Ik ga dan eindelijk over tot een ander gedeelte der zedeleer, en
wel dat handelt over de wijze of den weg welke tot vrijheid
leidt. In dit Deel zal ik dus spreken over de macht der Rede,
aantoonen wat de Rede tegenover de aandoeningen vermag en verder
waarin de Vrijheid of Gelukzaligheid des Geestes bestaat; waaruit
wij dan zullen zien hoeveel machtiger de wijze is dan de
onwetende. Op welke wijze echter of langs welken weg het verstand
behoort te worden volmaakt en ook welke zorg aan het Lichaam moet
worden besteed opdat het zijn taak naar behooren kan vervullen,
is hier niet op zijn plaats, het laatste immers behoort tot de
geneeskunde, het eerste tot de logica. Hier zal ik dus, zooals ik
gezegd heb, alleen over de macht van den Geest of van de Rede
handelen en vóór alles doen zien hoe groote en hoedanige
heerschappij deze heeft over de aandoeningen wat betreft hun
bedwinging of matiging. Want dat wij geen volstrekte heerschappij
over hen hebben, werd reeds hierboven door ons aangetoond.
Weliswaar hebben de Stoïcijnen gemeend dat zij geheel en al van
onzen eigen wil afhingen en dat wij er volstrekte heerschappij
over konden voeren. Maar toch zijn zij, wel niet op grond hunner
beginselen, maar door een onafwijsbare ervaring, gedwongen
geworden toe te geven, dat er geen geringe oefening en inspanning
voor vereischt wordt om ze te bedwingen of te matigen. Hetgeen
men, als ik mij wel herinner, heeft trachten te verduidelijken
door een proef met twee honden, een huishond en een jachthond,
welke men zóó wist af te richten, dat tenslotte de huishond kon
jagen, terwijl de jachthond had afgeleerd hazen te vervolgen. Ook
Cartesius [Descartes] huldigt deze opvatting in niet geringe
mate. Hij toch beweerde dat de Ziel of de Geest voornamelijk
zetelt in een zeker gedeelte der hersenen, de zoogenaamde
_glandula pinealis_ [pijnappelklier], door welker toedoen de
Geest alle bewegingen welke in het Lichaam worden opgewekt,
alsmede de uitwendige voorwerpen, waarneemt; terwijl de Geest
haar alleen reeds door te willen, op verschillende wijzen in
beweging kan brengen. Hij beweert dat deze klier zoodanig midden
in de hersenen is opgehangen dat zij door de minste beweging der
dierlijke geesten[A78] zelf in beweging komt. Verder zegt hij dat
deze klier op even zooveel verschillende wijzen in de hersenen
slingert als de dierlijke geesten tegen haar aan kunnen botsen en
dat zij bovendien evenveel verschillende indrukken ontvangt als
er uitwendige voorwerpen zijn welke die dierlijke geesten tegen
haar aan drijven. Vandaar dat, wanneer later de klier door den
wil der ziel die haar her en der beweegt, op de een of andere
wijze in slingering wordt gebracht op dezelfde wijze als eens
vroeger door de geesten, toen deze op een of andere wijze werden
voortgedreven, de klier dan zelf de levensgeesten weer op
dezelfde wijze zal voortdrijven en richten als zij vroeger bij
diezelfde slingering der klier werden afgestooten. Voorts beweert
hij nog dat elke willing van den Geest van nature gebonden is aan
een bepaalde beweging der klier. Wanneer bijvoorbeeld iemand een
verwijderd voorwerp bekijken wil, brengt deze willing teweeg dat
zijn pupil zich verwijdt. Wanneer hij echter alleen maar zou
denken aan het verwijden van zijn pupil zou het hem niets baten
den wil daartoe te hebben, aangezien de Natuur de beweging der
klier, welke dient om de geesten naar de gezichtszenuw te drijven
op een wijze, welke het verwijden of vernauwen der pupil bewerkt,
niet heeft verbonden met den wil om deze te verwijden of te
vernauwen, maar uitsluitend met den wil om naar een verwijderd of
dichtbij zijnd voorwerp te kijken. Tenslotte zegt hij dat,
ofschoon elke beweging dier klier door de Natuur van het begin
van ons leven af verbonden schijnt te zijn met één bepaalde
gedachte, wij toch ook nog door het gebruik andere gedachten er
aan kunnen vastknoopen, hetgeen hij tracht te bewijzen in Art. L
Deel I De Pass. Animae [Over de Gemoedsaandoeningen]. Hieruit
maakt hij dan de gevolgtrekking dat er géén ziel zoo zwak is of
zij kan, mits goed geleid, een volstrekte macht over de
hartstochten verkrijgen. Deze toch zijn volgens zijn definitie:
gewaarwordingen, gevoelens of aandoeningen der ziel, welke
bijzonderlijk tot haarzelf behooren en welke (let wel!) ontstaan,
in stand blijven en versterkt worden door een of andere beweging
der geesten (_zie art. XXVII D. I Pass. An._) Aangezien wij nu
aan ieder willing een of andere beweging der klier en bijgevolg
van de geesten kunnen verbinden en de bepaling van onzen wil
alleen van onze eigen macht afhangt, zouden wij dus een
volstrekte heerschappij over onze hartstochten kunnen verkrijgen,
indien wij slechts onzen wil lieten bepalen door die bepaalde en
vaste beginselen naar welke wij onze levensdaden wenschten te
richten en daardoor bewegingen van aandoeningen, welke wij hebben
wilden, met deze beginselen verbonden.
Dit is de meening van dezen zeer beroemden man (voorzoover ik die
uit zijn eigen woorden kan opmaken), en ik zou nauwelijks kunnen
gelooven dat een dergelijk man haar heeft uitgesproken, ware zij
minder scherpzinnig geweest. Waarlijk, niet genoeg kan ik mij er
over verbazen dat een wijsgeer, die zich zoo vastelijk had
voorgenomen alleen uit vanzelf sprekende beginselen iets af te
leiden en alleen te bevestigen wat hij helder en duidelijk had
begrepen; die nog wel den scholastieken zoo herhaaldelijk verweet
dat zij duistere zaken uit geheimzinnige eigenschappen wilden
verklaren, zelf een onderstelling aanneemt, duisterder dan de
meest geheimzinnige eigenschap. Wat, zoo vraag ik, verstaat hij
onder de eenheid van Geest en Lichaam? Welke heldere en
duidelijke voorstelling heeft hij, zoo vraag ik, van een
gedachte, welke ten nauwste verbonden zou zijn met een klein
deeltje van een of andere kwantitatieve massa [stof]. Wel gaarne
zou ik willen dat hij ons die eenheid eens uit haar naaste
oorzaak verklaarde. Maar integendeel zijn de voorstellingen,
welke hij zich vormde van Geest en Lichaam zoozeer van elkaar
verschillend, dat hij noch van die eenheid, noch van den Geest
zelf ook maar één enkele oorzaak heeft kunnen aanwijzen, maar het
noodig vond zijn toevlucht te nemen tot de oorzaak van het
gansche heelal, d.w.z. tot God. Voorts zou ik gaarne willen weten
hoeveel graden van beweging de Geest aan die pijnappelklier kan
meedeelen en met hoe groote kracht hij haar slingerende houdt.
Want ik weet niet of die klier langzamer of sneller door den
Geest wordt rondgedreven dan door de levensgeesten, en of de
bewegingen der aandoeningen welke wij zoodoende vast aan bepaalde
beginselen verbonden, niet [misschien] door lichamelijke oorzaken
weer van hen kunnen losraken; waaruit dan bijvoorbeeld zou volgen
dat, ofschoon de Geest zich vastelijk had voorgenomen een zeker
gevaar tegemoet te gaan en met dit besluit de bewegingen der
stoutmoedigheid had verbonden, de klier, op het gezicht van het
gevaar niettemin aldus kon gaan slingeren, dat de Geest aan niets
anders dan aan de vlucht kon denken. Werkelijk, er bestaat geen
[oorzakelijk] verband tusschen wil en beweging, daarom is er ook
geen vergelijking mogelijk tusschen de macht of de kracht van
Geest en Lichaam, en bijgevolg kan de kracht van het laatste ook
niet door de kracht van den eerste in bepaalde richting geleid
worden. Daarbij komt dat men deze klier geenszins zóó midden in
de hersenen gelegen vindt, dat zij zoo gemakkelijk op zoovele
wijzen rondgedreven zou kunnen worden en dat ook niet alle
zenuwen zich tot in de hersenholte uitstrekken.
Eindelijk ga ik alles wat hij over den wil en diens vrijheid
beweert voorbij, aangezien ik al herhaaldelijk genoeg heb
aangetoond dat dit alles onjuist is.
Wijl dus de macht des Geestes, gelijk ik hierboven heb
aangetoond, alleen door het verstand bepaald wordt, zullen wij
ook de geneesmiddelen tegen onze aandoeningen--van welke ik
geloof dat alle menschen ze weliswaar bij ervaring kennen, doch
alleen maar niet scherp waarnemen en duidelijk
onderscheiden--uitsluitend uit de kennis van den Geest moeten
afleiden, en uit deze kennis ook tevens al wat strekt tot zijn
gelukzaligheid.