De laatste, teere lichtstrepen van het avondrood waren geheel
uitgewischt; aan het donkere uitspansel schitterden de sterren.
In haar klein vertrek was Swanwitha alleen. Zij stond op de in den muur
vastgeklonken bank bij het eenige venster -- op deze wijze alleen kon
zij een blik naar buiten werpen -- en zag naar de sterren, zonder ze te
zien. In de diepte lag het lage hof als een zwart vlak, alleen de
fakkels in de hooge hal ontstoken wierpen een rossen schijn over de
verwaarloosde leemen nevengebouwen. Aan hun ketting huilden de honden,
met dof gebrul antwoordde de beer, op de brug klonk hoefgetrappel. Wat
beduidde dat nog zoo laat?
De brug werd reeds opgehaald voor den nacht toen zij met haar grootvader
terugkeerde. Haar lippen beefden. Nu wist zij zonder te zien... Zij wist
wien de bleeke trekken behoorden, wie als gevangene werd gevoerd in het
huis, dat ook haar woning was. De roode fakkelschijn uit de zaal viel
op zijn gelaat, bloed kleefde aan zijn haren, zij zag zijn geknevelde
handen. Zij wist het.
Zij hief de armen omhoog als smeekte zij een teeken uit den hooge:
„Kan dat de wil van Odin zijn? Luidt niet zijn bevel: „Verheug u niet
over het ongeluk van uw vijand; kastijd niet, wie zwakker is dan gij
zelf.”
En toen zacht, héél zacht: „Hebt uwe vijanden lief,” gebiedt de leer der
christenen. O, wat is waarheid, wie zegt het mij, wie, wiè?”
Onbeantwoord bleef haar vraag door menschenlippen, maar aan den donkeren
hemel verhaalden de sterren in vlammend schrift van Hem, Die de werelden
schiep en regeert, van Wien alle volmaakte giften afdalen, omdat Hij
zelf is de Volmaakte liefde.
Swanwitha streek zich over de oogen, haar hand beefde, onrustig klopte
haar hart. Wat was hiervan de oorzaak? Zij vroeg het aarzelend, en
durfde zich zelve haar gedachten bijna niet bekennen. Maar er zijn
oogenblikken in ieder leven, waarin de macht van het verleden, dat in
herinnering leeft, waarin zelfs de kracht der gewoonte moet wijken voor
nieuwe invloeden.
Wanneer had die nieuwe invloed zich laten gelden in haar leven? Wanneer?
Was het op dien schoonen klaren dag, toen de lentezon straalde over de
wijde heide, de harsachtige knoppen der dennen zwollen en witte wolken
zeilden langs het azuur der lucht? Zij dwaalde door woud en veld, gelijk
zij zoo gaarne, zoo vaak deed als het haar vergund werd. Haar klein
gevolg had zij teruggezonden, nu reed zij langzaam langs den oever van
de Eem. Plotseling deed haar paard verschrikt een zijsprong. Had een
adder het gestoken? Bruin en lenig kronkelde er een over het pad en
verdween tusschen de dorre bladeren. Maar het paard luisterde naar stem
noch teugel meer, voort rende het in woeste vaart, zij klemde zich vast
aan zijn manen, spannend, overspannend haar kracht. De oude boomen, die
zoo menigmaal haar helderen lach hadden weerkaatst, hoorden nu haar
hulpgeroep. Tevergeefs. Geen arbeiders waren op het veld, eenzaam was de
woudweg, waar de zonneschijn met gouden gloed trilde op de bemoste
stammen. Rustig stroomde de rivier verder, geen visscher kliefde met
zijn boot den stroom, geen zeil klapperde op den wind. Zou de breede weg
der wateren haar worden ten zwijgend graf? Want verlaten bleef geheel de
omtrek, alleen ging zij het vreeselijk einde tegen, dat niet uit kon
blijven na den wilden ren.
Niet meer. Een vaste hand greep den teugel, dwong het hijgende paard tot
stilstaan. Hield de korte worsteling tusschen dierlijke en zedelijke
kracht, die zij mee doorleefde, niet een angst in, meer dan menig leven
droeg?
Want temde niet het meest zijn blik, de moedige, zelfbewuste blik, die
ook het roofdier der wouden in bedwang houdt, het wilde verzet van het
steigerende ros?
Hij hield het strak aan den teugel, zag het recht in de oogen, dwong
het tot stilstaan met trillende flanken en tusschen de tanden vlokkig
schuim.
„Stijg af,” klonk nu zijn stem tot Swanwitha. „Gij hebt u flink
vastgehouden, een val zou misschien uw dood zijn geweest; kom nu.”
Zij zette gehoorzaam haar in een laag, rood schoentje gestoken voetje op
zijn hand en liet zich door hem dragen, meer dan zij ging, naar een
kleine heidehoogte. Hier liet hij haar geheel tot zich zelve komen --
het paard stond reeds gebonden aan een boom -- zwijgend zat hij naast
haar, maar de lentewind bruiste zijn jubelzang boven beider hoofd. Hij
droeg nieuw leven aan en kuste in de akkers de zaadkiemen wakker, die
gesluimerd hadden lang, heel lang, schijnbaar verstijfd in den ijzigen
greep van den winter. Zou de zonnegloed ze kunnen wekken tot nieuw
leven? Liefde verwint....
„Zoudt gij nu mee kunnen gaan?” vroeg hij eindelijk. „Gij kent mij toch?
Ik ben Unruoch, de pleegzoon van... een der pleegkinderen mag ik wel
zeggen, van bisschop Ansfried.”
Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen. Vriendelijk rustte zijn
heldere blik op haar gelaat, zijn breed voorhoofd was kloek gevormd,
edel van lijn zijn mond... „Ik weet, dat.... dat bisschop Ansfried alle
armen en ongelukkigen, die tot hem komen een tehuis schenkt, bovenal
kinderen, die van hun ouders zijn beroofd door de invallen der
Noormannen,” sprak zij zacht, om er toen haastig op te laten volgen: „En
ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl.” Haar blik gleed door de bruine
takken der boomen. Hoog en plomp rees in het verschiet de Ravenhorst;
als een steenen reus teekende zich de grauwe toren af tegen het blauw
der lentelucht, overmachtig, geheel den omtrek beheerschend, kil en
koud.
Het was als onttrok Unruoch zich met geweld aan zijn gedachten. Had ook
hij de fluisterstemmen verstaan der ontwakende natuur, die meer
verhaalden dan van lenteweelde en bloesempracht alleen?
„Ik begrijp wat gij meent, maar bisschop Ansfried zal u daarom even
welwillend bejegenen. Zijn godsdienst leert: „Hebt uwe vijanden lief.”
Doch ook zonder dat zou hij u niets verwijten. Gij kunt immers niet
helpen wat hier geschiedt of reeds is gebeurd.”
„Siva, mijn voedster, zegt, dat hier vroeger allen reeds christenen
waren,” hernam zij beschroomd. „Maar door de invallen der Denen hebben
velen zich weer afgewend van een godsdienst, die hun was opgedrongen
door de overmacht der Frankische keizers.”
„Het is geen zwaar verlies voor de christenkerk, dat zij nu leden mist,
die haar leer aannamen alleen met de lippen; wel dat velen haar
verlieten uit vrees voor uw -- voor de macht der Noormannen. Maar kom
nu. Gij hebt iets noodig na den doorgestanen schrik en bisschop Ansfried
kent menig goed geneesmiddel.”
Zij stond op en volgde hem in groot vertrouwen. Wanneer een verwante
van den bisschop den Ravenhorst was binnengegaan, zou die haar ten
kerker zijn geworden, dat wist zij. Toch volgde zij, zonder aarzelen of
vragen den onbekende, die haar voerde naar het „broederhuis” op den
Hohorst. Daar hield thans bisschop Ansfried verblijf, wiens leven haar
grootvader bedreigde, schier brak, door zijn geheime en openlijke
vijandschap. Had hij dit leven reeds vroeger geknakt? Zij wist het niet,
zij volgde Unruoch en een wonder gevoel doortrilde haar hart. O, als hij
haar hand in de zijne had genomen, had gezegd:
„Ga met mij, voor altijd. Laat alles achter wat gij bezit en, dat toch
uw hart koud laat. Want, kleindochter van den machtigen Rolfr Jarl,
erfgename van zijn bezittingen, gij bezit niets. ’s Levens hoogste goed
werd u onthouden, niemand heeft u lief,” -- dan zou zij hem gevolgd zijn
tot het einde der aarde, in onbegrensd vertrouwen, in vast geloof aan
zijn trouw.
„Nieuw leven,” verkondigde het suizen van den wind, het lachend
lente-zonnegoud, nieuw leven....
En, zonder iets te vragen, had de bisschop haar van zijn krachtige
medicijnen gegeven, haar verzorgd als een vader zijn kind. Schuw had zij
opgezien tot zijn eerwaardig, door zilveren lokken omlijst gelaat.
„Ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl”.... Een schuchtere blik had haar
woorden aangevuld. Toen had hij geglimlacht, o, zoo droevig en zacht.
Het was of zijn trekken werden bewogen door herinneringen aan geleden,
nooit geheelde smart, aan vervlogen, nooit vergoed geluk. Tranen
sprongen haar in de oogen. En toen had hij haar verhaald van den
barmhartigen Samaritaan, die niet zwijgend voorbijging, bij leed en
nood, zooals de priester en de Leviet. Het klonk haar even edel en goed
toe als Unruochs woord: „Hebt uwe vijanden lief.”
Hamerslagen braken de stilte af, die volgde op de woorden van den
bisschop. „Als mijn kerk wordt ingewijd op den Hohorst, moet gij ook
komen,” hernam hij toen. „Dan zult gij hooren van den Goeden Herder, Die
ook Zijn afgedwaalde schapen niet vergeet. Ook gij zijt Hem dierbaar,
Swanwitha! Ook u wil Hij een plaats geven in Zijn eeuwig huis.”
Wat klonk dat alles vreemd! De vrouwen gingen immers allen, zonder
onderscheid, naar Hela, Nevelheims bleeke godin. Voor hen stond geen
Walhalla open, gelijk voor de hooggehelmde helden, die sneuvelden in den
slag, en door de schildmaagden werden gevoerd in Odins zaal -- Wodan
werd hij genoemd bij Friezen en Franken -- om daar, gewekt tot nieuw
leven -- te kampen om den overwinningsprijs, om juichend, in den roes
der zegepraal, gerstebier te drinken uit de schedels hunner verslagen
vijanden.... Zoo luidde de leer der Noormannen. En toen dacht zij aan
haar moeder; herinneringen kwamen, en wat zij nu gehoord had was haar
niet meer onbekend, schoon haast vergeten. Maar opnieuw had de stem
geklonken van den bisschop, zulk een ernstige tot het hart doordringende
stem! Het was haar of onzichtbare handen gouden harpen sloegen, toen hij
sprak langzaam en plechtig: „Ik heb lief, die Mij liefhebben en die Mij
vroeg zoeken, zullen Mij vinden.”
„Denk aan die woorden, mijn kind, vergeet ze nooit en als gij ooit in
zorg of lijden verkeert, kom dan hier en zoover menschelijke macht
reikt, zal ik u helpen.”
Lang vergeten beelden kwamen en gingen bij die woorden; weer verrezen de
herinneringen uit haar vroegste jeugd. Woorden vol licht en geloof
wierpen hun glans over het heden vol twijfel en vergetelheid....
Dit was nu reeds verscheidene weken geleden en thans zou hij zelf in
zorg en lijden verkeeren, de grijsaard, dien honderden hoog vereerden en
liefhadden, doch dien haar grootvader vervolgde en haatte.
Nu werd Unruoch, zijn lieveling, gebracht, als gevangene gebracht, naar
de diepe, donkere kerkers van haar huis, die nooit hun slachtoffers
teruggaven, nooit meer.
„Hebt uwe vijanden lief,” gebood de leer der christenen en de aanhangers
van Odin oefenden wraak aan schuldeloozen.
Onrustig, gejaagd, bestormd door gedachten, die zij zich nauwelijks
durfde bekennen, ging Swanwitha op en neer in haar klein vertrek. De
eenzaamheid was om haar, alleen twee angstige oogen zagen haar aan uit
een door leed en zorg vertrokken gezichtje, toen zij bij toeval een blik
wierp in den staanden, blinkend gepolijsten spiegel. Wat was
gevoelloozer, dit staal of de harten der menschen? Snikkend zonk zij
neer bij haar smal bed en drukte het gloeiend voorhoofd in het
hertevel, dat tot dekkleed diende. Krampachtig woelde zij met de handen
door het golvende haar, de gouden voorhoofdband raakte los, die de
lange, glinsterende lokken bijeen hield, over den vloer rolde hij met
zacht gerinkel. Ach, wat baatte haar dat blinkend goud, wat haar
gordelband versierd met purperen robijnen, wat de spangen en armringen,
die zij bewaarde in het kleine, zilveren kistje, dat eens haar moeder
had behoord? Zij kon er Unruoch de vrijheid niet door hergeven.
Lijfdienaars en eigenhoorigen stonden op den Ravenhorst in strenge
tucht; niemand zou wagen den gevangene van hun heer te helpen
ontvluchten. En toch, iets moest gedaan worden, iets. Dieper begroef
Swanwitha het gelaat in de blanke armen. Schier vergeten woorden, eens
opgevangen van de lippen harer moeder, fluisterde haar mond. Het klonk
als een gebed.
Siva kwam. Melk en brood bracht zij voor haar pleegkind, de kleindochter
van den burchtheer, die was weggezonden uit zijn hal, in het bijzijn van
eigenhoorigen.
In het licht der ontstoken kienspaan, door Siva bevestigd in een kram
aan den muur, fonkelden de robijnen van Swanwitha’s gordelband. Groote
bloeddruppelen schenen zij en het was haar of ook haar bloed zou
wegvloeien, warm, rood hartebloed. En weer fluisterde zij het woord,
eens van haar moeder geleerd: „Zalig zijn zij die treuren, want zij
zullen vertroost worden”....
O, wie zou háár kunnen troosten, wie?
Ook dat woord was een van de spreuken der christenen. Haar moeder had
hun geloof gedeeld, ach, waarom was zij zoo vroeg gestorven? Nu was haar
kind in strenge afzondering opgegroeid op den Ravenhorst, onder het oog
eener grootmoeder, die in ’t geheim tot Odin en Frigga haar gebeden
richtte, bewaakt door Rolfr Jarl wiens levensdroom was iederen Viking,
die met zijn gezellen zijn Noorsch vaderland ontvluchtte, omdat ook daar
het christendom ingang begon te vinden, een nieuw erfland te schenken
waar de reizangen zouden klinken Odin ter eer en het beeld van Thor, den
Geweldige, zou prijken in tempels en heilige wouden.