HOOFDSTUK IV.

Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten

in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de

aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht

bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het

kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek

stond weer Swanwitha en staarde, staarde....

Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend

was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke

blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn

zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer

verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De

poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde,

zacht fluisterden haar lippen:

„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop....

Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan

hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem

doen, niets!”....

Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog

haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte

rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan

haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te

vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den

gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die

zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster.

En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte

gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke

bloesems -- nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn

klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend

maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar

eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag,

die hem werd gereikt.

[Afbeelding]

„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd

volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van

den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij

hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn

zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der

blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin

als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken

als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar

lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den

teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig

sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den

paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het

hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik

hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf

een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de

hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den

welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem,

zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker

van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde

bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.

Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en

den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde,

doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden

getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche

leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun

sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot

onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een

toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.

Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr

Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk

bood:

„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw

vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw

drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”

Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het

hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht,

volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende

vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid

der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het

uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den

Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als

reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog.

Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het

everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de

behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het

kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem

vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den

Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich

slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de

woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven

zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als

welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn

halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre

verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke

slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun

toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en

strijd.

Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het

landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het

rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als

eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die

rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat

neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang

der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige

metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte

vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een

toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?

De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord

van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere

stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking

verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van

gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel,

ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder

haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de

hand op, -- het scheen een waarschuwing:

„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht,

treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”

De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele

saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:

„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder

schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”

Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het

hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:

„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en

onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de

geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat

wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt

mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal

brengen ligt besloten in het heden.”

Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze

woorden.

Bijna plechtig ging hij voort:

„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins

tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in

mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den

Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs

Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele

honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn

boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en

wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze

drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg.

Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de

stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land.

Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een

nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking

en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd,

heeft onze inval kans van slagen?”

Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of

zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:

„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt

mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de

sterkste stad van dit land.”

Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:

„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn

grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het

heil te deelen der helden in Odins hal.

Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar

van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf

Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen

ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van

onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een

dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt,

behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den

godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal

heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van

dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed

schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken

opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:

„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor

Thor en Odin!”

Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit

dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van

Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent

van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen

eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en

ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:

„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij

genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen

ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in

het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld

gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis

slaan in stede van een hamerteeken!”

En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn

verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan

ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn

en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een

Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een

erfgoed te verwerven en gezag:

„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd

tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te

dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte,

daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte

sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien

zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den

glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel,

Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:

„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen

menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den

eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”

Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De

bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven

woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar

werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht

geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte

aan”....

„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van

licht stralend Walhalla.”

„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij

leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis

niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van

menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper

der menschen aanbad?

Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in

herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had

opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud,

nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:

„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van

ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht

van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der

Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen,

psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd

waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige

paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode.

Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden,

esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode,

maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje

bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak,

of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met

veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door

priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag

wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de

schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....

De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.

Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot

stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner

harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der

menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven,

maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen

hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan

mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan

mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar

eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele

Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend

drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een

nieuw rijk te stichten.

Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te

herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij

volgen hun voorbeeld.”

Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf

Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in

Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich

ongetwijfeld op de vloot?”

Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat

Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn

voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako,

was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon

beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te

offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door

zijn eigen volk omgebracht.”

De blik van Rolfr Jarl gloeide:

„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen

vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en

onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen

weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”

„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een

hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland,

laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon

heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten

dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven

heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems.

Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed

werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar

Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild

schittert.”

De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk

de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun

heer.”

In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet

de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander

volgende woorden dezelfde was.

Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer,

zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en

tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de

macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn

erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer

der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den

wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als

gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer.

Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins

hal: ik werd geen afvallige.”

Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge

voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het

leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.

„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.

„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen,

die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te

gast genood aan boord van mijn drakenschip.”

„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij

adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was

als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.

De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en

rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf,

de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem,

doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel

beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.

Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn

gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit

moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de

verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht,

eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt

pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: --

„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders.

Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der

steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan

van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen

bode bericht:

„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide

zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte

van den Ravenhorst: „Hierheen!”....

Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn

getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een

jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf

zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug,

mits nà de zege.”

Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer

gedacht aan die belofte van den Jarl.

Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee

te maken als volwassen man.

Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst

van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn

vlammende strijdzangen.

Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn

helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.

„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”

„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”

Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds

zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen

te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn

tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit

de macht van hebzuchtige verwanten.

„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een

plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr

Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen,

en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem

vergaten.

„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft

toonen is groot,” dacht de Jarl.

Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd

getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen

hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou

het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.

„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich

richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de

gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de

noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn

plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger

vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht

vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn

toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij

besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte

overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven.

[3] Het tegenwoordige Amersfoort.

Toen de duisternis dreigde... · 第 9 / 38 题