AANHANGSEL

Wat ik in dit Deel over de juiste levenswijze heb gezegd, is niet

zóó gerangschikt dat men het met één blik kan overzien, doch werd

door mij op verschillende plaatsen betoogd al naar gelang ik een

en ander het gemakkelijkst uit iets anders kon afleiden. Ik stel

mij daarom voor dit alles thans samen te vatten en het

belangrijkste in korte Hoofdstukken te herhalen.

_Hoofdstuk I._

Heel ons streven of al onze Begeerten volgen uit de

noodwendigheid van onzen aard en wel zóó, dat zij òf uit dezen

aard zelf als naaste oorzaak verklaard kunnen worden, òf

voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en

zonder behulp van andere enkeldingen niet adaequaat begrepen kan

worden.

_Hoofdstuk II._

De Begeerten, welke zoodanig uit onzen aard voortvloeien, dat zij

alleen reeds uit dezen zelf verklaard kunnen worden, zijn die,

welke betrekking hebben op den Geest voorzoover deze wordt

opgevat als bestaande uit adaequate voorstellingen. De overige

Begeerten daarentegen hebben slechts betrekking op den Geest

voorzoover deze de dingen inadaequaat begrijpt, en hun kracht en

groei worden niet bepaald door de menschelijke macht [alleen],

maar [ook] door de macht van dingen buiten ons. Daarom worden de

eersten terecht _handelingen_, de laatsten _lijdingen_ genoemd;

gene toch wijzen op onze eigen kracht, deze daarentegen op onze

machteloosheid en gebrekkige kennis.

_Hoofdstuk III._

Onze handelingen, d.w.z. die Begeerten, welke door 's menschen

macht of Rede bepaald worden, zijn altijd goed; de overige

Begeerten kunnen zoowel goed als kwaad zijn.

_Hoofdstuk IV._

In het leven is het dus in de eerste plaats van belang het

verstand of de Rede zooveel mogelijk te volmaken en in dit ééne

bestaat 's menschen hoogste geluk of zaligheid. Immers zaligheid

is niets anders dan die zielsrust zelve, welke uit de intuïtieve

kennis van God voortspruit, terwijl het verstand volmaken niets

anders zeggen wil dan God, Gods attributen en de handelingen

welke met noodwendigheid uit zijn wezen volgen, begrijpen. Zoodat

het einddoel van den mensch, die door de Rede geleid wordt,

d.w.z. zijn hoogste Begeerte, naar welke hij alle overige tracht

te richten, dìt is: zichzelf en alle dingen, welke onder zijn

bevattingsvermogen kunnen vallen, adaequaat te begrijpen.

_Hoofdstuk V._

Geen leven dus is redelijk zonder begrip, en de dingen zijn

alleen goed voorzoover zij den mensch helpen een geestesleven te

leiden, dat op begrijpen berust. Daarentegen noemen wij al

datgene kwaad wat den mensch belet zijn Rede te volmaken en een

redelijk leven te kunnen leiden.

_Hoofdstuk VI._

Wijl evenwel alles, waarvan de mensch [op zichzelf] bewerkende

oorzaak is, noodzakelijk goed is, kan den mensch alleen door

uitwendige oorzaken iets kwaads overkomen, d.w.z. voorzoover hij

een deel is der geheele Natuur, wier wetten de menschelijke aard

gedwongen is te gehoorzamen en bij welke hij zich op bijkans

oneindig vele wijze moet aanpassen.

_Hoofdstuk VII._

Het is niet denkbaar dat de mensch géén deel der Natuur zou zijn

en haar algemeene orde nìet zou volgen. Indien hij evenwel

verkeert onder individuen, die met zijn eigen menschelijken aard

overeenstemmen, zal zijn vermogen tot handelen daardoor vanzelf

worden gesteund en versterkt. Bevindt hij zich daarentegen onder

wezens, die met zijn eigen aard zeer weinig overeenstemmen, dan

zal hij zich, niet zonder zelf groote veranderingen te ondergaan,

bij hen kunnen aanpassen.

_Hoofdstuk VIII._

Het staat ons vrij alles wat wij in de wereld der dingen voor

slecht houden of waarvan wij meenen dat het ons zou kunnen

belemmeren in ons bestaan en een redelijk leven te leiden, uit

den weg te ruimen langs den weg die ons het veiligst lijkt; alles

daarentegen wat wij goed of nuttig achten voor ons zelfbehoud en

het leiden van een redelijk leven, mogen wij voor onszelf en op

alle mogelijke wijzen gebruiken, en onvoorwaardelijk mag ieder

krachtens volste natuurlijk recht alles doen wat hij in zijn

eigen belang acht.

_Hoofdstuk IX._

Niets kan beter met den aard van eenig ding overeenkomen dan de

overige enkeldingen derzelfde soort en derhalve bestaat er (_vlg.

Hoofdstuk VII_) voor den mensch niets dienstigers voor zijn

zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven, dan de mensch

die door de Rede geleid wordt. Wijl wij voorts onder de

bijzondere dingen niets voortreffelijkers kennen dan een mensch,

die door de Rede geleid wordt kan niemand door ìets beter toonen

waartoe zijn kunde en vernuft in staat zijn, dan door de menschen

zóó op te voeden, dat zij tenslotte leven volgens gezag van hun

eigen Rede.

_Hoofdstuk X._

Voorzoover de menschen Afgunst of eenige andere aandoening van

Haat jegens elkaar koesteren, zijn zij elkaars tegenstanders en

als zoodanig des te meer te vreezen wijl hun macht grooter is dan

die van andere enkeldingen in de Natuur.

_Hoofdstuk XI._

Toch worden harten niet door wapenen, maar door Liefde en

Edelmoedigheid verwonnen.

_Hoofdstuk XII._

Het is voor de menschen van het hoogste belang met elkaar om te

gaan, zich zoodanig bij elkaar aan te sluiten, dat zij meer en

meer tezamen één eenheid vormen en in het algemeen alles te doen

wat strekt tot versterking van vriendschap.

_Hoofdstuk XIII._

Hiertoe zijn evenwel kunde en waakzaamheid noodig. De menschen

immers zijn, hoewel zeer verschillend (zeldzaam toch zijn

diegenen, die volgens de voorschriften der Rede leven), toch

meestal naijverig en meer tot wraak dan tot barmhartigheid

geneigd. Het vereischt daarom een bijzondere zielskracht om ieder

te nemen zooals hij is en zichzelf ervan te onthouden anderer

aandoeningen na te bootsen. Daarentegen zijn zij, die beter

verstaan de menschen te hekelen, liever hun ondeugden te laken

dan hen deugden te leeren, en de gemoederen te verslappen

inplaats van ze te versterken, zichzelf en anderen tot last.

Vandaar dat velen uit al te groote onverdraagzaamheid en uit

valsche godsdienstijver liever verkozen te leven onder dieren dan

onder menschen, evenals knapen of jongelingen, die de berispingen

hunner ouders niet met gelijkmoedigheid verdragen kunnen, hun

toevlucht zoeken in den krijgsdienst en de ongemakken van den

oorlog en een tyranniek gezag verkiezen boven huiselijke gemakken

en vaderlijke vermaningen en zich alle mogelijke lasten opleggen,

alleen om zich op hun ouders te wreken.

_Hoofdstuk XIV._

Ofschoon dus de menschen meestal alles naar hun eigen zin

trachten in te richten, spruiten niettemin uit hun

gemeenschappelijk verband veel meer voordeelen dan nadeelen

voort. Daarom is het 't best hun ongerechtigheden met

gelijkmoedigheid te verduren en zich met ijver toe te leggen op

al wat eendracht en het sluiten van vriendschap bevordert.

_Hoofdstuk XV._

Eendracht is een uitvloeisel van al wat recht, billijk en eerzaam

is. Want behalve onrecht en onbillijkheid, kunnen de menschen ook

niet goed velen wat voor schandelijk gehouden wordt, zooals

bijvoorbeeld het minachten van de eenmaal aangenomen zeden van

den staat. Om tot Liefde te stemmen evenwel wordt in de eerste

plaats vereischt al wat tot godsdienst en vroomheid behoort.

(_Men zie hierover de Opmerkingen I en II bij Stelling XXXVII en

de Opmerkingen bij de Stellingen XLVI en LXXIII van dit Deel_).

_Hoofdstuk XVI._

Bovendien pleegt eendracht ook dikwijls uit Vrees voort te komen;

dan echter is zij onbetrouwbaar. Men bedenke daarbij dat Vrees

uit Kleinmoedigheid ontspringt en daarom met het gebruik der Rede

niets te maken heeft, evenmin als Medelijden, ofschoon dit den

schijn heeft van Vroomheid.

_Hoofdstuk XVII._

Bovendien kan men de menschen ook door Mildheid voor zich winnen,

vooral hen, die niets bezitten waarmede zij zich datgene, wat

voor hun levensonderhoud benoodigd is, zouden kunnen verschaffen.

Het gaat evenwel de draagkracht en het belang van een partikulier

verre te boven om iederen behoeftige te helpen, de rijkdom van

een partikulier is daartoe op verre na niet toereikend. Ook is de

geestesaanleg van één enkel mensch te beperkt, dan dat hij met

iedereen vriendschap zou kunnen sluiten. Vandaar dat de armenzorg

rust op de geheele maatschappij en uitsluitend een zaak is van

algemeen belang.

_Hoofdstuk XVIII._

Bij het aanvaarden van weldaden en het betoonen van onze

dankbaarheid moet onze zorg een geheel andere zijn. (_Men zie

hieromtrent de Opmerkingen bij de Stellingen LXX en LXXI van dit

Deel_).

_Hoofdstuk XIX._

De zinnelijke Liefde verder, d.w.z. de teeldrift, welke op

lichamelijke schoonheid berust en in het algemeen elke Liefde,

welke een andere oorzaak heeft dan vrijheid van ziel, slaat licht

om in haat; tenzij ze, wat nog erger is, een soort van waanzin

is, in welk geval zij eer tweedracht dan eendracht te weeg

brengt[A76]. (_Zie Gevolg St. XXXI D. III_).

_Hoofdstuk XX._

Wat het huwelijk betreft: dit is zonder twijfel in

overeenstemming met de Rede, wanneer de Begeerte tot lichamelijke

vermenging niet slechts door schoone vormen, maar ook door het

liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op

te voeden, wordt opgewekt, en wanneer bovendien beider Liefde,

van man en vrouw, niet alleen lichamelijke schoonheid, maar

bovenal vrijheid van ziel tot oorzaak heeft.

_Hoofdstuk XXI._

Ook Vleierij schept eendracht; doch slechts door verfoeielijke

dienstbaarheid of trouweloosheid. Niemand toch wordt eerder door

vleierij ingenomen dan de hoogmoedige, die de eerste wil zijn,

maar het nochtans niet is.

_Hoofdstuk XXII._

In Zelfverachting steekt een soort van valsche vroomheid en

godsdienstigheid. En niettegenstaande Zelfverachting het

tegendeel is van Hoogmoed, is wie zichzelf veracht toch zeer nauw

verwant aan den hoogmoedige. (_Zie Opmerking St. LVII v.d. D._).

_Hoofdstuk XXIII._

Schaamte bevordert eendracht slechts in zulke gevallen welke niet

verborgen kunnen worden. Wijl voorts Schaamte een soort van

Droefheid is, heeft zij met de Rede niets te maken.

_Hoofdstuk XXIV._

De overige aandoeningen van Droefheid, welke wij jegens menschen

gevoelen, zijn rechtstreeks in strijd met Rechtvaardigheid,

Billijkheid, Eerzaamheid, Vroomheid en Godsdienstigheid, en

ofschoon Verontwaardiging het masker van Billijkheid schijnt te

dragen, zou men toch zonder wet leven waar het een ieder vrij

stond over de daden van anderen te oordeelen en zijn eigen of

eens anders recht te handhaven.

_Hoofdstuk XXV._

Gematigdheid [Minzaamheid], d.w.z. die Begeerte om den menschen

te behagen, welke op de Rede berust, behoort tot de

Rechtschapenheid [Vroomheid] (_gelijk wij in Opmerking I St.

XXXVII v.d. D. hebben gezegd_). Ontspringt zij echter uit een

aandoening dan is zij Eerzucht, ofwel die Begeerte waardoor onder

het mom van Vroomheid meestal tweedracht en opstand verwekt

worden. Immers wie anderen met raad en daad wil helpen, opdat zij

met hem het hoogste goed deelachtig worden, zal zich in de eerste

plaats beijveren hun Liefde te winnen, niet echter hen in

bewondering te brengen, opdat zijn leer naar hem genoemd worde,

en evenmin zal hij ook maar de minste aanleiding tot afgunst

geven. Voorts zal hij in het dagelijksch gesprek zich er voor

hoeden op de fouten der menschen te wijzen en over de

menschelijke machteloosheid zal hij niet dan spaarzaam spreken.

Daarentegen zal hij breedvoerig uitweiden over de menschelijke

deugd of macht en hoe deze tot volmaking gebracht kan worden,

opdat de menschen er zoodoende naar gaan streven naar het

voorschrift der Rede te leven, niet uit Vrees of Afkeer [voor

straf of van het kwaad] maar alleen door Blijheid bewogen.

_Hoofdstuk XXVI._

Buiten den mensch kennen wij geen enkel wezen in de Natuur, in

welks Geest wij ons kunnen verheugen, waarmede wij banden van

vriendschap kunnen sluiten of anderen omgang aanknoopen. Derhalve

eischt ons belang ook niet om wàt ook in de wereld der dingen,

behalve den mensch, te ontzien; integendeel leert dit belang ons

om de dingen, al naar hun verschillend nut, te bewaren, te

vernietigen, of op welke wijze dan ook voor ons gebruik geschikt

te maken.

_Hoofdstuk XXVII._

Het nut dat wij trekken van de dingen buiten ons, ligt--behalve

dat wij door ze waar te nemen en van vorm te doen veranderen

ervaring en kennis opdoen--voornamelijk in de instandhouding van

ons Lichaam. Uit dit oogpunt zijn in de eerste plaats die dingen

nuttig, welke het Lichaam zoodanig voeden en onderhouden kunnen

dat al zijn deelen hun taak naar behooren kunnen vervullen.

Immers hoe geschikter het Lichaam is om velerlei indrukken te

ontvangen en op velerlei wijzen op uitwendige voorwerpen in te

werpen, hoe geschikter ook de Geest is tot denken (_zie St.

XXXVIII en XXXIX v.d. D._). Van dergelijke zaken schijnen echter

slechts zeer weinige in de Natuur voor te komen, zoodat het, om

ons Lichaam naar behooren te voeden noodig is tal van

voedingsmiddelen van verschillenden aard te gebruiken. Immers het

menschelijk Lichaam is samengesteld uit zeer veel deelen van

verschillenden aard, welke voortdurend voedsel behoeven, en dat

wel verschillend, opdat het geheele Lichaam even geschikt blijve

tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien en bijgevolg ook de

Geest even vatbaar om veel in zich op te nemen.

_Hoofdstuk XXVIII._

Om zich dit alles te verschaffen zouden de krachten van elk op

zichzelf bezwaarlijk toereikend zijn, indien de menschen zich

niet tot gezamenlijken arbeid verbonden. Nu is het geld het

ruilmiddel[A77] voor alle dingen geworden, hetgeen tengevolge had

dat de voorstelling ervan den Geest der menigte in hooge mate

pleegt bezig te houden; immers men kan zich nauwelijks een of

andere soort van genot voorstellen, zonder daarbij te denken aan

het geld als zijn oorzaak.

_Hoofdstuk XXIX._

Dit is evenwel slechts een ondeugd bij diegenen, die niet uit

behoefte of voor hun noodzakelijk levensonderhoud geld trachten

te verdienen, doch die zich op de kunst van winstmaken toeleggen

en zich daarop nog hoogelijk laten voorstaan. Weliswaar zorgen

zij uit gewoonte voor hun Lichaam, doch kariglijk, omdat zij

evenveel van hun bezit wanen te verliezen als zij aan de

instandhouding des Lichaams besteden. Wie daarentegen het juiste

gebruik van het geld kennen en de mate van hun bezit alleen

regelen naar hun behoefte, leven tevreden met weinig.

_Hoofdstuk XXX._

Daar nu alle zaken goed zijn welke de deelen van het Lichaam

helpen bij het vervullen van hun taak en de Blijheid hierin

bestaat dat 's menschen macht, zoowel naar den Geest als naar het

Lichaam, wordt bevorderd of vermeerderd, is dus alles wat

Blijheid schenkt goed. Aangezien echter aan den anderen kant de

dingen niet op ons inwerken met de bedoeling om ons blijde te

maken en hun werking zich niet richt naar ons belang, en

aangezien tenslotte Blijheid meestal slechts op één deel van het

Lichaam in het bijzonder betrekking heeft, kunnen aandoeningen

van Blijheid (als Rede en Waakzaamheid althans niet bij de hand

zijn) en bijgevolg ook de Begeerten, welke uit hen voortspruiten,

bovenmatig worden. Waarbij nog komt dat wij onder invloed eener

aandoening datgene voor het belangrijkst houden, wat voor het

oogenblik aangenaam is, en toekomstige zaken niet met dezelfde

aandoening kunnen waardeeren. (_Zie de Opmerkingen bij St. XLIV

en LX v.d. D._)

_Hoofdstuk XXXI._

Het bijgeloof schijnt daarentegen te leeren dat goed is wat

droevig en slecht wat blijde maakt. Doch, zooals wij reeds zeiden

(_zie Opmerking St. XLV v.d. D._): niemand, tenzij een afgunstig

wezen, zal zich in mijn machteloosheid en ongemak verheugen. Want

hoe grooter Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaking gaan

wij over en bijgevolg hoe meer wij aan den goddelijken aard

deelnemen, en nooit kan Blijheid slecht zijn wanneer zij rekening

houdt met ons waarachtig belang. Wie daarentegen door Vrees

geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden, wordt

geenszins door de Rede geleid.

_Hoofdstuk XXXII._

Doch de menschelijke macht is uitermate beperkt en wordt door de

macht der uitwendige dingen oneindig overtroffen. Derhalve

bezitten wij ook niet een volstrekte macht om de dingen buiten

ons voor ons gebruik geschikt te maken. Niettemin zullen wij

alles wat ons, in strijd met wat ons belang eischt, te beurt

valt, met gelijkmoedigheid dragen indien wij ons slechts ervan

bewust zijn dat wij onzen plicht gedaan hebben; dat de macht

welke wij bezitten zich niet zoover uitstrekte dat wij dien

tegenslag hadden kunnen vermijden, en dat wij een deel zijn der

geheele Natuur, wier orde wij moeten volgen. Indien wij dit

helder en duidelijk inzien, zal dit deel van onszelf dat ons

Verstand genoemd wordt, d.w.z. ons beste deel, volkomen hierin

berusten en in deze berusting trachten te verblijven. Want

voorzoover wij begrijpen, kunnen wij niets begeeren dan wat

noodwendig is en in volstrekt niets anders berusten dan in wat

waar is. Derhalve is, voorzoover wij dit goed begrijpen, ons

beste deel in overeenstemming met de orde der geheele Natuur.

_Einde van het Vierde Deel._

* * * * *

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 52 / 59 题