Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
genomen had--zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
is daar de toon.
Derde stoot:
Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
--en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"--moeten worden
gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
verschijnende, dure [p.11] geïllustreerde en luxe-edities, voor
genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!
De ironie is dubbel en dwars verdiend....
Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
vogels--die van de méésten onzer, moderne kunstenaars--die we zagen
zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs véél....
Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:
.... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12]
worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.
En later:
Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
althans, bijkans verlaten mijn.
Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
gestreden, en mij getooid--laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:
Alle Schuld rächt sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
Scharten's _Krachten der Toekomst_ besprekend, het sterk in deze prees,
dat hij een _keur_ zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
materieel voordeel belust is," alles gebundeld had--de heer Coenen werd
thans door het wrekend Noodlot met dit ééne uit zijne honderdtallen
kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren--òf
dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
gelezen wordenden" Dickens?"
[p.13] Maar ik zou geen mènsch moeten zijn, die altijd door het noodlot
tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzòcht, dat niet lèkker
te weigeren! Ik stel de vraag dus _niet_, doch alleen haar mogelijkheid,
om even te laten gevoelen, dat het maken van _on_heusche gissingen
alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
goed achtend, dit boek iets _beters_ geacht. Maar hier mag dan toch weer
de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, _als bij de
Multatuliaansche Gnomen, _ en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het wàre, blijde
leven.... Hij gaf zijn zièl, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
heeft recht op uw _ziels_weerzin, op uw _ziels_liefde.... De kleine
afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
gevoel zijn véél te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan _niet_.... En hiermede ben ik
meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
_ontleedbaar_, maar _meetbaar_. Straks beschik ik over den maatstaf,
daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
de voortreffelijke _Inleiding_, waarin de schrijver den kultuurstroom
van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat
hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
schrijven, _zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
gevormd verstand_, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
weinig diepgaande historische kennis--daar is waarlijk makkelijk genoeg
aan te komen--maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
den autodidact; den _gedisciplineerden_ geest, in tegenstelling met den
_ongedisciplineerden_. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
_niet breeden_, maar _fijnen_ psychologischen doorgronder en preciesen
weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
waarin Dickens leefde en beroemd werd:
Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
burgers, die carrière willen maken en vóór alles op godsdienst en
fatsoen gesteld zijn.
Ook in het tweede hoofdstuk _Dickens' Jeugd_ zal de lezer dezelfde
eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
derde, _De Pickwickpapers_, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong
vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk _Dickens'
Romanfiguren_ bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
volgende:
Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
Dickens menschen gemaakt.
Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk--meest een zéér goed
geobserveerd en realistisch uiterlijk--van menschen." Deze verklaring
acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?
Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
geheel.
Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk _Dickens'
Ontwikkeling en latere Romans_ is vooral interessant het aangeven der
tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de
fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:
Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo _realistisch _ waar
maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
de feeënwereld of van de Londensche straat.
Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
meer of minder zegt,--in strijd met andere zijner uitingen--dan dat
Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt _Dickens'
Beteekenis voor ons_. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
dáárover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit--als het verheerlijkende
slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
_overzicht_-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat
hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
voortreffelijk vindt geïllustreerd: In de Fortnightly Review van 1
dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
Galsworthy: _Vague Thoughts on Art_. Ik moet U de lezing ten sterkste
aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
wijsgeerig deel volstaan.
Art is that imaginative expression of human energy which through
technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
the individual with the universal, by exciting in him impersonal
emotion.
Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:
If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
unhaunted by any definite practical thought or impulse--to that
extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
put itself there instead, has linked me to the universal by making
me forget the individual in me....
En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist,
welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_,
en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het
is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_
zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant
zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu,
geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst
doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_
springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_,
d.w.z. zij is door ù _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K.
Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over
een grootere schrijft.
Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk
verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations
and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het
zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen.
Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.
Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het
feit, dat--afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een
veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste--het denken van den
Hollandschen criticus _denken blijft_ en dat van den Engelschen bijna
overal zich _plastisch ver-beeldt_, d.i. _kunst_ wordt. Ziehier eerst
één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige
vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener
wijsgeerige gedachte bij Chesterton:
For religion all men are equal, as all pennies are equal, because
the only value in any of them is that they bear the image of the
king.
En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:
(Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden
wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon
opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen
_viel de slag_ van het bankroet, werd vader Dickens in de
Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek
aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in
zijn tiende jaar.
En nu Chesterton:
He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to
make a name, nor did he merely aspire to these things; the great
number of them he also expected. He regarded himself as a child of
good position just about to enter on a life of good luck. He
thought his home and family a very good spring-board or jumping-off
place from which to fling himself to the positions which he desired
to reach. And almost as he was about to spring _the whole structure
broke under him and he and all that belonged to him disappeared
into a darkness far below_.
Dàt is _beelden_. Dat is _innerlijk zien_.--Beide auteurs vinden het
tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit,
ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:
Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den
kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden
mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de
gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.
[p.20] Chesterton voelt 't even diep, máár _ver-beeldt_ tevens zijn diep
gevoel:
Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained
to pray.
Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:
Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van
den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te
beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook
voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie
men geenszins onverschillig aan kan zien.
Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te
waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven
of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de
psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen
open-geweerlicht in dit:
The modern "Shocker" at its very best is an _interlude in life._
But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people
talked _as if real life were itself the interlude between one issue
of "Pickwick" and another_.
Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de
_Christmas-Tales_ hebben:
Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als
doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen
het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige
rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van
hulsttakken ruikt.
En droomt ge u comfortabel weg in de _zeer geslaagde_ stemmingsweergave
van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in
de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:
... his Christmas sentiment. It has cosiness, _that is the comfort
that depends upon a discomfort surrounding it_. It has a sympathy
with the poor, and especially with the entravagance of the poor;
with what may be called the temporary wealth of the poor. It has
the sentiment of the hearth, that is _the sentiment of the open
fire being the red heart of the room_. That open fire is the
veritable flame of England, _still kept burning in the midst of a
mean civilisation of stoves_.
[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den _fog_, door Coenen
als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft
Chesterton aanleiding tot deze m.i. _allerprachtigste_ fantasie:
... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a
real significance. We have in our great cities abolished the clean
and sane darkness of the country. _We have outlawed night and sent
her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires
against her return_. We have made a new cosmos, and as a
consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and
most justly, we have made our own darkness. _Just as every lamp is
a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall._ If it
were not for this mystic accident we should never see darkness, and
he who has never seen darkness has never seen the sun.
Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik
materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze
_beiden te lezen_. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die
beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het
werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord
hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze
waarheid gevoeld.)
This life of grey studies and half tones, the absence of which you
regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of
heroes and villains is life _as it is lived_. The life a man knows
best is exactly the life he finds most full of fierce certainties
and battles between good and ill--_his own_. O yes, the life we do
not care about may easily be a psychological comedy. Other people's
lives may easily be human documents. But a man's own life is always
a melodrama.
Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het
paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel
wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden
boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat
hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver
verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens
beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap,
[p.22] zich niet het _il a les défauts de ses qualités_ te binnen bracht,
en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend
knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was
omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken
kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht
vinden--hij vergeet dat ik het alibi van.... den _kunstenaar_ Coenen
bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb _kunnen_ bejegenen: hij was
niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den
_kunstgevoelige_....
Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben,
noem ik de _Nineteenth Century_ met _Charles Dickens_ by Darrell Figgis;
_Elsevier's Maandschrift_, waarin, nevens het reeds behandelde
Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel _De oudste prenten voor
Dickens_ gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens
van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de
hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een
wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:
Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den
koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den
man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan
denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel
kwaads uitbroedde.... enz.
Dezelfde vangt in _De Ploeg_ een rijk geïllustreerd artikel over
_Dickens en zijn voornaamste illustratoren_ aan, dat in Maart vervolgd
zal worden.--Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter
hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen
hebben, onbesproken uit--collegiale égards: naast een Onsterfelijke
schijnen de levenden dood....--