Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten
in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de
aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht
bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het
kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek
stond weer Swanwitha en staarde, staarde....
Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend
was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke
blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn
zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer
verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De
poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde,
zacht fluisterden haar lippen:
„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop....
Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan
hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem
doen, niets!”....
Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog
haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte
rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan
haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te
vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den
gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die
zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster.
En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte
gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke
bloesems -- nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn
klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend
maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar
eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag,
die hem werd gereikt.
[Afbeelding]
„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd
volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van
den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij
hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn
zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der
blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin
als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken
als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar
lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den
teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig
sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den
paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het
hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik
hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf
een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de
hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den
welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem,
zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker
van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde
bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.
Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en
den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde,
doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden
getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche
leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun
sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot
onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een
toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.
Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr
Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk
bood:
„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw
vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw
drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”
Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het
hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht,
volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende
vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid
der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het
uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den
Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als
reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog.
Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het
everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de
behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het
kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem
vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den
Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich
slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de
woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven
zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als
welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn
halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre
verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke
slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun
toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en
strijd.
Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het
landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het
rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als
eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die
rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat
neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang
der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige
metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte
vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een
toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?
De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord
van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere
stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking
verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van
gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel,
ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder
haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de
hand op, -- het scheen een waarschuwing:
„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht,
treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”
De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele
saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:
„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder
schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”
Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het
hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:
„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en
onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de
geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat
wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt
mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal
brengen ligt besloten in het heden.”
Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze
woorden.
Bijna plechtig ging hij voort:
„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins
tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in
mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den
Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs
Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele
honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn
boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en
wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze
drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg.
Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de
stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land.
Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een
nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking
en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd,
heeft onze inval kans van slagen?”
Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of
zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:
„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt
mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de
sterkste stad van dit land.”
Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:
„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn
grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het
heil te deelen der helden in Odins hal.
Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar
van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf
Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen
ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van
onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een
dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt,
behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den
godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal
heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van
dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed
schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken
opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:
„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor
Thor en Odin!”
Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit
dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van
Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent
van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen
eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en
ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:
„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij
genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen
ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in
het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld
gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis
slaan in stede van een hamerteeken!”
En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn
verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan
ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn
en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een
Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een
erfgoed te verwerven en gezag:
„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd
tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te
dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte,
daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte
sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien
zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den
glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel,
Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:
„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen
menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den
eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”
Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De
bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven
woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar
werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht
geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte
aan”....
„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van
licht stralend Walhalla.”
„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij
leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis
niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van
menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper
der menschen aanbad?
Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in
herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had
opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud,
nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:
„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van
ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht
van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der
Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen,
psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd
waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige
paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode.
Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden,
esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode,
maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje
bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak,
of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met
veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door
priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag
wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de
schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....
De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.
Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot
stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner
harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der
menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven,
maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen
hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan
mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan
mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar
eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele
Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend
drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een
nieuw rijk te stichten.
Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te
herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij
volgen hun voorbeeld.”
Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf
Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in
Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich
ongetwijfeld op de vloot?”
Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat
Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn
voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako,
was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon
beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te
offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door
zijn eigen volk omgebracht.”
De blik van Rolfr Jarl gloeide:
„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen
vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en
onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen
weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”
„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een
hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland,
laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon
heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten
dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven
heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems.
Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed
werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar
Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild
schittert.”
De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk
de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun
heer.”
In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet
de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander
volgende woorden dezelfde was.
Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer,
zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en
tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de
macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn
erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer
der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den
wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als
gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer.
Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins
hal: ik werd geen afvallige.”
Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge
voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het
leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.
„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.
„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen,
die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te
gast genood aan boord van mijn drakenschip.”
„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij
adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was
als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.
De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en
rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf,
de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem,
doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel
beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.
Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn
gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit
moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de
verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht,
eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt
pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: --
„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders.
Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der
steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan
van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen
bode bericht:
„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide
zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte
van den Ravenhorst: „Hierheen!”....
Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn
getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een
jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf
zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug,
mits nà de zege.”
Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer
gedacht aan die belofte van den Jarl.
Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee
te maken als volwassen man.
Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst
van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn
vlammende strijdzangen.
Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn
helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.
„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”
„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”
Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds
zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen
te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn
tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit
de macht van hebzuchtige verwanten.
„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een
plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr
Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen,
en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem
vergaten.
„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft
toonen is groot,” dacht de Jarl.
Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd
getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen
hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou
het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.
„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich
richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de
gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de
noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn
plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger
vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht
vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn
toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij
besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte
overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven.
[3] Het tegenwoordige Amersfoort.