen en moeten spreken en doen._[10]

Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik,

voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie

aan te toonen:

[p.113] Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen

in het verstand voorkomt.

Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het

niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt

allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de

beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en

kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen

worden....[11]

Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften

tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn

eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre

waarheid, van dit, juist door zijn _algemeene eeuwige_

menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken

dood" kunst kunnen maken?....[12]

In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere

verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar

komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een

groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de

platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid,

dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder

menschelijke.[13]

Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een

eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd

en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is,

toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en

onbruikbaar.[14]

Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de

onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de

menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen

(productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder

zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan

zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus

gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna

niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude

voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn

geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik [p.114] reeds

zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid,

die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe

samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de

_gespecialiseerde_ menschelijkheid, een iets geboren uit zoo

vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk

wezen _moet_ en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren

nog ontroert--ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt.

Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig

gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar

rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook

daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.--Maar ook Gorter moest

natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier,

die--des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan

rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van

onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la

cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van _min of meer_

ééuwige natuur te zijn:

De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u

waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle

menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin

dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in

dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een

ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]

Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's

Gorter-karakteristiek:--in een Handelsbladkroniek--dat hem in zijn

_betoogend proza_ altijd een zoo bijzondere _schijnklaarheid_ eigen

is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is _heel eenvoudig_," "biedt

ook u waarschijnlijk _niet de minste moeite_," "de _simpele waarheid_

is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid,

opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering:

dat er "niets is, [p.115] wat door een mensch gevoeld wordt, of een

ander mensch kàn het, _sterker of zwakker_, ook wel voelen"--overigens

een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien--zegt hier niets.

Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden

is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht

heeft, ons onder zekere omstandigheden--die van kunst--_enorm sterk,

enorm fel_ ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid.

Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken

en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf

mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó,

dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen

glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als

een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van

jeùgdig schoon....--En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor

mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij

nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij,

den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat

niet?! Dat zijn die _half of heel vergane_ gevoelens van een lang

verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die

gevoelens--herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?--zij werden gevormd,

bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan

vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar,

dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog

meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.--Intusschen: zelfs in

gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen

en tijdsafstand _niet_ bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat

door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of

zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk

voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de

Maldoror" _aesthetisch_ hebben genoten, is er niet één, die iets van

sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen

kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het

[p.116] lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het

aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.

Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs _gewenscht_ is, de erin

gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er

aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van

sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en

wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in

dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand

wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd

en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men _kunst_genot

noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien

tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid _te sterk_ meevoelden!

Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.

"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij

menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt

omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een

onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten

"Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of

dit speciaal-menschelijke, dit _kleinburgerlijke_ Keesje den

lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En

dat hangt weer af, behalve van _de artistieke kracht_[17] van den

heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren.

Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig

waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat

zij hem vasthouden wilden.

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 23 / 78 题