Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur äusserst
wenige, welche über _die Dinge selbst_ denken: die übrigen denken
bloss über _Bücher_, über das von Andern Gesagte. Sie bedürfen
nämlich, um zu denken, der nähern und stärkern Anregung durch
fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
_die Dinge selbst_ zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.
_Schopenhauer_.
Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idée, welke een mensch kan
hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze--ik vermoed in
Werther-houdingen--met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, vóór ik
hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
ben--er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren--voel ik een
ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
onthullingen, 'n chronique ... litéraire--haha, dat gaat alweer uw neus
voorbij, m'n waarde lezer!--ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens,
overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
décadent lettré èn l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
welke--afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
lichaam experimenteeren!--mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
wapen op mij-zelf te beproeven, vóór er mijne slachtoffers mee te
kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
--bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zóó'n gezicht!....
Maar wàt was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
noopt mij ertoe, want: _indien_ Schopenhauer gelijk heeft--en ik twijfel
daaraan niet!--dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
bepiekeren--want òns geschrijf over boeken, dat is een tè mágere erfenis
... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...--en de
resultaten daarvan te _boekstaven_, vóóral! Eéne behoorlijk uitgeplozen
en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
Terwijl de gróóte schrijvers van dezen tijd, o, dàt ìs niet te zeggen
... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
sterven, dat aan hun "eêlste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht--'t geen in de
jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild--en pondsgewijze
waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf
af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
Want _by Jove_, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
paragraaf. Dat is ordelijker.
De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
uitstekend artikel in _Elzeviers' Maandschrift_ te schrijven over Frans
Coenen's _Charles Dickens en de Romantiek._ Betreurenswaardig: want waar
blijf ìk nou, mèt al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons--gelijk het Dickens deed
in zijn tijd--; het dráágt ons, wij leven erùit, wij leven
erméde--gelijk Dickens in zijn tijd--; het rukt onze werken uit de
handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lézen, te
lézen--gelijk bij Dickens in zijn tijd--; daar zit ik nu, onder mijn
medegelukkigen ... laat mìj dien armen klassieke, die bijna niet meer
gelezen wordt--is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?--eens een beetje in de hoogte
werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
gedaan, èn laat mij 't doen naar aanleiding van dièns werkje. Dan kan ik
ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
sla ik _Elsevier_ open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
Robbers....
Maar kòm! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang--weg nu met die
verduivelde scherts--sarcasme _is_ verduivelde scherts--en in ernst: de
heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
Robbers eersten stoot:
Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
loupe in de hand, zijn opgetogenheid over détails, zoowel als zijn
misprijzen--op delikaten schertstoon--van de brute ruwheid der
hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....