De landbouw is niet de eenige tak van bedrijf der familie Botros. De

betrekkingen met Europeanen, door den stichter der familie aangeknoopt,

deden denkbeelden bij hem ontstaan, waarvoor hij in Opper-Egypte geen

ingang kon vinden; hij deelde deze niet aan al zijne kinderen mede;

maar slechts aan één van hen, die bestemd was eenmaal het hoofd

van den stam te worden. Deze zoon droeg den naam Abd el Sjahid,

't geen beteekent Dienaar van den Martelaar. Ik heb hem dikwijls

zelf hooren vertellen, dat zijn vader hem zooveel mogelijk met

Europeanen in aanraking bracht; vooral met Franschen, die toen zeer

bepaald den grootsten invloed uitoefenden in het Nijldal, en hoe hij

als jongmensch van lieverlede doordrongen werd van onze denkbeelden

en onze taal leerde kennen, waarin hij zich met het grootste gemak

wist uit te drukken. Zijn vader had hem eerst naar Kaïro gezonden,

waar hij een goede opvoeding kreeg, en toen hij naar de provincie was

teruggekeerd, trad hij natuurlijk als de tolk op, die zijn vader in

zijn handelsbetrekkingen met Europeanen ter zijde stond. Zoodoende

kwam hij op de hoogte van de handelszaken zijner familie, die zich

bij hun toenemenden rijkdom steeds meer uitbreidden.

Met de behendigheid van den Oosterling, voor wien geen scrupules

bestaan, doch steeds zorgend zekere grenzen niet te overschrijden,

zijn voordeel doende met gebruiken, die sedert onheugelijke tijden in

zijn land waren ingeworteld, met de aangeboren gave van den genialen

handelsman om thuis te geraken in de geringste bijzonderheden van

administratief beheer, had hij langzamerhand in zijn familie een

natuurlijk overwicht verkregen, en hoewel hij niet de oudste was,--het

eerstgeboorterecht wordt in Egypte, als in alle oostersche landen,

gehuldigd,--was hij toch inderdaad het hoofd van den stam, en zijn

broeders vroegen hem in alle omstandigheden eerbiedig om raad.

Met zijn rijkdom steeg ook zijn populariteit, hij werd door

het district Balianâ gekozen tot lid van die beroemde kamer van

afgevaardigden, van welke het gouvernement nooit een woord heeft

behoeven te vernemen, dat van oppositiegeest getuigde. Zijne politieke

loopbaan bracht hem geen ander voordeel aan, dan de kennismaking met

al de voornaamste ingezetenen van Egypte, 't geen hem uitstekend te

pas kwam. Later kreeg hij den titel van bey, en die titel, zooals

die van geleerde in China, verschafte hem ook officieel den voorrang

boven zijn broeders, dien hij zich inderdaad reeds had verworven. Hij

vestigde zich metterwoon te Balianâ, reeds vervuld van toekomstplannen

aangaande de verbeteringen, die hij wilde aanbrengen in het beheer

der familiebezittingen. Hij begon met naar het voorbeeld der fransche

molens, opgericht door de firma Darblay, een kleinen stoomkorenmolen

te laten bouwen, waar bijna alle welgestelde lieden uit den omtrek

hun koren lieten malen; hierbij afstand doende van het oude gebruik,

waarbij de vrouwen te huis het meel bereidden. Zelfs van een afstand

van vier mijlen komen lieden met koren of dourah (sorgho) en nemen

het gemalen meel mede terug.

Daar hij zag, hoe de vice-koning van Egypte, Ismail, de cultuur

van suikerriet in Opper-Egypte trachtte te bevorderen, en in de

voornaamste plaatsen van het land fabrieken liet oprichten, vroeg

hij zichzelf af, waarom ook hij niet op den grond van zijn familie,

al die duizenden feddans, (50 aren) welke geschikt zouden zijn om er

het kostbare riet op te kweeken, evengoed eene kleine suikerfabriek zou

laten bouwen. Dit plan bracht hij ten uitvoer; fransche fabrikanten

leverden hem zijne materialen, en het toezicht droeg hij op aan een

franschen opzichter, die nog steeds de fabriek bestuurt. De zaak

bloeide en weldra moesten nieuwe werktuigen worden aangeschaft,

daar het oude materiaal ouderwetsch was geworden, nu de jongste

ontdekkingen ook daaraan hoogere eischen stelden.

De bouw dezer fabriek had de oprichting ten gevolge van verschillende

andere inrichtingen ten behoeve der uitgebreide cultuur.

Een groote stoompomp bracht het water uit de rivier naar de

verschillende deelen van het gebouw, en diende tot besproeiing

van de naburige akkers; een kleine spoorweg werd aangelegd om het

suikerriet naar de fabriek te vervoeren, en alles ging uitstekend,

al waren de eenvoudige fellahwerklieden dikwijls verbaasd over hun

eigen bekwaamheid, en al lachten zij luidkeels, omdat zij zooveel

knapper waren, dan zij zelf hadden geweten.

Ook een inrichting bleek noodig, waar gebreken aan de machinerie konden

worden hersteld, opdat men in geval van nood hierin kon voorzien,

zonder daarvoor iemand te laten komen uit Kaïro, Alexandrië of de

naburige groote fabrieken van La Daïrah Sanieh. Wel is waar was de

fabriek slechts klein; maar zij getuigde van den ondernemingsgeest

van Abd el Sjahid, den eenigen man in Egypte, die het voorbeeld van

den vice-koning had durven volgen. Zij bracht haar eigenaar groote

winsten aan, temeer daar hij den arbeid bijna uitsluitend door zijn

eigen dienaren kon laten verrichten.

Maar al had de fabriek hem slechts weinig voordeel aangebracht,

wie zou durven ontkennen, dat hij die haar oprichtte en zijn leven

lang bestuurde, zich hierdoor reeds verdienstelijk heeft gemaakt,

dat hij den vooruitgang hielp bevorderen?

Vergeleken bij de prachtige electrische fabriek van Nagá Hammady was

zijn kleine inrichting onbeteekenend, en toch had de laatste tot het

bouwen der eerste den weg gebaand.

Om het zoover te brengen, werd veel moeite en geduld vereischt;

al begreep hij nog zoo goed van hoeveel gewicht de oprichting eener

goed werkende fabriek zou zijn, en hoezeer het belang zijner familie

daarbij zou worden gebaat, zijn omgeving bezat niet zooveel doorzicht,

en dikwijls achtte de familie het onnoodig zooveel geld te besteden,

terwijl men evengoed kon blijven bij het oude en zich vergenoegen

met hetgeen men reeds bezat.

Somtijds moest hij met geweld zijn wil doorzetten, en zoo getroostte

hij zich ook, persoonlijk de studiën te bekostigen van zijn neven,

die hij naar Frankrijk zond, om hen in staat te stellen later het

opzicht over de fabriek op zich te kunnen nemen, alsof hij gevoelde,

dat hij niet lang meer had te leven, en dat na zijn dood eene bekwame

hand noodig zou zijn om het door hem begonnen werk met goed gevolg

voort te zetten. Gedurende den opstand van Arabi Pacha, in 1881 en

82, dreigde hem het gevaar, al wat hij reeds verkregen had weder te

moeten verliezen.

Aangespoord door den fortuinzoeker, die ten slotte zijn land aan

vreemdelingen verkocht en verraden heeft, was geheel Egypte opgestaan

bij den kreet: Egypte aan de Egyptenaren! Al degenen, die in een

opstand slechts een gunstige gelegenheid zien, om in troebel water te

visschen; al wie gaarne hooge betrekkingen zouden bekleeden, zonder de

daaraan verbonden plichten na te komen; kortom ieder, die liefst veel

geld zou winnen, zonder zich de moeite te geven, het te verdienen;

met andere woorden, het geheele volk van Egypte, geloofde dat het

gunstige oogenblik was aangebroken om de vreemdelingen te verdrijven,

die ruime belooning genoten, omdat zij groote diensten bewezen, en

zich in hun plaats te dringen. Men handelde blindelings, zonder te

denken aan de gevolgen; en aangevuurd door de opgewonden prediking

der vrome sjeiks, werd geheel Egypte aangegrepen door een vlaag van

heftig fanatisme en gevoelde krachten in zich ontluiken, die het reeds

uitgestorven waande. Toen de verwarring ten toppunt was gestegen en men

zon op maatregelen ter onderdrukking van den opstand, werd de heilige

oorlog uitgeroepen, en daar voor het voeren van een oorlog, al is deze

heilig, veel geld noodig is in onze dagen, moesten de Egyptenaren op

hoog bevel aan het gouvernement een gedeelte van hun fortuin afstaan,

om de onkosten van dezen nieuwerwetschen kruistocht te bestrijden.

De algemeene zenuwachtige opwinding uitte zich gedeeltelijk in een

vijandige houding jegens de honden van ongeloovigen, en afgunstige

lieden, als altijd groot in aantal, zetten het laagste gepeupel op,

om de Christenen van hun eigendom te berooven. De familie Botros zou

het natuurlijk in de eerste plaats moeten ontgelden; zij was rijk en

aanzienlijk, deed van zich spreken, en men waande haar in het bezit

van onmetelijke schatten, die zij helaas in de werkelijkheid niet

de hare mocht noemen. Men was zeer benieuwd naar het aandeel, dat

zij zou leveren in wat men met veel ophef de nationale subscriptie

noemde. Gehoor gevend aan den raad van Abd el Sjahid, bood de familie

Botros aan de oproerlingen, die de regeering vertegenwoordigden,

den oogst van een geheel jaar aan. In Egypte wordt, al naar den

aard van het gezaaide, op verschillende tijden geoogst; drie maal in

het jaar. Abd el Sjahid had daarmede rekening gehouden, en eer dan

ook de tweede oogst, die der dourah, begon, was aan Arabi Pacha's

heerschappij reeds door de Engelschen paal en perk gesteld; doch het

koren en het gehakte stroo waren dadelijk na den oogst verzonden. In

dit opzicht was hij vrij wat edelmoediger dan de Mohammedanen, die

groote sommen hadden beloofd, maar hun beloften niet nakwamen, daar

op het oogenblik van de verzending altoos iets tusschenbeide kwam.

Als Abd el Sjahid openlijk zijne booten met koren en gehakt stroo

(tibn) naar Kaïro zond en afleverde aan het gouvernement, wilde hij

daarmede niet zijn ingenomenheid te kennen geven met het triumviraat,

dat zich van Egypte had meester gemaakt, maar hij was voorzichtig

en vond het geraden een deel te offeren, om het overblijvende

grootere deel te behouden, want daar hij zijn landgenooten kende,

begreep hij wel, dat die voorbijgaande opflikkering van een zucht

naar politieke vrijheid na eenige maanden van zelf zou uitsterven,

en dat slavernij het einde zou zijn. Maar hij wist ook, dat de

vijanden van zijn familie slechts het gunstige oogenblik afwachtten

om hen aan te vallen, te berooven en in het ongeluk te storten,

zoo niet te dooden. Hij had boodschappers onder de Mohammedanen,

en eens bracht men hem het bericht, dat zijn vijanden, en daaronder

waren juist zij, die hem den grootsten eerbied hadden betoond, de

eigendommen der familie reeds onder elkander hadden verdeeld, terwijl

hij een andermaal vernam, dat het tijdstip voor den aanval reeds

was vastgesteld, en dat men erin geslaagd was, al de Mohammedanen,

die hij in dienst had, van hem afvallig te maken. Hij bevond zich

inderdaad in een hachelijken toestand. Als hij vrees, of ook slechts

onrust toonde, was hij verloren; hij trachtte zich dan ook steeds

onbezorgd voor te doen, gaf blijk van uiterst vaderlandslievende

gezindheid, was jegens ieder even vriendelijk en lette nauwkeurig op

al wat er voorviel, om later loon naar werken te kunnen uitdeelen,

als de dag der vergelding aanbrak. Een oogenblik verloor hij den moed,

toen de Mohammedanen ook de zwarte garde trachtten om te koopen, maar

gelukkig bleken zijn zwarten tegen de verleiding bestand; geen van

hen werd afvallig. Daarop deed men pogingen om hen te ontwapenen,

maar er waren voorzorgsmaatregelen genomen, en de wapens bleven

gelukkig in het bezit van hen, aan wie ze waren toevertrouwd.

Eindelijk dreef het onweer over en de hemel van Egypte werd weder

helder als voorheen; de tusschenkomst der Engelschen had de wolken

verjaagd. Er was geen sprake meer van zelfregeering in het Nijldal

en de vaderlandslievende held werd verbannen naar een der schoonste

oorden ter wereld, met een groot jaargeld; dat was het laatste bedrijf

van deze treurige komedie.

Toen de vrede was gesloten, beijverde zich de familie Botros de

geslagen wonden te doen heelen en het verleden te vergeten; terwijl zij

voorzorgsmaatregelen wist te nemen voor het geval, dat het gebeurde

zich ooit herhalen mocht. In die dagen lieten de broeders van Abd

el Sjahid zich, zoodra een gelegenheid zich maar aanbood, benoemen

tot consulaire agenten van Oostenrijk en Italië; voor Rusland waren

zij het reeds. De betrekking van consulair agent voor Frankrijk werd

bekleed door een rijken Kopt uit Girgeh, Abd el Nour (Dienaar van het

Licht), met wien Abd el Sjahid door zijn huwelijk was vermaagschapt,

en hij rekende er natuurlijk op, zijn schoonvader op te volgen na diens

dood, die echter eerst in 1893 plaats greep, als ik mij niet vergis.

Het mag zonderling schijnen, dat de schrandere en scherpzinnige

Oosterling zich niet van dat oogenblik af aan gewend heeft tot

Engeland, dat over Egypte heerschappij voerde; maar behalve dat

hij van jongs af, op het voorbeeld zijner familie, zich meer tot de

Franschen voelde aangetrokken, en de Egyptenaren altijd, nadat de

eerste verrassing voorbij was, een hevigen afkeer opvatten van hunne

overheerschers, zoowel landgenooten als vreemdelingen, geloofde

bovendien Abd el Sjahid, die onze politiek slechts uit couranten

(en welke couranten!) kende, dat de engelsche overheersching slechts

tijdelijk zou zijn; dat een tijd zou aanbreken, waarop Frankrijk,

als Engeland niet vrijwillig zijn troepen terugtrok en zijn beloften

nakwam, de Engelschen met geweld daartoe zou dwingen. Hij is in

dat geloof gestorven. Hij vergiste zich helaas, maar wie zou hem

er een verwijt van willen maken, dat in dit geval zijn voorliefde

voor ons land grooter was dan zijne scherpzinnigheid? Lang eer hij

consulair agent van Frankrijk werd, had hij altijd de Franschen,

die hem werden aanbevolen, gaarne ontvangen en gastvrij geherbergd;

zoodra hij dat langgewenschte ambt bekleedde, rekende hij het zich

tot een plicht, alle reizigers zijn gastvrijheid aan te bieden, die

dat schoone Frankrijk hun vaderland mochten noemen, dat in zijn oogen

onafscheidelijk was van roem en glorie.

Als alle Egyptenaren geloofde hij, sedert den legendarischen veldtocht

van Bonaparte, dat vroeg of laat Frankrijk weder het tooneel zou

worden van grootsche heldendaden, want niets gaat in Egypte boven

dapperheid en machtsvertoon. Toch was hij, bij al zijne liefde voor de

Franschen, te verstandig om zich tegenover de nieuwe heerschers over

Egypte onredelijk vijandig gezind te toonen, zich hardnekkig tegen

hen te verzetten, of te ontkennen, dat de engelsche overheersching

den vooruitgang van Egypte bevorderde. Hij behandelde hen gastvrij

en voorkomend, ontving hen als gasten aan zijn disch en wekte hun

verwondering door zijn goede luim en schijnbare rondborstigheid; als

hij door de eene of andere beleefdheid hun een dienst kon bewijzen,

liet hij dit niet na, en hij stond dan ook even goed aangeschreven bij

de autoriteiten als bij de aanzienlijke Egyptenaren, die hem vreesden

en dus vleiden, al scheen het natuurlijker, dat de rollen zouden

zijn omgekeerd. Doch hij had feitelijk macht in het geheele land,

en de provinciale gouverneurs wisten dit zeer goed. Toen Engeland

zich voorbereidde tot den veldtocht, waarbij het opperbevel aan den

Sirdar Kitchener werd opgedragen, richtte zich de engelsch-egyptische

regeering, alsof dit van zelf sprak, tot hem, met het verzoek,

de krijgsbenoodigheden, die met den spoortrein tot Balianâ waren

gebracht, verder te vervoeren naar Assoean, want hij beschikte over een

geheele vloot. Hij stemde hierin toe, en niet het minst verrassende

schouwspel in dezen oorlog was het gezicht van de pogingen, die de

vroegere vijand der engelsche overheersching, de consulaire agent van

Frankrijk, aanwendde om dien krijgstocht te doen gelukken. Hij zelf

vond dit echter zeer natuurlijk en zag er niets anders in, dan eene

goede gelegenheid om veel geld te verdienen.

Ik leerde hem kennen na mijn aankomst in de dorpen, die zijn ontstaan

op de plek, waar vroeger de oude stad Abydos was gelegen. Hij woonde

in het stadje Balianâ. Daar de spoorweglijn eindigde te Girgeh,

had ik mij van de laatstgenoemde plaats naar het dorpje begeven,

waar zich het terrein bevond der opgravingen, waarvoor mij concessie

was verleend. Veertien dagen na mijn aankomst vergezelde hij eenige

aanzienlijke reizigers naar Abydos, waar ik hem ontmoette. In het

begin was ik evenzeer verrast over het blijkbare gemak, waarmede hij

zich onder Europeanen bewoog en zich in de fransche taal wist uit te

drukken, als over zijn open uiterlijk.

Hij was zoo vriendelijk, mij te verzekeren dat hij mij gaarne elken

dienst zou bewijzen, die in zijn vermogen was, en van dien dag af

tot aan zijn dood is hij die belofte trouw nagekomen. Ik gaf hem

een groot deel van het geld in bewaring, dat mij werd toevertrouwd,

en nooit heeft hij daarvoor vergoeding geeischt, terwijl aan zijn

rekening nooit een parâ (centime) ontbrak. Wij kwamen van toen af

aan zeer veel met elkander in aanraking; want ik vond het van mijn

kant ook aangenaam, hem, waar ik maar kon, van dienst te zijn. Het

deed mij oprecht veel genoegen, hem als gast aan mijn disch te zien,

en als een kort verlof, twee of driemaal in het jaar, mij gelegenheid

liet tot eenige verpoozing, bracht ik dien rusttijd door op zijn

landgoed, waar ik met open armen werd ontvangen, en waar ik dagelijks

het schouwspel kon gadeslaan van het leven van een grooten heer te

midden van zijne onderhoorigen.

Om beter te kunnen opmerken, wat er voorviel, zette ik mij neder in

een hoek van het portaal, waar deze egyptische praetor zitting hield,

niet zooals zijn romeinsche ambtgenoot, om zich enkel met gewichtige

zaken bezig te houden, maar ieder te woord staande, die zich tot hem

wendde met eenig verzoek. Zoodra hij van de suikerfabriek, waar hij

elken morgen heenging, terugkwam, recipieerde hij, zooals wij zouden

zeggen, en zette zich met gekruiste beenen op eene houten bank, met een

tapijt bedekt. Dadelijk kwamen tal van lieden hem den gebruikelijken

groet brengen en goeden morgen wenschen; evenals de romeinsche cliënten

bij hun patroon, en uit de wijze waarop hij iederen bezoeker ontving,

kon ik diens stand in de maatschappij opmaken.

Eerst kwamen de fellahs van Balianâ, die hij onder zijn onderhoorigen

telde, ietwat linksch in hunne bewegingen, maar netjes gekleed,

en brachten de hand van hun meester aan de lippen en het voorhoofd,

't zij zwijgend of met de woorden: "Dat het geluk reeds in den morgen

uw metgezel zij!" Dan verdwenen zij, evenals zij waren gekomen, en

gingen in lange rijen op de straat zitten, langs de muren van het

huis, of onder aan de trap. Daarna kwamen de schrijvers, uit verder

afgelegen plaatsen, die hem toebehoorden; deze groetten hem met meer

plichtplegingen en hij antwoordde hen met een der vele oostersche

gezegden, die bij zulke gelegenheden gebruikelijk zijn. Na hem te

hebben gegroet, gingen de schrijvers heen en zetten zich op de hurken,

aan beide zijden van de dubbele trap, die naar het portaal voerde. Zij

sloegen de armen over elkaar en bleven onbewegelijk zitten in een

houding, die hen op een rij egyptische standbeelden deed gelijken.

Daarna kwamen de inwoners van de stad, die hem met nog meer

beleefdheidsbetuigingen begroetten; hij maakte dan met het bovenlijf

eene beweging, als om op te staan, maar bleef stil zitten, waarop de

bezoekers een paar stappen achterwaarts deden en een zetel haalden,

waarop zij zich neerzetten. Dan liet de bey hun een cigarette

aanbieden. Kwamen er effendis, officieren uit de stad, dan bood hij

hun, na de wederzijdsche begroetingen, niet alleen zelf eene cigarette

aan; maar liet ook koffie brengen, die in zeer kleine kopjes werd

gepresenteerd.

Als de eene of andere hooggeplaatste persoon, of een zijner

verwanten verscheen, dan stond hij op, sprak hen vriendelijk toe,

en liet hen naast zich op de bank plaats nemen, of op een stoel,

naar verkiezing. Intusschen brachten de schrijvers, die steeds bij de

hand bleven, hem stukken en brieven, om te onderteekenen. Hij las ze

snel door, en maakte halfluid zijn aanmerkingen, waar dit noodig was,

teekende, en zond den schrijver weg, om hem soms terug te roepen,

als hij iets had vergeten; maar intusschen ging hij steeds voort met

de bezoekers te begroeten, en bevelen te geven aan de bedienden,

knappe kerels, blank of zwart, goed gekleed, zindelijk, en wier

gunstig uiterlijk u zoowel van hen als van hun meester een goeden

dunk deed krijgen. Deze bleven vlak voor hem staan, luisterden, zonder

een woord te spreken, naar de bevelen, die hun werden opgedragen, en

als zij het goed hadden begrepen, zeiden zij alleen: Hâder (present)

en verwijderden zich, steeds even ernstig en met gepaste waardigheid.

Als het uur voor het middagmaal was aangebroken en alles gereed was,

stond Abd el Sjahid bedaard op, groette zijn bezoekers met de hand en

begaf zich naar de eetzaal; terwijl de lieden die van verre gekomen

waren, den terugweg weer aanvaardden of aan hunne bezigheden gingen.

Na den maaltijd nam hij opnieuw plaats op den divan; thans als

vrederechter van het geheele district, dat hem toebehoorde. Dan kwamen

er fellahs, die hem groetten, daarna de trap afdaalden en op straat

gingen staan met hun langen stok in de hand, 't geen beteekende, dat

zij hun meester iets hadden te zeggen. Deze riep hen dan bij hun naam;

want hij kende ieder persoonlijk. Dan kwam er leven in die standbeelden

met kleine schitterende oogjes en langen, verwarden baard; luide

stemmen voerden een levendige woordenwisseling, op steeds hoogeren

toon, naarmate hun smeekingen en klachten vuriger en dringender werden.

Dan kwam de rechter tusschenbeide; maakte zich soms ook driftig en

schreeuwde dan even hard als de fellahs zelf; maar als hij bemerkte,

dat hij zijn bedaardheid verloor, werd hij weer kalm, en sprak in

een paar korte zinnen zijn oordeel over de zaak uit; een vonnis,

waaraan de fellahs zich zonder eenige tegenspraak onderwierpen en dat

hun de hoogste rechtvaardigheid scheen. Al was het dikwijls slechts

een middenweg, om beide partijen te bevredigen, hun heer had het

uitgesproken, en hun plicht, zoowel als hun belang, bracht mede, hem

gewillig te gehoorzamen. Na het uitspreken van zulk een vonnis placht

hij mij dan aan te zien, als ik in zijn nabijheid was, en te zeggen:

"Wat zijn ze toch dom en koppig! Echte rakkers!" en dadelijk wendde

hij zich weer tot de volgende cliënten.

Soms, maar slechts in enkele gevallen, trad hij als strafrechter

op en tuchtigde de dieven met eigen hand. Eens, toen hij uit de

fabriek kwam, zag hij een man, die zonder daartoe vergunning te

hebben gevraagd, uit het veld kwam met een grooten bos uien. Abd

el Sjahid liet hem roepen en de man kwam terstond aanloopen. "Van

wie zijn die uien?" "Van u." "Hoe komt gij er dan aan?" "Ik heb

ze in uw veld gestolen." "En dat is niet de eerste keer!" Met die

woorden stond hij op in het rijtuig, waarin ik met hem was gezeten,

en gaf den man een klinkenden klap op de wang, met veel meer kracht,

dan waartoe ik hem in staat achtte. De man zag den slag aankomen,

maar bleef onbewegelijk staan en toen hij zijn straf had ontvangen,

zeide hij: "Ik heb het verdiend", en ging heen. De fellah beschouwt

een verdiende straf als iets, dat men zonder klacht moet verdragen en

vindt het kinderachtig, deze uit den weg te gaan. De dief wist zeker

wel bij ondervinding, dat hij er niet zoo goed zou zijn afgekomen

met de wachters of opzichters, want die zouden hem een flink pak

stokslagen hebben gegeven, tenzij hij zijn buit met hen had gedeeld,

en nu kwam hij vrij met een lichte straf en had ook nog iets te eten;

bovendien gevoelde hij zich vereerd door deze tuchtiging, daar de hand

van een bey zich had verwaardigd zijn aangezicht aan te raken. Deze

snelle rechtspleging gaf zijn meester aanleiding, met mij te spreken

over de vele moeilijkheden, aan zijn hooge positie en zijn rijkdom

verbonden; hij vertelde mij van de talrijke, machtige en behendige,

of liever sluwe vijanden, die zijn familie strikken spanden; van alle

kanten was hij in processen gewikkeld, daar men hem het bezit van zijn

eigendom betwistte; de overheid, die hem schijnbaar goed gezind was,

zette in stilte de Mohammedanen aan om hem zooveel mogelijk lastig te

vallen,--en dit alles vertelde hij mij op vroolijken, luchtigen toon,

terwijl hij lachte en groette naar alle zijden. De Oosterling is nu

eenmaal niet bij machte, de toekomst donker in te zien. Hij weet,

dat iedere dag genoeg heeft aan zijn eigen kwaad en dat de mensch

niet kan weten "wat morgen brengen zal".

Ik bewonderde hem, en dacht dat het zeker aan ons kil klimaat zonder

zon is te wijten, dat daar zulke sombere gedachten worden gekoesterd

en de vrees voor de toekomst het tegenwoordige vergalt.

Een feudale familie in Egypte De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 2 / 3 段