_Stelling I._
Op dezelfde wijze als in den Geest de gedachten en voorstellingen
der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn, volgen op
elkaar en schakelen zich aaneen de gewaarwordingen des Lichaams,
of de beelden [indrukken] der dingen op het Lichaam.
_Bewijs._
De orde en het verband der voorstellingen zijn (_vlg. St. VII D.
II_) dezelfde als orde en verband der dingen en omgekeerd zijn de
orde en het verband der dingen (_vlg. Gevolg St. VI en St. VII D.
II_) dezelfde als orde en verband der voorstellingen. Derhalve:
evenals orde en verband der voorstellingen in den Geest (_vlg.
St. XVIII D. II_) de orde en het verband der dingen volgen,
evenzoo is er ook omgekeerd (_vlg. St. II D. III_) een orde en
verband van lichaamsindrukken, geheel beantwoordende aan de wijze
waarop de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en
aaneengeschakeld zijn in den Geest. H.t.b.w.
_Stelling II._
Indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de
gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten
verbinden, gaan Liefde of Haat jegens die uitwendige oorzaak,
evenals alle zielsberoeringen, welke uit deze aandoeningen
ontsprongen, te niet.
_Bewijs._
Datgene immers wat het wezen van Liefde of Haat uitmaakte, is
Blijheid of Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener
uitwendige oorzaak, (_vlg. Definities VI en VII der Aand._).
Wanneer dus deze is opgeheven, is tevens het wezen van de Liefde
of van den Haat opgeheven. Derhalve gaan deze aandoeningen en die
welke er uit voortvloeien, te niet. H.t.b.w.
_Stelling III._
Een aandoening, welke lijding is, houdt op een lijding te zijn,
zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van
vormen.
_Bewijs._
Een aandoening welke lijding is, is een verwarde voorstelling
(_vlg. Alg. Definitie der Aand._). Indien wij dus van dezelfde
aandoening een heldere en duidelijke voorstelling vormen, zal
deze voorstelling zich niet anders dan in redelijk opzicht[A79]
van die aandoening zelf, voorzoover zij alleen betrekking heeft
op den Geest, onderscheiden (_vlg. St. XXI en Opmerking D. II_).
Derhalve zal (_vlg. St. III D. III_) deze aandoening ophouden een
lijding te zijn. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Wij hebben een aandoening dus des te meer in
onze macht, en de Geest heeft des te minder door haar te
lijden, naar mate wij haar beter kennen.
_Stelling IV._
Het Lichaam ontvangt geen indruk van welke wij ons niet een of
andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken.
_Bewijs._
Wat aan allen gemeen is, kan niet anders dan adaequaat worden
begrepen (_vlg. St. XXXVIII D. II_). Derhalve (_vlg. St. XII en
Hulpstelling II, te vinden achter Opmerking St. XIII D. II_)
ontvangt het Lichaam geen indruk van welke wij ons niet een of
andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat er ook geen aandoening
bestaat, van welke wij ons niet een of andere heldere en
duidelijke voorstelling kunnen vormen. Immers een
aandoening is de voorstelling van een lichaamsindruk
(_vlg. Alg. Definitie der Aand._), welke voorstelling dus
(_vlg. voorgaande St._) een of ander helder en duidelijk
begrip moet insluiten.
_Opmerking:_ Aangezien er (_vlg. St. XXXVI D. I_) niets
bestaat waaruit niet een of andere uitwerking voortvloeit
en wij al wat volgt uit een voorstelling, welke voor ons
adaequaat is, helder en duidelijk begrijpen (_vlg. St. XL
D. II_), volgt hieruit, dat ieder de macht heeft zichzelf
en zijn aandoeningen, zoo niet geheel en al, dan toch ten
deele, helder en duidelijk te begrijpen, en bijgevolg er
voor te zorgen dat hij er minder van te lijden heeft. Wij
behooren ons dus vooral dáárop toe te leggen, om elke
aandoening zooveel mogelijk helder en duidelijk te leeren
kennen, ten einde zoodoende den Geest, van die aandoening
zelf uitgaande, te doen denken aan dingen, welke hij
helder en duidelijk begrijpt en waarin hij volkomen
berust; daardoor de aandoening te scheiden van haar
uitwendige oorzaak en met ware gedachten te verbinden.
Het gevolg zal dan zijn dat niet alleen Liefde en Haat te
niet gaan (_vlg. St. II v.d. D._) maar ook dat de Drang
of de Begeerten, welke uit zulk een aandoening plachten
voort te komen, niet bovenmatig kunnen worden. (_Vlg. St.
LXI D. IV_). Men vergete namelijk vooral niet dat het
éénzelfde Drang is waardoor de mensch nu eens handelt,
dan weer lijdt. Zoo hebben wij bijvoorbeeld doen zien dat
het met den menschelijken aard aldus gesteld is, dat
ieder verlangt dat de overige menschen naar zìjn zin
zullen leven (_zie Opmerking St. XXXI D. III_). Deze
Drang nu is bij den mensch, die niet door de Rede geleid
wordt, een lijding, welke Eerzucht genoemd wordt en welke
niet veel van Hoogmoed verschilt. Daarentegen is hij bij
den mensch, die naar de voorschriften der Rede leeft, een
handeling of deugd, welke Rechtschapenheid [Vroomheid]
heet (_zie Opmerking I St. XXXVII D. IV en het tweede
bewijs dierzelfde St._). Evenzoo zijn alle andere
verlangens of Begeerten slechts in zooverre lijdingen als
zij door inadaequate voorstellingen worden opgewekt of
daaruit voortkomen. Alle Begeerten toch, waardoor wij tot
een of andere handeling gedreven worden, kunnen zoowel
uit adaequate als uit inadaequate voorstellingen
ontspringen. (_Zie St. LIX D. IV_).
Er is dus (om tot mijn uitgangspunt terug te keeren) geen
voortreffelijker heelmiddel, en dat tevens in onze macht
staat, tegen de aandoeningen te bedenken dan hun juiste
kennis; aangezien de Geest geen enkel ander vermogen
bezit dan om te denken en adaequate voorstellingen te
vormen, gelijk wij hierboven hebben aangetoond (_vlg. St.
III D. III_).
_Stelling V._
Een aandoening, opgewekt door iets dat wij ons zonder meer[A80],
en noch als noodwendig, noch als mogelijk, noch als toevallig
voorstellen, is onder overigens gelijke omstandigheden, sterker
dan alle andere.
_Bewijs._
De aandoening, opgewekt door iets dat wij voor vrij houden is
sterker dan die, teweeg gebracht door iets noodwendigs (_vlg. St.
LIX D. III_) en bijgevolg veel sterker dan die, veroorzaakt door
iets dat wij als mogelijk of als toevallig beschouwen (_vlg. St.
XI D. IV_). Maar zich iets als vrij voorstellen kan niets anders
beteekenen dan dat wij het ons "zonder meer" voorstellen, zonder
al de oorzaken, waardoor het tot zijn werking gedreven wordt, te
kennen (_vlg. hetgeen wij in Opmerking St. XXXV D. II hebben
aangetoond_). Derhalve zal de aandoening, opgewekt door iets dat
wij ons zonder meer voorstellen, onder overigens gelijke
omstandigheden, sterker zijn dan die, teweeggebracht door iets
noodwendigs, mogelijks of toevalligs, en bijgevolg sterker dan
alle andere. H.t.b.w.
_Stelling VI._
Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft hij
meer macht over zijn aandoeningen, ofwel heeft hij minder van hen
te lijden.
_Bewijs._
De Geest begrijpt [kan inzien] dat alle dingen noodwendig zijn
(_vlg. St. XXIX D. I_) en dat zij door een oneindig verband van
oorzaken tot bestaan en werking genoopt worden (_vlg. St. XXVIII
D. I_). Derhalve bewerkt hij (_vlg. voorgaande St._) voorzoover
hij dit begrijpt, dat hij van de aandoeningen, welke uit die
dingen voortspruiten, minder te lijden heeft en dat hij (_vlg.
St. XLVIII D. III_) in geringere mate door hen wordt aangedaan.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hoe meer deze kennis, namelijk dat de dingen
noodwendig zijn, die bijzondere dingen betreft, welke wij
ons het duidelijkst en levendigst voorstellen, hoe
grooter ook de macht van den Geest over de aandoeningen
zal zijn, hetgeen ook de ervaring zelve bewijst. Wij zien
immers hoe Droefheid over een goed dat verloren ging,
verzacht wordt, zoodra degeen die het verloor, bedenkt
dat hij het op geen enkele wijze had kunnen behouden. Zoo
zien wij ook dat niemand kinderen beklaagt omdat zij niet
kunnen spreken, loopen of [logisch] redeneeren, of ook
omdat zij zooveel jaren als onbewust van zichzelf leven.
Indien echter de meeste menschen volwassen ter wereld
kwamen en slechts een enkele als kind, dan zou ieder zulk
een kind beklagen, wijl men dan het kind-zijn niet als
een natuurlijk, noodwendig iets zou beschouwen, maar als
een fout of zonde van de Natuur. En zoo zouden wij nog
tal van dergelijke voorbeelden kunnen geven.
_Stelling VII._
Aandoeningen, welke uit de Rede ontspruiten of door haar worden
opgewekt, zijn, indien men ook rekening houdt met den tijd [op
den duur] machtiger dan aandoeningen welke op bijzondere dingen
betrekking hebben welke wij als afwezig beschouwen.
_Bewijs._
Wij beschouwen iets niet als afwezig op grond van de aandoening
waarmede wij het ons voorstellen, maar doordat ons Lichaam een
anderen indruk ondergaat, welke het oogenblikkelijk bestaan ervan
uitsluit (_vlg. St. XVII D. II_). Daarom is een aandoening, welke
betrekking heeft op een zaak welke wij als afwezig beschouwen,
ook niet van dien aard dat zij 's menschen overige handelingen en
vermogens zou kunnen beheerschen (_zie hierover St. VI D. IV_),
doch integendeel van zulk een aard dat zij door andere
aandoeningen, welke het bestaan van die uitwendige oorzaak
buitensluiten, op een of andere wijze kan worden belemmerd (_vlg.
St. IX D. IV_). Een aandoening evenwel welke uit de Rede
voortspruit, heeft noodzakelijk betrekking op algemeene
eigenschappen van dingen (_zie. de Definitie der Rede in
Opmerking II St. XL D. II_), welke eigenschappen wij steeds als
aanwezig beschouwen (wijl er immers niets zijn kan dat hun
oogenblikkelijk bestaan uitsluit) en welke wij ons steeds op
dezelfde wijze voorstellen (_St. XXXVIII D. II_). Vandaar dat
zulk een aandoening ook steeds dezelfde blijft, en bijgevolg
zullen (_vlg. Axioma I v.d. D._) alle aandoeningen, welke met
haar in strijd zijn en door hun uitwendige oorzaken niet worden
ondersteund, zich meer en meer bij haar moeten aanpassen, totdat
zij tenslotte niet meer met haar in strijd zijn. In zoover is dus
de aandoening, welke uit de Rede voortspruit machtiger. H.t.b.w.
_Stelling VIII._
Een aandoening is des te sterker naarmate zij door méér
gelijktijdig samenwerkende oorzaken wordt opgewekt.
_Bewijs._
Vele oorzaken tegelijk vermogen meer dan indien het er minder
waren (_vlg. St. VII D. III_). Derhalve zal (_vlg. St. V D. IV_)
een aandoening des te sterker zijn, naarmate zij door méér
gelijktijdige oorzaken wordt opgewekt. H.t.b.w. Deze stelling
blijkt ook uit Axioma II van dit Deel.
_Stelling IX._
Een aandoening welke door vele en verschillende oorzaken wordt
teweeg gebracht, die de Geest tegelijk met die aandoening
beschouwt, is minder schadelijk en doet ons minder lijden (en elk
dier oorzaken maakt minder indruk op ons), dan een andere even
sterke aandoening, welke slechts één of weinige oorzaken heeft.
_Bewijs._
Een aandoening is alleen in zoover slecht of gevaarlijk als de
Geest er door belemmerd wordt te denken (_vlg. St. XXVI en XXVII
D. IV_). Derhalve is een aandoening, waardoor de Geest genoopt
wordt aan vele dingen te gelijk te denken, minder schadelijk dan
een even sterke andere, welke den Geest zoozeer in de beschouwing
van één of enkele voorwerpen gevangen houdt, dat hij aan andere
niet meer denken kan. Dit wat het eerste betreft. Wijl voorts het
wezen van den Geest, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) zijn
vermogen, uitsluitend in denken bestaat (_vlg. St. XI D. II_),
lijdt de Geest minder door een aandoening, welke hem noopt aan
vele dingen te denken, dan door een even groote, welke zijn
aandacht voor één of enkele voorwerpen in beslag neemt. Dit wat
het tweede punt aangaat. Tenslotte is zulk een aandoening (_vlg.
St. XLVIII D. III_) voorzoover zij door vele uitwendige oorzaken
wordt teweeg gebracht, ten opzichte van elk dier oorzaken ook
zwakker. H.t.b.w.
_Stelling X._
Zoolang wij niet door aandoeningen, welke strijdig zijn met onzen
aard, worden aangegrepen, hebben wij de macht om de indrukken van
ons Lichaam te rangschikken en aaneen te schakelen volgens orde
des begrips[A81].
_Bewijs._
Aandoeningen welke in strijd zijn met onzen aard, d.w.z. (_vlg.
St. XXX D. IV_), welke slecht zijn, zijn slecht inzóóver als zij
den Geest belemmeren in het begrijpen (_vlg. St. XXVII D. IV_).
Zoolang wij dus niet worden aangegrepen door aandoeningen welke
met onzen aard in strijd zijn, wordt het vermogen van den Geest,
waarmede hij de dingen tracht te begrijpen (_vlg. St. XXVI D.
IV_) niet belemmerd en bezit de Geest dus de macht om heldere en
duidelijke voorstellingen te vormen en zaken uit elkaar af te
leiden, (_zie Opmerking II St. XL en Opmerking St. XLVII D. II_).
Bijgevolg (_vlg. St. I v.d. D._) hebben wij ook zoolang de macht
om de indrukken des Lichaams te rangschikken en aaneen te
schakelen volgens orde des begrips. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Door dit vermogen om de indrukken des
Lichaams juist te rangschikken en aaneen te schakelen,
kunnen wij er voor zorgen dat wij niet licht door slechte
aandoeningen worden aangegrepen. Immers (_vlg. St. VII
v.d. D._) er is meer kracht toe noodig om aandoeningen,
welke volgens orde des begrips gerangschikt en verbonden
zijn, dan om onzekere en vage te bedwingen. Het beste dus
wat wij kunnen doen, zoolang wij nog geen volmaakte
kennis onzer aandoeningen bezitten, is een juiste
levenswijze of vaste levensbeginselen aan te nemen, deze
ons in het geheugen te prenten en voortdurend toe te
passen in al die bijzondere gevallen welke in het leven
veelvuldig voorkomen, opdat zoodoende ons
voorstellingsvermogen diep van hen doordrongen worde en
zij ons voortdurend ten dienste staan. Zoo hebben wij
bijvoorbeeld als levensregel aangenomen (_zie St. XLVI en
Opmerking D. IV_) dat Haat door Liefde of Edelmoedigheid
moet worden overwonnen, niet echter met wederkeerigen
Haat vergolden. Om evenwel dit voorschrift der Rede
steeds voor toepassing gereed te hebben, moet men de
dagelijks voorkomende kwade bejegeningen kennen en
dikwijls overpeinzen, ook hoe men ze het best door
Edelmoedigheid afweert. Zoo immers brengen wij de
voorstelling van zulk een kwade bejegening met die van
dien levensregel in verband en zal deze laatste (_vlg.
St. XVIII D. II_) steeds bij de hand zijn wanneer die
bejegening ons [eens werkelijk] te beurt valt. Indien wij
nu tevens doordrongen zijn van ons waarachtig belang en
van het goede dat uit wederzijdsche vriendschap en
maatschappelijken omgang voortspruit, en bovendien
overwegen dat van een juiste levenswijze de hoogste
zielsrust het gevolg is (_vlg. St. LII D. IV_) en dat de
menschen, evenals alle dingen, krachtens de
noodwendigheid van hunnen aard handelen; dan zullen die
Boosheid en die Haat, welke door kwade bejegening plegen
te worden opgewekt, slechts een gering gedeelte onzer
aandacht in beslag nemen en gemakkelijk overwonnen
worden. En indien al de Toorn, welke het gevolg is van
zeer groot onrecht, niet zoo licht overwonnen wordt, zoo
zal men hem toch, hoewel niet zonder tweestrijd, in veel
korter tijd te boven komen, dan wanneer men dit alles
niet van te voren aldus overwogen had, gelijk blijkt uit
de stellingen VI, VII en VIII van dit Deel.
Evenzoo behoort men na te denken over de geestkracht
welke noodig is om Vrees van zich af te zetten. Men
stelle zich namelijk de gewone gevaren, waaraan men in
het leven bloot staat, beurtelings en herhaaldelijk voor
oogen en overwege hoe men ze door tegenwoordigheid van
geest en kloekmoedigheid het beste kan vermijden of te
boven komen. Men bedenke ook dat wij bij het ordenen van
onze gedachten en voorstellingen steeds moeten letten
(_vlg. Gevolg St. LXIII D. IV en St. LIX D. III_) op wat
er goeds in ieder ding steekt, opdat wij steeds door een
aandoening van Blijheid tot handelen worden gedreven. Zoo
moet iemand, die bemerkt dat hij àl te zeer streeft naar
roem, over het juiste gebruik daarvan nadenken: met welke
bedoeling hij er naar streeft en met welke middelen hij
hem bereiken zal; niet echter over het misbruik ervan en
over de ijdelheid en onstandvastigheid des menschen en
dergelijke zaken, waarmede alleen lieden die zielsziek
zijn zich bezighouden. Immers juist eerzuchtigen kwellen
zich het meest met dergelijke gedachten, wanneer zij er
aan wanhopen den roem dien zij begeeren, te bereiken;
terwijl zij, ofschoon zij gal spuwen, nochtans voor
wijzen willen doorgaan. Het is dan ook wel zeker dat zij
die het hardst schreeuwen over het misbruik van den roem
en over de ijdelheid der wereld, juist het meest begeerig
ernaar zijn. En dit is niet slechts een kenmerk van
eerzuchtigen, maar van allen wien de fortuin niet gunstig
is en die zwak van ziel zijn. Want ook een arme vrek laat
niet af te smalen over het misbruik van geld en rijkdom,
terwijl hij daarmede alleen maar bereikt dat hij zichzelf
kwelt en aan anderen laat merken, dat niet alleen zijn
eigen armoede, maar ook anderer rijkdom hem met ergernis
vervult. Evenzoo denken lieden, die door hun geliefde
werden afgewezen, over niets anders dan over de
onstandvastigheid en trouweloosheid der vrouwen en al hun
overige afgezaagde gebreken, terwijl zij dit alles
dadelijk vergeten zijn zoodra hun lief hen weer goed
ontvangt. Wie zich dus alleen uit Liefde tot Vrijheid
beijvert zijn aandoeningen en lusten te matigen, zal dus
zooveel mogelijk er naar streven de deugden en hun
oorzaken te leeren kennen en zijn ziel te vervullen met
die vreugde, welke uit hun waarachtige kennis
voortspruit. Allerminst echter zal hij zich bezig houden
met de gebreken der menschen, hen beschimpen en zichzelf
paaien met een valschen schijn van vrijheid. Wie dit
alles naarstig in het oog houdt (en dit is immers zoo
moeilijk niet) en toepast, zal zonder twijfel binnen
korten tijd in staat zijn in de meeste gevallen zijn
daden naar de bevelen der Rede te richten.
_Stelling XI._
Naarmate een beeld [indruk] op meer zaken betrekking heeft, zal
het herhaaldelijker vóórkomen of zich doen gelden en neemt het
den Geest meer in beslag.
_Bewijs._
Immers naarmate een beeld of aandoening op meer zaken betrekking
heeft, zijn er ook meer oorzaken waardoor het kan worden opgewekt
of aangewakkerd, al welke oorzaken de Geest (_vlg. het
onderstelde_) juist tengevolge van die aandoening, tegelijk
beschouwt. Derhalve zal die aandoening even dikwijls [als elk
dier oorzaken] voorkomen of zich doen gelden en den Geest (_vlg.
St. VIII v.d. D._) meer in beslag nemen. H.t.b.w.
_Stelling XII._
De beelden der dingen worden lichter verbonden met beelden,
betrekking hebbend op dingen, welke wij helder en duidelijk
begrijpen, dan met andere.
_Bewijs._
Dingen, welke wij helder en duidelijk begrijpen, zijn òf
algemeene eigenschappen, òf wat daaruit kan worden afgeleid (_zie
de Definitie der Rede in Opmerking II St. XL D. II_), en hun
voorstelling zal dus dikwijls in ons worden opgewekt (_vlg.
voorgaande St._). Het kan derhalve lichter voorkomen dat wij
andere zaken gelijktijdig met hen dan met weer andere beschouwen,
en bijgevolg (_vlg. St. XVIII D. II_) zullen wij ze ook lichter
met hen in verband brengen. H.t.b.w.
_Stelling XIII._
Naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zal het meer in
ons opkomen.
_Bewijs._
Immers naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zullen er
(_vlg. St. XVIII D. II_) ook meer oorzaken zijn waardoor het kan
worden opgewekt. H.t.b.w.
_Stelling XIV._
De Geest heeft het in zijn macht alle lichaamsindrukken of alle
beelden der dingen, tot de voorstelling Gods terug te brengen.
_Bewijs._
Er is geen lichaamsindruk waarvan de Geest niet een of andere
heldere en duidelijke voorstelling kan vormen (_vlg. St. IV v.d.
D._). Derhalve heeft hij het in zijn macht (_vlg. St. XV D. I_)
om ze allen tot de voorstelling Gods terug te brengen. H.t.b.w.
_Stelling XV._
Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt,
heeft God lief en wel des te meer naarmate hij zichzelf en zijn
aandoeningen beter begrijpt.
_Bewijs._
Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt,
verheugt zich (_vlg. St. LIII D. III_) en dat wel met de
begeleidende gedachte aan God (_vlg. voorgaande St._). Derhalve
heeft hij (_vlg. Definitie VI der Aand._) God lief en dat wel
(_om dezelfde reden_) des te meer, naarmate hij zichzelf en zijn
aandoeningen beter begrijpt. H.t.b.w.
_Stelling XVI._
Deze Liefde jegens God behoort den Geest het allermeest te
vervullen.
_Bewijs._
Immers deze Liefde staat in verband met alle lichaamsindrukken
(_vlg. St. XIV v.d. D._) door al welke zij wordt bevorderd (_vlg.
St. XV v.d. D._). Derhalve moet zij (_vlg. St. XI v.d. D._) den
Geest het allermeest vervullen. H.t.b.w.
_Stelling XVII._
God kent geen lijdingen en ondergaat ook geenerlei aandoening van
Blijheid en Droefheid.
_Bewijs._
Alle voorstellingen zijn (_vlg. St. XXXII D. II_) waar,
voorzoover zij tot God worden teruggebracht, d.w.z. (_vlg.
Definitie IV D. II_) adaequaat. Derhalve (_vlg. Alg. Definitie
der Aand._) kent God geen lijding. Voorts kan God (_vlg. Gevolg
II St. XX D. I_) noch tot grooter, noch tot geringer volmaaktheid
overgaan en kan hij dus (_vlg. Definities II en III der Aand._)
geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaan.
H.t.b.w.
_Gevolg:_ In eigenlijken zin kan God niemand liefhebben
of haten. Immers God ondergaat (_vlg. voorgaande St._)
geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid en
bijgevolg (_vlg. Definities VI en VII der Aand._) heeft
hij ook niemand lief of haat hij niemand.
_Stelling XVIII._
Niemand kan God haten.
_Bewijs._
De voorstelling van God, welke in ons is, is adaequaat en
volkomen (_vlg. St. XLVI en XLVII D. II_). Voorzoover wij dus God
beschouwen, _handelen_ wij (_vlg. St. III D. III_). Bijgevolg
(_vlg. St. LIX D. III_) kan er geen Droefheid bestaan, die
vergezeld gaat van de voorstelling Gods, d.w.z. (_vlg. Definitie
VII der Aand._) niemand kan God haten. H.t.b.w.
_Gevolg:_ De Liefde jegens God kan niet in Haat
verkeeren.
_Opmerking:_ Men zou kunnen tegenwerpen, dat wij,
aangezien wij God als aller dingen oorzaak erkennen, hem
daardoor tevens als oorzaak der Droefheid beschouwen.
Hierop antwoord ik evenwel dat Droefheid, voorzoover wij
haar oorzaken begrijpen (_vlg. St. III v.d. D._) ophoudt
lijding te zijn, d.w.z. (_vlg. St. LIX D. III_) ophoudt
Droefheid te zijn, en dat wij ons derhalve verheugen
voorzoover wij inzien dat God oorzaak van Droefheid is.
_Stelling XIX._
Wie God liefheeft kan er niet naar streven dat God hem wedermint.
_Bewijs._
Indien iemand hiernaar streefde zou hij dus wenschen (_vlg. St.
XVII v.d. D._) dat God, dien hij liefheeft, niet God ware.
Bijgevolg zou hij (_vlg. St. XIX D. III_) verlangen zich te
bedroeven, hetgeen (_vlg. St. XXVIII D. III_) ongerijmd is.
Derhalve: wie God liefheeft enz. H.t.b.w.
_Stelling XX._
Deze liefde jegens God kan noch door Nijd, noch door IJverzucht
worden ontwijd, maar zij wordt juist des te sterker, hoe méér
menschen wij ons door éénzelfden band van Liefde met God
verbonden denken.
_Bewijs._
Deze Liefde tot God is het hoogste goed, hetwelk wij, levend naar
de voorschriften der Rede, kunnen erlangen (_vlg. St. XXVIII D.
IV_). Het is (_vlg. St. XXXVI D. IV_) aan alle menschen gemeen en
wij wenschen (_vlg. St. XXXVII D. IV_) dat elkeen er zich in
verheuge. Derhalve kan zij (_vlg. Definitie XXIII der Aand._)
niet door Nijd worden bezoedeld, noch door IJverzucht (_vlg. St.
XVIII v.d. D. en de Definitie der IJverzucht, zie Opmerking St.
XXXV D. III_), maar zal zij integendeel (_vlg. St. XXXI D. III_)
des te meer moeten toenemen, naarmate wij ons voorstellen dat
méér menschen zich in haar verblijden. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Op deze zelfde wijze kunnen wij aantoonen
dat er geen aandoening bestaat, welke in directen strijd
is met deze Liefde en door welke die Liefde kon worden
teniet gedaan. Wij kunnen dus de gevolgtrekking maken dat
deze Liefde tot God de meest standvastige van alle
aandoeningen is en voorzoover zij betrekking heeft tot
het Lichaam, niet anders dan met dit Lichaam zelf teniet
kan gaan. Hoedanig zij is voorzoover zij betrekking heeft
op den Geest, zullen wij later zien.
Hiermede heb ik alle middelen ter verdediging tegen de
aandoeningen of al wat de Geest op zichzelf beschouwd
[voorzoover van hemzelf afhangt] tegen de aandoeningen
vermag, samengevat. Het blijkt hieruit dat de macht van
den Geest over de aandoeningen bestaat:
I. in de kennis zelf der aandoeningen (_zie Opmerking St.
IV v.d. D._);
II. daarin dat hij de aandoening scheidt van de gedachte
aan een uitwendige oorzaak, welke wij ons slechts verward
voorstellen (_zie St. II en dezelfde Opmerking St. IV
v.d. D._);
III. in den tijdsduur, tengevolge waarvan aandoeningen,
betrekking hebbende op zaken welke wij begrijpen, andere,
welke betrekking hebben op zaken waarvan wij slechts
verwarde en verminkte voorstellingen hebben, overwinnen.
(_vlg. St. VII v.d. D._);
IV. in het groote aantal van oorzaken, waardoor
aandoeningen, welke betrekking hebben op algemeene
eigenschappen of op God, sterker worden dan andere (_zie
St. IX en XI v.d. D._);
V. tenslotte in de orde waarin de Geest zijn aandoeningen
kan schikken en onderling in verband brengen (_zie
Opmerking St. X en bovendien St. XII, XIII en XIV v.d.
D._).
Om nu evenwel deze macht van den Geest over de
Aandoeningen te beter te doen begrijpen, moet in de
eerste plaats worden opgemerkt, dat aandoeningen door ons
sterk genoemd worden, wanneer wij een aandoening bij den
eenen mensch vergelijken met die bij andere en daarbij
zien dat de een daardoor heviger wordt aangegrepen, of
wanneer wij de aandoeningen bij één en denzelfden mensch
met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat hij door
de eene meer dan door andere getroffen of bewogen wordt.
Immers (_vlg. St. V D. IV_) de kracht van elke aandoening
wordt bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in
verhouding met de onze. De macht des Geestes nu hangt
alleen af van kennis, terwijl zijn machteloosheid of
lijding alleen beoordeeld wordt naar zijn gebrek aan
kennis, d.w.z. naar datgene, waarom voorstellingen
inadaequaat genoemd worden. Waaruit volgt dat dìe Geest
in de hoogste mate lijdt, die grootendeels vervuld is van
inadaequate voorstellingen, zoodat hij zich meer laat
kennen aan wat hij lijdt dan aan hoe hij handelt; terwijl
daarentegen die Geest het sterkst handelt, die
grootendeels adaequate voorstellingen heeft, zoodat men
hem, ofschoon hij misschien evenveel inadaequate
voorstellingen bevat als de eerste, toch beter kent aan
zulke, welke tot de menschelijke deugden bijdragen, dan
aan zulke, welke een aanklacht zijn tegen de menschelijke
machteloosheid. Voorts valt op te merken dat zielsziekten
en ongelukkigheid voornamelijk voortspruiten uit te
groote Liefde jegens een zaak welke aan vele wisselingen
onderhevig is en welke wij nooit geheel in onze macht
kunnen krijgen. Want niemand maakt zich bezorgd of
angstig over eenige zaak die hij niet liefheeft, en
evenmin ontstaan onrecht, achterdocht, vijandschap enz.
uit iets anders dan uit Liefde tot dingen, welke men niet
volkomen in zijn macht kan krijgen. Na dit alles kunnen
wij dus gemakkelijk inzien wat heldere en duidelijke
kennis, en vooral die derde soort van kennis (_zie
Opmerking St. XLVII D. II_), welker grondslag de kennis
van God zelve is, tegen de aandoeningen vermag: indien
zij ze al niet, voorzoover zij lijding zijn, geheel en al
opheft (_zie St. III en Opmerking St. IV v.d. D._), zoo
bewerkt zij toch dat zij een zoo klein mogelijk deel van
den Geest innemen (_zie St. XIV v.d. D._). Verder baart
zij Liefde jegens het onveranderlijke en eeuwige (_zie
St. XV v.d. D._), dat wij inderdaad deelachtig kunnen
worden (_zie St. XLV D. II_), welke Liefde dus ook nooit
door de gebreken, welke der gewone Liefde eigen zijn,
bezoedeld kan worden, doch steeds sterker en sterker
worden kan (_vlg. St. XV v.d. D._), het voornaamste deel
van den Geest kan vervullen (_vlg. St. XVI v.d. D._) en
alzijdig op hem kan inwerken.
En hiermede heb ik alles wat op dit tegenwoordig leven
betrekking heeft afgedaan. Immers dat ik, zooals ik in
het begin dezer Opmerking beloofde, in deze weinige
woorden alle verweermiddelen tegen de aandoeningen heb
samengevat, zal ieder, die gelet heeft op wat ik zeide en
tevens op de Definities welke ik gaf van den Geest en
zijn Aandoeningen, als mede ten slotte op de Stellingen I
en III van Deel III, gemakkelijk kunnen inzien. Het is
dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking
heeft op den duur des Geestes zonder verband met het
Lichaam.
_Stelling XXI._
De Geest kan zich niets voorstellen, noch zich verleden zaken
herinneren, dan alleen zoolang het Lichaam bestaat.
_Bewijs._
De Geest is alleen de uitdrukking van het werkelijk bestaan zijns
Lichaams en vat de indrukken van het Lichaam alleen als werkelijk
op zoolang het Lichaam bestaat (_vlg. Gevolg St. VIII D. II_).
Bijgevolg (_vlg. St. XXVI D. II_) vat hij geen enkel voorwerp als
werkelijk bestaande op, dan alleen zoolang als zijn eigen Lichaam
bestaat. Derhalve kan hij zich ook niets verbeelden [voorstellen]
(_zie de Definitie van Verbeelding in Opmerking St. XVII D. II_)
noch zich verleden zaken herinneren, dan alleen zoolang als zijn
Lichaam bestaat (_zie de Definitie der Herinnering in Opmerking
St. XVIII D. II_). H.t.b.w.
_Stelling XXII._
Niettemin bestaat er in God noodzakelijk een voorstelling, welke
het wezen der verschillende menschelijke Lichamen onder het
gezichtspunt der eeuwigheid uitdrukt.
_Bewijs._
God is niet alleen de oorzaak van het bestaan der verschillende
menschelijke lichamen, doch ook van hun wezen (_vlg. St. XXV D.
I_), hetwelk daarom noodzakelijk uit Gods wezen verklaard moet
kunnen worden (_vlg. Axioma IV D. I_) en dat wel met een zekere
eeuwige noodwendigheid (_vlg. St. XVI D. I_), zoodat dit begrip
noodzakelijk in God bestaan moet (_vlg. St. III D. II_). H.t.b.w.
_Stelling XXIII._
De menschelijke Geest kan niet tegelijk met het Lichaam geheel en
al teniet gaan, doch er blijft iets over dat eeuwig is.
_Bewijs._
In God bestaat noodzakelijk een begrip of voorstelling welke het
wezen van het menschelijk Lichaam uitdrukt (_vlg. voorgaande
St._) en welke daarom noodzakelijk iets is dat ook tot het wezen
van den Geest behoort (_vlg. St. XIII D. II_). Wij hebben echter
den menschelijken Geest geenerlei duur, welke door tijd bepaald
zou kunnen worden, toegekend dan alleen voorzoover hij het
werkelijk bestaan des Lichaams, dat door duur verklaard en door
tijd bepaald kan worden, uitdrukt; d.w.z. (_vlg. Gevolg St. VIII
D. II_) wij kennen hemzelf geen duur toe, dan alleen zoolang het
Lichaam bestaat. Daar evenwel datgene, wat met die zekere eeuwige
noodzakelijkheid uit Gods wezen zelf verklaard wordt (_vlg.
voorgaande St._) desalniettemin toch ìets zijn moet, zal ook
noodzakelijk dit iets, dat tot 's menschen Geest behoort, eeuwig
zijn. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Zooals wij zeiden, is deze voorstelling,
welke het wezen des Lichaams uitdrukt onder het
gezichtspunt der eeuwigheid, een zekere denkwijziging,
welke tot het wezen des Geestes behoort en noodzakelijk
eeuwig is. Toch is het niet mogelijk dat wij ons
herinneren vóór het Lichaam te hebben bestaan, aangezien
er hiervan [van dit vorig bestaan] geenerlei sporen
kunnen bestaan en eeuwigheid noch door tijd kan worden
bepaald, noch eenig verband met den tijd hebben kan.
Niettemin beseffen en ervaren wij dat wij eeuwig zijn.
Immers de dingen welke de Geest verstandelijk begrijpt,
zijn even goed ervaring als die welke hij zich herinnert
[in beelden kan voorstellen]. Bewijzen [de redeneeringen]
toch zijn de oogen des Geestes, waarmede hij zulke dingen
ziet en waarneemt. Ofschoon wij ons dus niet herinneren
dat wij vóór ons Lichaam bestonden, beseffen wij toch dat
onze Geest, voorzoover hij het wezen des Lichaams als
iets eeuwigs in zich sluit, ook zelf eeuwig is en dat dìt
bestaan niet door tijd bepaald of door duur verklaard kan
worden. Men kan dus slechts in zoover zeggen dat onze
Geest een duur heeft en dat zijn bestaan tot een
bepaalden tijd beperkt is, als hij het werkelijk bestaan
des Lichaams in zich sluit. En ook in zoover slechts
heeft hij het vermogen om het bestaan der dingen door
tijd te bepalen en onder het gezichtspunt van duur op te
vatten[A82].
_Stelling XXIV._
Hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen, hoe beter begrijpen
wij God.
_Bewijs._
Dit blijkt uit het Gevolg van Stelling XXV Deel I.
_Stelling XXV._
Het hoogste streven en de hoogste deugd des Geestes is de dingen
te begrijpen met de derde soort van kennis.
_Bewijs._
De derde soort van kennis gaat uit van de adaequate voorstelling
van eenig attribuut Gods en komt zoo tot een adaequate kennis van
het wezen der dingen (_zie haar Definitie in Opmerking II St. XL
D. II_). Hoe meer wij de dingen op deze wijze begrijpen, hoe meer
wij (_vlg. voorgaande St._) God begrijpen. Derhalve is het (_vlg.
St. XXVIII D. IV_) de hoogste deugd des Geestes, d.w.z. (_vlg.
Definitie VIII D. IV_) zijn hoogste vermogen of aard, ofwel
(_vlg. St. VII D. III_) zijn hoogste streven, de dingen te
begrijpen met deze derde soort van kennis. H.t.b.w.
_Stelling XXVI._
Hoe geschikter de Geest is om de dingen met de derde soort van
kennis te begrijpen, hoe meer hij begeert dit ook te doen.
_Bewijs._
Dit is duidelijk. Immers als wij ons voorstellen dat de Geest
geschikt is om dingen met deze derde soort van kennis te
begrijpen, denken wij hem ons ook van nature genoodzaakt om dit
te doen, en bijgevolg (_vlg. Definitie I der Aand._): hoe meer de
Geest daartoe geschikt is, hoemeer hij dit ook zal begeeren.
H.t.b.w.
_Stelling XXVII._
Uit deze derde soort van kennis ontspruit de hoogst mogelijke
zielsrust.
_Bewijs._
De hoogste deugd des Geestes is God te kennen (_vlg. St. XXVIII
D. IV_), ofwel de dingen met de derde soort van kennis te
begrijpen (_vlg. St. XXV v.d. D._), welke deugd grooter is,
naarmate de Geest méér dingen op deze wijze begrijpt (_vlg. St.
XXIV v.d. D._). Derhalve bereikt hij, die de dingen met deze
soort van kennis kent, de hoogste menschelijke volmaaktheid.
Bijgevolg zal hij (_vlg. Definitie II der Aand._) de hoogste
Blijheid gevoelen en dat wel (_vlg. St. XLIII D. II_) vergezeld
door de gedachte aan zichzelf en aan zijn deugd. Derhalve
ontspruit uit deze derde soort van kennis (_vlg. Definitie XXV
der Aand._) ook de grootst mogelijke zielsrust.
_Stelling XXVIII._
Het streven of de begeerte om de dingen met de derde soort van
kennis te kennen, kan niet uit de eerste, maar wel uit de tweede
soort van kennis voortkomen.
_Bewijs._
Deze stelling spreekt vanzelf. Immers wat wij helder en duidelijk
begrijpen, dat begrijpen wij òf uit zichzelf, òf door iets anders
dat uit zichzelf begrijpelijk is. D.w.z.: voorstellingen welke in
ons helder en duidelijk zijn, of welke tot de derde soort van
kennis behooren (_zie Opmerking II St. XL D. II_), kunnen niet
voortvloeien uit gebrekkige en verwarde voorstellingen, welke
(_vlg. dezelfde Opmerking_) tot de eerste soort van kennis
behooren, doch alleen uit adaequate, of (_vlg. dezelfde
Opmerking_) uit de tweede of derde soort van kennis. Derhalve kan
(_vlg. Definitie I der Aand._) de Begeerte om de dingen met de
derde soort van kennis te kennen, niet voortkomen uit de eerste,
doch wel uit de tweede. H.t.b.w.
_Stelling XXIX._
Al wat de Geest begrijpt onder het gezichtspunt der eeuwigheid,
begrijpt hij niet wijl hij een voorstelling heeft van het
tegenwoordige, werkelijke bestaan des Lichaams, maar wijl hij het
wezen des Lichaams opvat onder het gezichtspunt der eeuwigheid.
_Bewijs._
Voorzoover de Geest zich bewust is van het tegenwoordige bestaan
zijns Lichaams, heeft hij begrip van een duur, welke door tijd
bepaald kan worden, en slechts in zoover ook heeft hij het
vermogen om zich de dingen in tijdsverband voor te stellen (_vlg.
St. XXI v.d. D. en St. XXVI D. II_). Eeuwigheid evenwel kan niet
door duur worden verklaard (_vlg. Definitie VIII D. I en de
Toelichting daarvan_). Derhalve heeft de Geest niet dáárom het
vermogen dingen onder het gezichtspunt van eeuwigheid te
beschouwen, doch wijl het tot den aard der Rede behoort de dingen
aldus op te vatten (_vlg. Gevolg II St. XLIV D. II_) en wijl het
tot den aard des Geestes eveneens behoort het wezen des Lichaams
onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen (_vlg. St.
XXIII v.d. D._), en wijl buiten deze beide zaken niets anders tot
het wezen des geestes behoort (_vlg. St. XIII D. II_). Derhalve
komt het vermogen om de dingen onder het gezichtspunt der
eeuwigheid te beschouwen den Geest slechts toe voorzoover hij het
wezen des Lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid
beschouwt. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Op tweeërlei wijzen worden de dingen door
ons als werkelijk bestaande opgevat: òf voorzoover wij ze
ons denken als bestaande in verband met een bepaalden
tijd en plaats, òf voorzoover wij ze denken als in God
begrepen en voortvloeiende uit de noodwendigheid van den
goddelijken aard. Wat wij ons nu op deze tweede wijze als
waar of werkelijk denken, beschouwen wij onder het
gezichtspunt der eeuwigheid, en de voorstellingen van
déze dingen sluiten het eeuwige en oneindige wezen Gods
in zich, gelijk wij in Stelling XLV van Deel II hebben
aangetoond. Men zie ook de Opmerking daarbij.
_Stelling XXX._
Voorzoover onze Geest zichzelf en zijn Lichaam onder het
gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, heeft hij noodzakelijk
kennis van God en weet hij dat hij in God is en uit God verklaard
kan worden.
_Bewijs._
Eeuwigheid is het wezen Gods zelf, voorzoover dit een
noodzakelijk bestaan insluit (_vlg. Definitie VIII D. I_). De
dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwen wil dus
zeggen ze opvatten als werkelijke wezenheden, zooals ze uit Gods
wezen zijn te verklaren of voorzoover ze krachtens Gods wezen
bestaan. Derhalve heeft onze Geest, voorzoover hij zichzelf en
zijn Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt,
noodzakelijk kennis van God en weet hij enz. H.t.b.w.
_Stelling XXXI._
De derde soort van kennis hangt af van den Geest als haar
werkelijke oorzaak, voorzoover de Geest zelf eeuwig is.
_Bewijs._
De Geest beschouwt niets onder het gezichtspunt der eeuwigheid
dan voorzoover hij het wezen van zijn eigen Lichaam onder het
gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt (_vlg. St. XXIX v.d. D._),
d.w.z. (_vlg. St. XXI en XXIII v.d. D._) voorzoover hij zelf
eeuwig is. Derhalve heeft hij (_vlg. voorgaande St._) voorzoover
hij eeuwig is, kennis van God, welke kennis (_vlg. St. XLVI D.
II_) noodzakelijk adaequaat is. Dus is de Geest voorzoover hij
eeuwig is, in staat alles te kennen wat uit deze gegeven kennis
van God kan voortvloeien (_vlg. St. XL D. II_), d.w.z. om de
dingen te kennen met de derde soort van kennis (_zie de Definitie
hiervan en Opmerking II St. XL D. II_), van welke kennis daarom
de Geest (_vlg. Definitie I D. III_) voorzoover hij eeuwig is, de
adaequate of formeele oorzaak is. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hoe meer men dus in deze soort van kennis
uitblinkt, hoe beter men zich van zichzelf en van God
bewust zal zijn, d.w.z. hoe volmaakter en gelukkiger men
zijn zal; wat nog helderder uit het volgende blijken
moge. Hier moet ik echter doen opmerken dat, ofschoon wij
er thans van overtuigd zijn dat de Geest eeuwig is
voorzoover hij de dingen onder het gezichtspunt der
eeuwigheid beschouwt, wij toch (evenals wij tot dusver
deden)--teneinde wat wij willen aantoonen gemakkelijker
uiteen te zetten en beter te doen begrijpen--zullen doen
alsof hij eerst thans [in zijn tegenwoordig leven]
begonnen was te bestaan en eerst thans begonnen was de
dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te
beschouwen. Wat wij zonder eenig gevaar voor vergissing
kunnen doen, indien wij er slechts voor zorgen alleen
gevolgtrekkingen te maken uit volkomen duidelijke
gegevens.
_Stelling XXXII._
Over al wat wij met de derde soort van kennis begrijpen,
verheugen wij ons en wel met de vergezellende gedachte aan God
als oorzaak.
_Bewijs._
Uit deze soort van kennis ontspruit de grootst mogelijke
zielsrust ofwel (_vlg. Definitie XXV der Aand._) Blijheid, en dat
wel vergezeld door de gedachte aan zichzelf (_vlg. St. XXVII v.d.
D._), en bijgevolg (_vlg. St. XXX v.d. D._) ook vergezeld door de
gedachte aan God als oorzaak. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Uit de derde soort van kennis ontspringt
noodzakelijk een geestelijke Liefde tot God. Immers uit
deze soort van kennis ontspruit (_vlg. voorgaande St._)
Blijheid, vergezeld door de gedachte aan God als oorzaak,
d.w.z. (_vlg. Def. VI der Aand._) Liefde tot God, niet
voorzoover wij ons Hem als aanwezig voorstellen (_vlg.
St. XXIX v.d. D._), maar voorzoover wij begrijpen dat hij
eeuwig is en dat is het ook wat ik geestelijke Liefde tot
God noem.
_Stelling XXXIII._
De geestelijke Liefde tot God, welke uit de derde soort van
kennis voortspruit is eeuwig.
_Bewijs._
Immers de derde soort van kennis is (_vlg. St. XXXI v.d. D. en
Axioma III D. I_) eeuwig en derhalve is (_vlg. zelfde Axioma D.
I_) de Liefde welke uit haar ontspruit, noodzakelijk eveneens
eeuwig. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Ofschoon deze Liefde tot God geen begin
gehad heeft (_vlg. voorgaande St._) vertoont zij
niettemin alle volmaaktheden der Liefde, evengoed als
wanneer zij wèl een begin genomen had, zooals wij in het
Gevolg der voorgaande Stelling reeds aannamen. Er is geen
verschil dan slechts dit dat de Geest die volmaaktheden,
welke wij daareven als verworven voorstelden, reeds van
eeuwigheid af bezat en dat wel vergezeld van de gedachte
aan God als hun eeuwige oorzaak. Wanneer nu Blijheid
bestaat in den overgang tot grooter volmaaktheid, dan
moet toch zeker de Gelukzaligheid wel daarin bestaan dat
de Geest de volmaaktheid zelve deelachtig is.
_Stelling XXXIV._
De Geest is slechts tijdens het bestaan des Lichaams onderhevig
aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren.
_Bewijs._
Een verbeelding is een voorstelling, krachtens welke de Geest
iets als aanwezig beschouwt (_zie haar Definitie in Opmerking St.
XVII D. II_), welke echter meer den oogenblikkelijken toestand
van het menschelijk Lichaam, als den aard eener uitwendige zaak
weergeeft (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_). Een aandoening is dus
(_vlg. Alg. Definitie der Aand._) een verbeelding voorzoover zij
ons den oogenblikkelijken toestand des Lichaams doet kennen.
Derhalve is (_vlg. St. XXI v.d. D_), de Geest slechts tijdens het
bestaan des Lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de
lijdingen behooren. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat geen Liefde eeuwig is dan
alleen de geestelijke.
_Opmerking:_ Letten wij op wat de algemeene opvatting
hieromtrent is, dan zullen wij bevinden dat de menschen
zich weliswaar van de eeuwigheid des Geestes bewust zijn,
maar dat zij deze niettemin met een "duur" verwarren,
terwijl zij haar tevens toekennen aan de verbeelding of
het geheugen, waarvan zij gelooven dat het na den dood
blijft bestaan.
_Stelling XXXV._
God heeft zichzelf lief met een oneindige geestelijke Liefde.
_Bewijs._
God is volstrekt oneindig (_vlg. Definitie VI D. I_) d.w.z.
(_vlg. Definitie VI D. II_), Gods aard verheugt zich in oneindige
volmaaktheid, en dat wel (_vlg. St. III D. II_) met de gedachte
aan zichzelf, d.w.z. (_vlg. St. XI en Definitie I D. I_) met de
gedachte aan zijn eigen oorzaak. En dit is het wat wij in het
Gevolg van Stelling XXXII van dit Deel "geestelijke Liefde"
genoemd hebben.
_Stelling XXXVI._
De geestelijke Liefde van den Geest tot God is de Liefde Gods
zelve, waarmede God zichzelf liefheeft, niet voorzoover hij
oneindig is, maar voorzoover hij zich in het wezen van den
menschelijken Geest, beschouwd onder het gezichtspunt der
eeuwigheid, openbaart. D.w.z. de geestelijke Liefde van den Geest
tot God is een deel dier oneindige Liefde waarmede God zichzelf
liefheeft.
_Bewijs._
Deze Liefde des Geestes moet gerangschikt worden onder zijn
_handelingen_ (_vlg. Gevolg St. XXXII v.d. D. en St. III D.
III_); zij is dan een handeling waarbij de Geest zichzelf
beschouwt met de gedachte aan God als zijn oorzaak (_vlg. St.
XXXII en Gevolg v.d. D._) d.w.z. (_vlg. Gevolg St. XXV D. I en
Gevolg St. XI D. II_) een handeling waarbij God, voorzoover hij
zich in den menschelijken Geest openbaart, zichzelf beschouwt met
de gedachte aan zichzelf. Derhalve is (_vlg. voorgaande St._)
deze Liefde des Geestes een deel dier oneindige Liefde waarmede
God zichzelf liefheeft. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat God, voorzoover hij zichzelf
liefheeft, ook de menschen liefheeft en bijgevolg, dat de
Liefde van God tot de menschen en de geestelijke Liefde
van den Geest tot God één en hetzelfde zijn.
_Opmerking:_ Wij kunnen nu helder inzien, waarin ons
heil, onze gelukzaligheid ofwel onze vrijheid bestaat; te
weten in de standvastige en eeuwige Liefde tot God, of in
de Liefde van God jegens de menschen. Deze Liefde of
Gelukzaligheid wordt in de Heilige Schrift "Roem"
genoemd, en niet ten onrechte. Want onverschillig of deze
Liefde aan God dan wel aan den Geest wordt toegeschreven,
kan zij met recht Zielsrust, welke toch inderdaad niet
van Roem [Zelfverheerlijking] onderscheiden is (_vlg.
Definities XXV en XXX der Aand._) genoemd worden. Immers
voorzoover zij tot God behoort is zij (_vlg. St. XXV v.d.
D._) Blijheid--indien ik dit woord hier nog gebruiken
mag--met de gedachte aan zichzelf; wat evenzeer het geval
is wanneer men haar toeschrijft aan den Geest (_vlg. St.
XXVII v.d. D._). Waar voorts het wezen van onzen Geest
alleen in kennis bestaat, welker begin en grondslag God
is (_vlg. St. XV D. I en Opmerking St. XLVII D. II_), zal
het ons thans duidelijk zijn op welke wijze en in welk
opzicht onze Geest naar wezen en bestaan uit den
goddelijken aard voortvloeit en voortdurend van God
afhangt. Ik heb het der moeite waard geacht dit hier op
te merken, om door dit voorbeeld te kunnen doen zien van
hoeveel belang die kennis der bijzondere dingen is, welke
ik de intuïtieve of kennis van de derde soort genoemd heb
(_zie Opmerking II St. XL D. II_), en hoeveel machtiger
zij is dan de algemeene kennis welke ik die van de tweede
soort noemde. Want ofschoon ik in het Eerste Deel in het
algemeen aantoonde dat alles (_en bijgevolg ook de
menschelijke Geest_) in wezen en bestaan van God afhangt,
maakt toch dit bewijs, hoe geldig en boven allen twijfel
verheven het ook moge zijn, niet zulk een indruk op onzen
Geest, dan wanneer wij hetzelfde bewijzen uit het wezen
van elk bijzonder ding dat wij van God afhankelijk
noemden.
_Stelling XXXVII._
Er bestaat niets in de Natuur, wat met deze geestelijke Liefde in
strijd is of haar zou kunnen opheffen.
_Bewijs._
Deze geestelijke Liefde volgt noodzakelijk uit den aard van den
Geest voorzoover hijzelf, als eeuwige waarheid, beschouwd wordt
als [deel van] den aard Gods (_vlg. St. XXXIII en XXIX v.d. D._)
Indien er dus iets bestond dat met deze Liefde in strijd was, zou
het in strijd zijn met de waarheid en bijgevolg zou datgene, wat
die Liefde kon opheffen, bewerken dat wat waar is valsch werd,
hetgeen (_gelijk vanzelf spreekt_) ongerijmd is. Derhalve bestaat
er niets in de Natuur enz. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De Grondwaarheid van het vierde Deel heeft
betrekking op de bijzondere dingen, voorzoover zij
beschouwd worden in verband met een bepaalden tijd en
plaats; waaromtrent wel niemand in twijfel zal verkeeren.
_Stelling XXXVIII._
Hoemeer dingen de Geest met de tweede of derde soort van kennis
begrijpt, hoe minder hij zelf van slechte aandoeningen te lijden
heeft en hoe minder hij den dood vreest.
_Bewijs._
Het wezen des Geestes bestaat in kennis (_vlg. St. XI D. II_).
Hoemeer dingen de Geest dus kent met de tweede en derde soort van
kennis, hoe grooter deel er van hem overblijft (_vlg. St. XXIX en
XXIII v.d. D._) en bijgevolg (_vlg. voorgaande St._) hoe grooter
deel van hem niet wordt getroffen door aandoeningen, welke met
onzen aard in strijd, d.w.z. (_vlg. St. XXX D. IV_) welke slecht
zijn. Hoemeer dingen dus de Geest begrijpt met de tweede en derde
soort van kennis, hoe grooter deel van hem ongedeerd blijft en
bijgevolg hoe minder hij van zijn aandoeningen heeft te lijden
enz. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Wij kunnen thans begrijpen wat ik in
Opmerking St. XXXIX D. IV reeds aanstipte en wat ik
beloofde in dit Deel nader te zullen uiteen zetten: dat
namelijk de dood te minder schadelijk is, hoe helderder
en duidelijker de kennis is welke de Geest bezit, en
bijgevolg hoemeer de Geest God liefheeft. Wijl verder
(_vlg. St. XXVII v.d. D._) uit de derde soort van kennis
de hoogst mogelijke zielsrust voortspruit, volgt hieruit
dat de menschelijke Geest zoodanig kan worden, dat wat
van hem, gelijk wij aantoonden (_zie St. XXI v.d. D._)
tegelijk met het Lichaam verdwijnt, van niet de minste
beteekenis is vergeleken bij wat er van hem overblijft.
Doch hierover straks meer.
_Stelling XXXIX._
Wie een Lichaam heeft dat tot velerlei in staat is, heeft een
Geest welks grootste deel eeuwig is.
_Bewijs._
Wie een Lichaam heeft dat in staat is velerlei dingen te doen,
zal het minst gekweld worden door slechte aandoeningen (_vlg. St.
XXXVIII D. IV_) d.w.z. (_vlg. St. XXX D. IV_), door aandoeningen
welke met onzen aard in strijd zijn. Hij zal dus de macht hebben
(_vlg. St. X v.d. D._) om zijn lichaamsindrukken te rangschikken
en te verbinden naar orde des begrips en bijgevolg om te bewerken
(_vlg. St. XIV v.d. D._) dat al zijn lichaamsindrukken in verband
komen met de gedachte aan God. Dientengevolge zal hij (_vlg. St.
XV v.d. D._) jegens God een Liefde gevoelen, welke (_vlg. St. XVI
v.d. D._) het grootste deel van zijn Geest moet innemen of
uitmaken, zoodat hij dus (_vlg. St. XXXIII v.d. D._) een Geest
zal hebben, welks grootste deel eeuwig is. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Wijl de menschelijke lichamen tot velerlei
in staat zijn, lijdt het geen twijfel of het ligt in hun
aard, dat zij behooren kunnen bij Geesten die groote
kennis van zichzelf en van God hebben en wier grootste en
belangrijkste deel eeuwig is, zoodat zij den dood
nauwelijks vreezen. Opdat dit evenwel nog duidelijker
worde, zij er hier op gewezen dat wij leven in een
voortdurende wisseling en nu eens in beter, dan weer in
slechter toestand geraken en dientengevolge gelukkig of
ongelukkig genoemd worden. Immers wie van kind of knaap
in een lijk verandert, wordt ongelukkig genoemd;
daarentegen beschouwt men het als een geluk wanneer men
den geheelen levensstrijd met een gezonden Geest en een
gezond Lichaam kan doorloopen. En inderdaad, wie, zooals
een kind of knaap, een lichaam heeft dat tot zeer weinig
in staat is en in de hoogste mate afhankelijk van
uitwendige invloeden, heeft ook een geest die op zichzelf
beschouwd, zich haast niet bewust is van zichzelf, van
God of van de dingen. Omgekeerd, wie een lichaam bezit,
tot veel bekwaam, heeft ook een Geest, die op zichzelf
beschouwd zich sterk bewust is van zichzelf, van God en
van de dingen. Wij streven er dus in dit leven in de
eerste plaats naar om het kinderlijk lichaam, voorzoover
zijn aard dit gedoogt en voorzoover het nuttig voor hem
is, te veranderen in een dat tot velerlei bekwaam is en
bij een Geest behoort die zich zoo sterk mogelijk bewust
is van zichzelf, van God en van de dingen. En dat wel
zoozeer dat [ten laatste] al wat betrekking heeft op zijn
geheugen of verbeelding, in vergelijking met zijn
verstand van nauwelijks eenige beteekenis wordt, gelijk
ik in de Opmerking der voorgaande Stelling reeds heb
gezegd.
_Stelling XL._
Hoe volmaakter eenig wezen is, hoe meer handelt het en hoe minder
lijdt het. En omgekeerd: hoe meer het handelt, hoe volmaakter is
het.
_Bewijs._
Hoe volmaakter een wezen is, hoe meer werkelijkheid bezit het
(_vlg. Definitie VI D. II_) en bijgevolg (_vlg. St. III en
Opmerking D. III_) hoe meer handelt het en hoe minder lijdt het.
Welk bewijs in omgekeerde volgorde op dezelfde wijze geleverd kan
worden, waaruit volgt dat ook omgekeerd een wezen des te
volmaakter is hoe meer het handelt. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt, dat het deel van den Geest dat
overblijft, van welken omvang het ook zij, volmaakter is
dan het overige. Immers het eeuwig deel van den Geest is
(_vlg. St. XXIII en XXIX v.d. D._) het verstand, het
eenige waardoor wij handelen (_vlg. St. III D. III_). Dat
deel echter dat, naar wij aantoonden, te gronde gaat, is
de verbeelding [voorstelling] zelf (_vlg. St. XXI v.d.
D._), het eenige waardoor wij lijden (_vlg. St. III D.
III en de Alg. Definitie der Aand._). Derhalve is het
eerste (_vlg. voorgaande St._), van welken omvang het ook
zij, volmaakter dan het tweede. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Dit is wat ik mij had voorgenomen aan te
toonen omtrent den Geest, beschouwd buiten verband met
het lichamelijk bestaan. Waaruit blijkt, evenals uit
Stelling XXI Deel I en andere stellingen, dat onze Geest,
voorzoover hij begrijpt, een eeuwige openbaring des
Denkens is, welke door een andere eeuwige denkwijze
bepaald wordt, en deze wederom door een andere en zoo tot
in het oneindige, zoodanig dat al deze openbaringen
tezamen Gods eeuwig en oneindig verstand uitmaken.
_Stelling XLI._
Zelfs al wisten wij niet dat onze Geest eeuwig is, zoo zouden wij
toch vroomheid [rechtschapenheid] godsdienstzin en in het
algemeen alles wat wij in het vierde Deel als behoorende tot
Kloekheid en Edelmoedigheid hebben aangeduid, van het grootste
belang achten.
_Bewijs._
De eerste en eenige grondslag der Deugd of der juiste levenswijze
is (_vlg. Gevolg St. XXII en St. XXIV D. IV_) het behartigen van
het eigen belang. Om echter uit te maken wat de Rede als nuttig
beschouwt, hebben wij in het geheel geen rekening gehouden met de
eeuwigheid van den Geest welke wij eerst in dit Vijfde Deel
hebben leeren kennen. Ofschoon wij dus toentertijd nog niet
wisten dat de Geest eeuwig is, hebben wij niettemin al wat, naar
wij aantoonden, met Zielegrootheid en Edelmoedigheid in verband
staat, als van het hoogste belang beschouwd. Derhalve: al wisten
wij dit nu nog niet, zoo zouden wij nochtans die voorschriften
der Rede van het hoogste belang achten. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Het gewone volk schijnt hieromtrent een
andere meening te hebben. De meesten toch schijnen te
gelooven dat zij vrij zijn voorzoover zij hun lusten
kunnen botvieren en dat zij afstand doen van hun recht,
wanneer zij gehouden zijn volgens het voorschrift der
goddelijke wet te leven. Vroomheid en Godsdienstzin, en
in het algemeen alles wat met zielskracht verband houdt,
vinden zij een last, welken zij na den dood hopen af te
werpen, om het loon voor hun slaafschheid--die Vroomheid
en Godsdienstigheid namelijk--te ontvangen. En niet
alleen door deze Hoop, doch ook, en veel meer nog, door
de Vrees dat zij na den dood zwaar zullen worden
gestraft, worden zij er toe gedreven om volgens de
voorschriften der goddelijke wet te leven, voorzoover
tenminste hun zwakheid en machteloosheid van ziel dit
vermag. Indien deze Hoop en Vrees de menschen niet
vervulden en zij integendeel geloofden dat de Geest met
het Lichaam te gronde ging en dat zij, rampzaligen, nadat
de last der rechtschapenheid hen had uitgeput, niet
langer [hiernamaals] behoefden te leven, zouden zij
terugvallen in hun oorspronkelijken aard, alles naar hun
eigen lusten willen inrichten en liever aan het lot dan
aan zichzelf gehoorzamen. Wat mij niet minder ongerijmd
voorkomt dan dat iemand, wijl hij niet gelooft dat hij
zijn Lichaam in alle eeuwigheid met kostelijke spijzen
zal kunnen voeden, zich liever maar verzadigt met
vergiften en doodbrengende zaken; of dat hij, inziende
dat de Geest niet eeuwig of onsterfelijk is, liever
krankzinnig zou willen zijn en zonder Rede leven. Hetgeen
zoo ongerijmd is dat het nauwelijks verdient ter sprake
te worden gebracht.
_Stelling XLII._
De Gelukzaligheid is niet het loon der Deugd, maar de Deugd
[Zielskracht] zelf en wij verheugen ons niet in haar omdat wij
onze lusten bedwingen, maar omgekeerd, wijl wij ons in haar
verheugen, zijn wij bij machte onze lusten te beheerschen.
_Bewijs._
De Gelukzaligheid bestaat in de Liefde tot God (_vlg. St. XXXVI
en Opmerking v.d. D._), welke Liefde uit de derde soort van
kennis voortspruit (_vlg. Gevolg XXXII v.d. D._). Derhalve moet
deze Liefde (_vlg. St. LIX en III D. III_) den Geest eigen zijn
voorzoover hij handelt en is zij dus (_vlg. Definitie VIII D.
IV_) de Deugd zelf. Dit wat het eerste betreft. Hoe meer voorts
de Geest zich in deze goddelijke Liefde of Gelukzaligheid
verheugt, hoe meer begrijpt hij (_vlg. St. XXXII v.d. D._) d.w.z.
(_vlg. Gevolg St. III v.d. D._) hoe grooter macht heeft hij
tegenover de aandoeningen en (_vlg. St. XXXVIII v.d. D._) hoe
minder heeft hij te lijden onder aandoeningen welke slecht zijn.
Derhalve: doordat de Geest zich in die goddelijke Liefde of
Gelukzaligheid verheugt, heeft hij de macht om zijn lusten te
bedwingen. En wijl de menschelijke macht tot bedwingen der
aandoeningen alleen bestaat in begrijpen, verheugt zich dus
niemand in Gelukzaligheid òmdat hij zijn lusten bedwingt, maar
komt integendeel de macht om zijn lusten te bedwingen voort uit
de Gelukzaligheid zelf. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hiermede heb ik alles afgehandeld wat ik
over de macht van den Geest tegenover de aandoeningen en
over de Vrijheid van den Geest heb willen betoogen. Er
blijkt hieruit, hoeveel de wijze vermag en hoeveel
sterker hij is dan de onwetende die alleen door lust
geleid wordt. Immers behalve dat de onwetende door tal
van uitwendige oorzaken her en der gedreven wordt en
nooit waarachtige zielsrust erlangt, leeft hij bovendien
als onbewust van zichzelf, van God en van de dingen, en
zoodra hij ophoudt te lijden houdt hij tevens op te
bestaan. De wijze daarentegen, voorzoover men hem als
zoodanig beschouwt, wordt nauwelijks van gemoed bewogen
en houdt--met eeuwige noodwendigheid zich bewust van
zichzelf, van God en van de dingen--nooit op te bestaan,
en is steeds de waarachtige zielsrust deelachtig. Indien
al de weg, welke, naar ik aantoonde, daarheen leidt, zeer
bezwaarlijk lijkt te zijn, hij kan nochtans worden
gevonden. En voorzeker, wèl moet het moeilijk zijn, wat
men zóó zelden aantreft. Want indien de redding voor het
grijpen lag en zonder groote inspanning te bereiken was,
hoe ware het dan wel mogelijk dat zij door bijkans
iedereen wordt voorbij gezien? Doch àl voortreffelijks is
even moeizaam als zeldzaam.