_Stelling I._
Niets van wat er positiefs in een valsche voorstelling ligt,
wordt opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig.
_Bewijs._
Valschheid bestaat (_vlg. St. XXXV D. II_) alleen in het
ontbreken van kennis, dat inadaequaten voorstellingen aankleeft;
er is in deze voorstellingen (_vlg. St. XXXIII D. II_) ook niets
positiefs, waarom zij valsch genoemd kunnen worden. Integendeel,
voorzoover ze tot God worden teruggebracht, zijn zij waar (_vlg.
St. XXXII D. II_). Indien dus datgene wat er positiefs ligt in
een valsche voorstelling werd opgeheven door de aanwezigheid der
waarheid als zoodanig, zou een ware voorstelling door zichzelf
worden opgeheven, hetgeen (_vlg. St. IV D. III_) ongerijmd is.
Derhalve: niets van wat, enz. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Deze stelling is nog helderder te begrijpen
uit Gevolg II van Stelling XVI Deel II. Een
"inbeelding"[A65] toch is een voorstelling welke meer den
oogenblikkelijken toestand van het menschelijk Lichaam,
dat den aard van een uitwendig voorwerp weergeeft en dat
nog wel niet duidelijk, doch verward. Vandaar dat men
zegt dat de Geest dwaalt. Wanneer wij bijvoorbeeld naar
de zon kijken, beelden wij ons in dat zij omstreeks
tweehonderd voet van ons af staat en wij blijven net zoo
lang in deze dwaling, als wij onwetend zijn omtrent haar
waren afstand. Kennen wij echter dien afstand, dan wordt
daardoor weliswaar de dwaling opgeheven, doch niet die
inbeelding, d.w.z. die voorstelling van de zon, welke
haren aard slechts in zoover uitdrukt als het Lichaam er
de inwerking van ondervindt; en wij zullen derhalve, ook
al kennen wij haar waren afstand, haar niettemin als
dichtbij zien. Want gelijk wij reeds in de Opmerking bij
Stelling XXXV Deel II zeiden: niet dáárom stellen wij ons
de zon zoo dichtbij voor, wijl wij haar waren afstand
niet kennen, doch wijl de Geest de grootte van de zon
waarneemt op grond van de inwerking, welke het Lichaam
door haar ondergaat. Zoo stellen wij ons voor dat de zon
in het water is, wanneer haar stralen, invallend op een
watervlak, naar onze oogen worden teruggekaatst, ofschoon
wij haar juiste plaats kennen. En zoo is het met alle
andere inbeeldingen, welke den Geest misleiden, hetzij
dat zij een natuurlijken toestand des Lichaams weergeven,
hetzij dat zij vermeerdering of vermindering van zijn
vermogen tot handelen aanduiden; tegenstrijdig aan de
waarheid zijn zij niet en evenmin verdwijnen zij bij haar
aanwezigheid. Wel komt het voor dat, wanneer wij ten
onrechte eenig kwaad vreezen, onze vrees verdwijnt bij
het hooren van de ware tijding, maar omgekeerd komt het
evenzeer voor, dat wanneer wij een kwaad vreezen dat
zéker komen moet, deze vrees verdwijnt bij het hooren van
een valsche tijding. Derhalve verdwijnen inbeeldingen
niet door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig, doch
wijl er zich andere voorstellingen voordoen, welke
sterker zijn en het oogenblikkelijke bestaan dier dingen,
welke wij ons hadden ingebeeld, uitsluiten, gelijk wij in
Stelling XVII Deel II aantoonden.
_Stelling II._
Wij lijden voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op
zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.
_Bewijs._
Wij zeggen dàn dat wij lijden, wanneer er iets met ons geschiedt,
waarvan wij slechts tendeele zelf oorzaak zijn (_vlg. Definitie
II D. III_), d.w.z. (_vlg. Definitie I D. III_) iets dat niet uit
de wetten van onzen aard alleen kan worden afgeleid. Derhalve
lijden wij voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op
zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.
H.t.b.w.
_Stelling III._
De kracht, waarmede de mensch in zijn bestaan volhardt, is
beperkt en wordt door de macht van uitwendige oorzaken oneindig
overtroffen.
_Bewijs._
Dit blijkt uit het Axioma van dit Deel. Immers gegeven een
mensch, zoo is er iets anders, zeg A, dat machtiger is; en
gegeven A, zoo is er weer iets anders, zeg B, machtiger dan A, en
zoo tot in het oneindige. Dus is de macht van den mensch door de
macht van iets anders beperkt en wordt zij door die van
uitwendige oorzaken oneindig overtroffen.
_Stelling IV._
Het is onmogelijk dat de mensch niet een deel der Natuur zou zijn
en dat hij niet ook andere wijzigingen zou ondergaan dan
zoodanige, welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren zijn en
waarvan hij de adaequate oorzaak is.
_Bewijs._
De macht waardoor de bijzondere dingen, en bijgevolg ook de
menschen, hun bestaan handhaven is (_vlg. Gevolg St. XXIV D. I_)
de macht van God of van de Natuur zelf, niet voorzoover deze
oneindige is, maar (_vlg. St. VII D. III_) voorzoover zij zich in
het werkelijk [feitelijk bestaand] wezen van den mensch
openbaart. De menschelijke macht, voorzoover zij zich in zijn
eigen werkelijk wezen openbaart, is dus een deel van de oneindige
macht van God of van de Natuur, d.w.z. (_vlg. St. XXXIV D. I_)
van hun wezen. Dit wat het eerste betreft. Indien het voorts wèl
mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan
uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te
verklaren waren, zou hieruit (_vlg. St. IV en VI D. III_) volgen,
dat hij niet kon te gronde gaan, maar noodzakelijk voortdurend
moest blijven bestaan; en wel zou dit een gevolg moeten zijn van
een oorzaak, wier macht òf eindig òf oneindig was, namelijk òf
van de menschelijke macht zelf, welke dan in staat zou moeten
zijn alle veranderingen van zich af te houden, welke uit
uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien, òf van de
oneindige macht der Natuur, waardoor dan alle bijzondere dingen
zóó zouden moeten zijn ingericht, dat de mensch geen
veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige, welke tot zijn
behoud strekken. Maar het eerste is ongerijmd (_vlg. de
voorgaande Stelling, welker bewijs algemeen geldig is en voor
alle bijzondere dingen kan worden aangewend_). Derhalve: indien
het mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan
dan alleen zoodanige, welke uit den aard van den mensch zelf te
verklaren zijn en dat hij bijgevolg (_gelijk wij reeds
aantoonden_) noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan, dan
zou dit een gevolg moeten zijn van Gods oneindige macht en
bijgevolg zou (_vlg. St. XVI D. I_) uit de noodwendigheid van den
goddelijken aard, beschouwd als zich openbarende in de
voorstelling van een of anderen mensch, de geheele orde der
Natuur, zooals die zich openbaart in de attributen van Denken en
Uitgebreidheid, moeten worden afgeleid; waaruit dus volgen zou
(_vlg. St. XXI D. I_) dat de mensch oneindig was, hetgeen (_vlg.
het eerste deel van dit bewijs_) ongerijmd is. Derhalve is het
onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen
ondergaan dan alleen zoodanige, waarvan hijzelf de adaequate
oorzaak is. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan
lijdingen onderworpen is; de algemeene orde der Natuur
volgt en gehoorzaamt en, voorzoover de aard der dingen
dit eischt, zich daarbij aanpast.
_Stelling V._
De kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen
om zich te handhaven, worden niet bepaald door de macht, waardoor
wijzelf in ons bestaan trachten te volharden, doch door de macht
van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene.[A66]
_Bewijs._
Het wezen eener lijding kan (_vlg. Definitie I en II D. III_)
niet uit ons wezen alléén verklaard worden, d.w.z. (_vlg. St. VII
D. III_) de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het
vermogen, waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden, maar
moet (_gelijk in St. XVI D. II werd aangetoond_) noodzakelijk
bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in
verhouding tot onze eigene. H.t.b.w.
_Stelling VI._
De kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere
handelingen [levensuitingen] en vermogens des menschen zoozeer
overtreffen, dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht.
_Bewijs._
De kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om
zich te handhaven, worden (_vlg. voorgaande St._) bepaald door de
macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. Zij
kan dus (_vlg. St. III v.d. D._) de macht des menschen
overtreffen enz. H.t.b.w.
_Stelling VII._
Een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een
andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet
worden.
_Bewijs._
Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, is (_vlg. de
Algemeene Definitie der Aandoeningen, te vinden aan het einde van
het Derde Deel_) een voorstelling, waarin de Geest tot bewustzijn
van een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams komt.
Wanneer dus de Geest door een of andere aandoening wordt bewogen,
ondergaat tevens het Lichaam een inwerking, waardoor zijn
vermogen tot handelen toeneemt of afneemt. Deze
lichaamsaandoening nu ontvangt (_vlg. St. V v.d. D._) haar
vermogen, om in haar bestaan te volharden, van haar oorzaak, welk
vermogen dus (_vlg. St. VI D. II_) alleen kan worden bedwongen of
opgeheven door een lichamelijke oorzaak, welke (_vlg. St. V D.
III_) op een tegenovergestelde wijze op het Lichaam inwerkt en
(_vlg. Axioma v.d. D._) sterker is, zoodat (_vlg. St. XII D. II_)
de Geest de voorstelling krijgt eener aandoening, sterker dan en
tegengesteld aan de eerste; d.w.z. (_vlg. Alg. Def. der Aand._)
zoodat de Geest een aandoening ondergaat, sterker dan en
tegengesteld aan de eerste, welke dan het bestaan dezer eerste
uitsluit of opheft. Derhalve kan een aandoening alleen worden
opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere.
H.t.b.w.
_Gevolg:_ Een aandoening, voorzoover zij den Geest
betreft, kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de
voorstelling van een inwerking op het Lichaam,
tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij
ondergaan. Immers de aandoening welke wij ondergaan kan
(_vlg. voorgaande St._) alleen worden bedwongen of
opgeheven door een andere, tegengesteld en sterker,
d.w.z. (_vlg. Alg. Def. der Aand._) alleen door de
voorstelling eener lichaamsaandoening, welke sterker is
dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij
ondergaan.
_Stelling VIII._
De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening
van Blijheid of Droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn.
Wij noemen (_vlg. Definities I en II v.d. D._) datgene goed of
kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in
den weg staat, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) wat ons vermogen
tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert.
Voorzoover wij dus (_vlg. de Definities van Blijheid en
Droefheid, zie Opmerking St. XI D. III_) waarnemen dat een of
andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar
goed of kwaad, zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets
anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, welke
(_vlg. St. XXII D. II_) noodzakelijk op de aandoening van
Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (_vlg. St.
XXI D. II_) op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de
Geest met het Lichaam, d.w.z. (_gelijk in de Opmerking bij
diezelfde stelling werd aangetoond_), deze voorstelling is van
die aandoening zelf, of (_vlg. Alg. Def. der Aand._) van de
voorstelling dier inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders
onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze
kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf,
voorzoover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.
_Stelling IX._
Een aandoening, waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op
het oogenblik aanwezig is, is sterker, dan wanneer wij ons deze
oorzaak niet aanwezig denken.
_Bewijs._
Een verbeelding is een voorstelling waarin de Geest iets als
aanwezig beschouwt (_zie haar Definitie in de Opmerking bij St.
XVII D. II_) welke echter (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_) meer
de gesteldheid van het menschelijk Lichaam dan den aard van eenig
uitwendig voorwerp aanduidt. Een aandoening is dus (_vlg. Alg.
Def. der Aand._) een Verbeelding voorzoover zij een toestand des
Lichaams aanduidt. Maar een Verbeelding is te sterker (_vlg. St.
XVII D. II_) zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige
bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit. Derhalve is ook een
aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het
oogenblik aanwezig is, heviger of sterker dan wanneer wij ons
deze oorzaak niet aanwezig denken. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Toen ik hierboven, in Stelling XVIII Deel
III, zeide dat wij door de voorstelling van een
toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening
ondergingen als wanneer die zaak, welke wij ons
verbeelden, aanwezig ware, heb ik daarbij uitdrukkelijk
opgemerkt, dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen
op de voorstelling van juist deze zaak letten. Immers
deze blijft denzelfden aard behouden, onverschillig of
wij ons haar [als aanwezig] verbeeld hebben of niet. Ik
heb echter niet ontkend, dat zij zwakker wordt, wanneer
wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen, welke het
oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige [of verleden]
zaak uitsluiten. Ik heb toen nagelaten dit op te merken,
omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit Deel over de
kracht der aandoeningen te spreken.
_Gevolg:_ De voorstelling van een toekomstige of verleden
zaak, welke wij, met uitsluiting van den tegenwoordigen
tijd, alleen in betrekking tot den toekomstigen of
verleden tijd beschouwen, is, onder overigens gelijke
omstandigheden, zwakker dan de voorstelling eener
aanwezige zaak, en bijgevolg zijn ook onze gevoelens
jegens[A67] een toekomstige of verleden zaak, onder
overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die jegens
een tegenwoordige.
_Stelling X._
Door iets toekomstigs, dat wij spoedig verwachten, worden wij
sterker aangedaan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een
verder van het heden gelegen tijd zal bestaan [of plaats
grijpen], en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens
ons sterker aan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang
geleden bestond [of gebeurde].
_Bewijs._
Immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden,
of kort geleden geschied is, stellen wij ons daarmede vanzelf
iets voor, dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate
uitsluit, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder
van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen, of dat het lang
geleden plaats greep (_gelijk vanzelf spreekt_). Derhalve zullen
wij (_vlg. voorgaande St._) er ook sterker door worden aangedaan.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ Uit hetgeen wij bij Definitie VI van dit
Deel hebben opgemerkt, volgt dat wij door voorwerpen of
gebeurtenissen, welke een langer tijdsverloop van het
heden verwijderd zijn dan wij met ons
voorstellingsvermogen kunnen omvatten, even zwak worden
aangedaan, ook al weten wij dat zij onderling door een
grooten tusschenstrijd zijn gescheiden.
_Stelling XI._
De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig
voorstellen, is, onder overigens gelijke omstandigheden,
krachtiger dan die, veroorzaakt door iets mogelijks, toevalligs
of niet-noodwendigs.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen, bevestigen
wij het bestaan ervan; daarentegen ontkennen wij dat bestaan,
voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken (_vlg.
Opmerking I St. XXXIII D. I_). Derhalve is (_vlg. St. IX v.d.
D._) de aandoening, opgewekt door iets noodwendigs, onder
overigens gelijke omstandigheden, sterker dan die, teweeg
gebracht door iets niet-noodwendigs. H.t.b.w.
_Stelling XII._
De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op
het oogenblik niet bestaat, maar dat wij voor mogelijk, houden,
is, onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die,
teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig [gebeurlijk]
denken.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als toevallig [gebeurlijk] voorstellen
worden wij (_vlg. Definitie III_) door geenerlei voorstelling van
iets anders aangedaan, welke het bestaan ervan zou onderstellen
[eischen]. Integendeel, wij stellen ons dan (_vlg. het
onderstelde_) juist dingen voor, welke het oogenblikkelijk
bestaan ervan uitsluiten. Voorzoover wij ons echter iets als in
de toekomst mogelijk denken, stellen wij ons dingen voor, welke
het bestaan ervan onderstellen (_vlg. Definities IV v.d. D._),
d.w.z. (_vlg. St. XVIII D. III_) dingen, welke Hoop of Vrees
aanwakkeren. Derhalve is de aandoening door iets mogelijks te
weeg gebracht, heviger. H.t.b.w.
_Gevolg:_ De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij
weten dat het op het oogenblik niet bestaat en dat wij
ons als gebeurlijk voorstellen, is veel zwakker dan
wanneer wij ons deze zaak aanwezig denken.
_Bewijs._
De aandoening, opgewekt door iets dat wij ons als op het
oogenblik bestaande voorstellen, is sterker dan wanneer
wij het ons als toekomstig denken (_vlg. Gevolg St. IX
v.d. D._) en nog veel heviger is zij, als wij ons dien
toekomstigen tijd zeer ver van het heden verwijderd
denken, (_vlg. St. X v.d. D._). Derhalve is de
aandoening, opgewekt door iets dat wij ons ver van het
heden verwijderd denken, veel zwakker, dan wanneer wij
ons het in het heden voorstellen, doch (_vlg. voorgaande
St._) niettemin toch sterker, dan wanneer wij het ons als
toevallig denken. Derhalve zal de aandoening, opgewekt
door iets dat wij voor gebeurlijk houden zwakker zijn dan
die, teweeg gebracht door iets dat wij ons als in het
heden aanwezig voorstellen.
_Stelling XIII._
De aandoening, opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten
dat het op het oogenblik niet bestaat, is, onder overigens
gelijke omstandigheden, zwakker dan die, teweeg gebracht door
iets verledens.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als gebeurlijk voorstellen, wordt er
geenerlei voorstelling van iets anders in ons opgewekt, welke het
bestaan dier zaak onderstelt (_vlg. Definitie III v.d. D._).
Integendeel, wij stellen ons dan (_vlg. het onderstelde_) juist
dingen voor, welke haar oogenblikkelijk bestaan uitsluiten.
Voorzoover wij ons haar echter in verband met den verleden tijd
voorstellen, worden wij verondersteld aan iets te denken, dat
haar in het geheugen terug roept, ofwel dat het beeld dier zaak
opwekt (_zie St. XVIII D. II_) en dat daardoor bewerkt, dat wij
haar beschouwen als ware zij tegenwoordig (_vlg. Gevolg St. XVII
D. II_). Derhalve zal (_vlg. St. IX v.d. D._) de aandoening,
opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten dat het op het
oogenblik niet bestaat, onder gelijke omstandigheden, zwakker
zijn dan die, teweeg gebracht door iets verledens. H.t.b.w.
_Stelling XIV._
De ware kennis van goed en kwaad kan, beschouwd als waarheid,
geen enkele aandoening temperen, doch zij kan dit alleen,
voorzoover zijzelf als aandoening beschouwd wordt.
_Bewijs._
Een aandoening is een voorstelling, waarin de Geest een grootere
of geringere bestaanskracht zijns Lichaams, dan dit, tevoren
bezat, bevestigt (_vlg. Alg. Def. der Aand._) en heeft dus (_vlg.
St. I v.d. D._) niets positiefs in zich, dat door de
tegenwoordigheid van iets waars zou kunnen worden opgeheven.
Bijgevolg kan de ware kennis van goed en kwaad, beschouwd als
waarheid, geen enkele aandoening temperen. Alleen voorzoover deze
kennis zelf aandoening is (_zie St. VIII v.d. D._) kan zij,
indien zij sterker is dan deze (_vlg. St. VII v.d. D._) een
aandoening temperen. H.t.b.w.
_Stelling XV._
De Begeerte, welke uit ware kennis van goed en kwaad voortspruit,
kan door vele andere begeerten, welke ontspruiten uit
aandoeningen, waardoor wij worden aangegrepen, gedoofd of
getemperd worden.
_Bewijs._
Uit de ware kennis van goed en kwaad, voorzoover deze (_vlg. St.
VIII v.d. D._) aandoening is, ontspringt noodzakelijk Begeerte
(_vlg. Def. I der Aand._), welke te sterker is naarmate de
aandoening, uit welke zij voortkomt, sterker is (_vlg. St. XXXVII
D. III_). Maar aangezien deze Begeerte (_vlg. het onderstelde_)
ontspringt uit het feit, dat wij iets waars begrijpen, komt zij
dus uit _onszelf_ voort voorzoover wij _handelen_ (_vlg. St. I of
III D. III_); moet zij derhalve alleen uit ons eigen wezen worden
verklaard (_vlg. Def. II D. III_) en zullen bijgevolg (_vlg. St.
VII D. III_) ook haar kracht en toeneming alleen door menschelijk
vermogen bepaald worden. Voorts zijn de Begeerten, welke
ontspringen uit de [overige] aandoeningen, waardoor wij
aangegrepen worden, eveneens sterker naarmate deze aandoeningen
heviger zijn, zoodat hun kracht en toeneming (_vlg. St. V v.d.
D._) bepaald worden door de macht van uitwendige oorzaken, welke
macht, wanneer zij bij de onze wordt vergeleken, deze (_vlg. St.
III v.d. D._) onbepaald overtreft. Zoodoende kunnen begeerten,
uit dergelijke aandoeningen ontsproten, heviger zijn dan die,
welke uit de ware kennis van goed en kwaad ontspringt en daardoor
in staat zijn (_vlg. St. VII v.d. D._) deze te temperen of te
verdooven. H.t.b.w.
_Stelling XVI._
Een begeerte, welke ontspruit uit kennis van goed en kwaad,
voorzoover deze kennis de toekomst betreft, kan nog gemakkelijker
[dan de begeerte, bedoeld in St. XV] getemperd of gedoofd worden
door de Begeerte naar dingen, welke aangenaam zijn voor het
oogenblik.
_Bewijs._
De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij ons als
toekomstig denken, is flauwer dan die, veroorzaakt door iets
aanwezigs (_vlg. Gevolg St. IX v.d. D._). De Begeerte evenwel,
welke uit ware kennis van goed en kwaad ontspruit, kan,
niettegenstaande deze kennis zaken betreft, welke voor het
oogenblik goed zijn, toch gedoofd of getemperd worden door een of
andere toevallig opkomende[A68] Begeerte (_vlg. voorgaande St.
welker bewijs algemeen geldig is_). Derhalve zal de Begeerte,
welke ontspringt uit diezelfde kennis, voorzoover zij de toekomst
betreft, nog gemakkelijker getemperd of gedoofd kunnen worden.
H.t.b.w.
_Stelling XVII._
De Begeerte, welke ontspruit uit ware kennis van goed en kwaad,
voorzoover deze betrekking heeft op gebeurlijke zaken, kan nog
veel gemakkelijker getemperd worden door begeerte naar dingen die
aanwezig zijn.
_Bewijs._
Deze Stelling wordt op dezelfde wijze als de voorgaande Stelling
bewezen uit het Gevolg van Stelling XII van dit Deel.
_Opmerking:_ Ik meen hiermede de oorzaak te hebben
aangewezen, waarom de menschen meer door meeningen dan
door de waarachtige Rede worden gedreven, alsmede, waarom
de ware kennis van goed en kwaad gemoedsbewegingen opwekt
en dikwijls voor allerlei lusten moet wijken, vanwaar dan
ook het woord des dichters: _Wel zie ik het betere en
prijs het; toch jaag ik het slechtere na._[A49] Hetgeen
eveneens den Prediker voor den Geest gestaan schijnt te
hebben toen hij zeide: _En die wetenschap vermeerdert,
vermeerdert smart_ [I vers 18]. Ik zeg dit echter
geenszins met de bedoeling hieruit de gevolgtrekking te
maken, dat het beter is onwetend te blijven dan te weten,
of dat er geen verschil is tusschen een dwaas en een
verstandig man, bij het temperen hunner aandoeningen,
maar wijl het noodig is, dat wij zoowel de macht als de
machteloosheid van onzen aard leeren kennen, opdat wij
zullen kunnen vaststellen, wat de Rede ten aanzien van
het temperen der aandoeningen vermag en wat zij niet
vermag. In dit Deel nu heb ik gezegd alleen over de
menschelijke machteloosheid te zullen handelen; over de
macht der Rede ten aanzien van de gemoedsaandoeningen heb
ik mij voorgenomen afzonderlijk te spreken.
_Stelling XVIII._
De Begeerte, welke uit Blijheid voortspruit is, onder overigens
gelijke omstandigheden, sterker dan de Begeerte welke uit
Droefheid voortspruit.
_Bewijs._
Begeerte is 's menschen wezen zelf (_vlg. Definitie I der Aand._)
d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) het streven, waardoor de mensch in
zijn bestaan tracht te volharden. Vandaar dat Begeerte, welke uit
Blijheid ontspruit (_vlg. de Definitie van Blijheid, zie
Opmerking St. XI D. III_), door die aandoening van Blijheid zelf
wordt aangewakkerd of versterkt, terwijl daarentegen die, welke
uit Droefheid voortkomt (_vlg. dezelfde Opmerking_) door die
aandoening van Droefheid zelf wordt verzwakt of belemmerd.
Derhalve moet de kracht der Begeerte, welke uit Blijheid
ontspruit, zoowel door de menschelijke kracht als door die van
een uitwendige oorzaak; de kracht der begeerte daarentegen, welke
uit Droefheid voortkomt, door de menschelijke kracht alléén
bepaald worden; zoodat deze ook sterker zal zijn dan gene.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hiermede heb ik in het kort de oorzaken der
menschelijke machteloosheid en onstandvastigheid en
waarom de menschen niet de voorschriften der Rede dienen,
uiteen gezet. Er rest mij thans nog te doen zien, wàt de
Rede ons dan voorschrijft, welke aandoeningen met de
menschelijke Rede overeenstemmen en welke daarentegen
daarmede in strijd zijn. Doch alvorens te beginnen dit
alles uitvoerig volgens onze meetkundige methode uiteen
te zetten, wil ik eerst deze voorschriften der Rede reeds
nú aanduiden, opdat men datgene wat ik bedoel
gemakkelijker zal kunnen begrijpen. Daar de Rede niets
eischt dat tegen de Natuur is, verlangt zij dus zelf, dat
een ieder zichzelf liefheeft en zijn eigen belang, d.w.z.
datgene wat inderdaad nuttig voor hem is, zoekt; alles
wat den mensch werkelijk tot grooter volmaaktheid leidt
nastreeft, en in het algemeen, dat een ieder zijn
bestaan, zooveel hij kan, tracht in stand te houden. Wat,
dunkt mij, even noodzakelijk waar is, alsdat een geheel
grooter is dan zijn deelen (_zie St. IV D. III_).
Aangezien voorts Deugd (_vlg. Definitie VIII v.d. D._)
niets anders is dan handelen krachtens de wetten van zijn
eigen aard, en iemand niet anders dan krachtens de wetten
van zijn eigen aard zijn bestaan kan handhaven (_vlg. St.
VII D. III_), volgt hieruit _ten eerste_, dat de
grondslag der Deugd dit streven om zijn bestaan te
handhaven zelf is en dat het geluk daarin bestaat, dat de
mensch zijn bestaan vermag te handhaven. Ten _tweede_
volgt er uit, dat Deugd om haar zelfswil moet worden
nagestreefd en dat er niets voortreffelijkers, of voor
ons nuttigers bestaat, terwille waarvan zij zou kunnen
nagestreefd worden. Eindelijk volgt er ten _derde_ uit,
dat zij, die zichzelf van het leven berooven,
zwakzinnigen zijn, die zich geheel en al laten
overmeesteren door uitwendige omstandigheden, welke met
hunnen aard in strijd zijn. Verder volgt uit Postulaat IV
Deel II, dat wij nooit kunnen bereiken, dat wij niets
buiten ons zelf zouden behoeven om ons wezen in stand te
houden en dat wij zoo zouden kunnen leven, dat wij
geenerlei omgang [aanraking] met de dingen buiten ons
hadden; terwijl wat onzen Geest betreft, ons verstand
zeer zeker onvolmaakter zou zijn, indien de Geest alleen
ware en niets anders buiten zichzelf kon begrijpen. Er
bestaan dus tal van dingen buiten ons, welke nuttig voor
ons zijn en welke daarom moeten worden nagestreefd. En
onder deze dingen kan men zich niets voortreffelijkers
denken dan zulke, welke met onzen eigen aard volkomen
overeenstemmen. Immers, wanneer bijvoorbeeld twee
enkeldingen van geheel denzelfden aard zich met elkaar
verbinden, vormen zij tezamen één enkelding, dat tweemaal
machtiger is dan elk alleen was. Voor den mensch is er
daarom niets nuttigers dan de mensch. Niets, zeg ik,
kunnen de menschen, om hun wezen in stand te houden, méér
wenschen, dan dat zij allen zoozeer overeenstemmen, dat
hun aller Geesten en Lichamen als het ware één enkelen
Geest en één enkel Lichaam vormen; dat allen zooveel
mogelijk gezamenlijk hun wezen trachten in stand te
houden en dat allen gezamenlijk streven naar wat voor
allen nuttig is. Waaruit volgt dat menschen, die door de
Rede beheerscht worden, d.w.z. menschen die onder leiding
der Rede hun belang nastreven, niets voor zichzelf
begeeren wat zij niet ook voor de overige menschen
verlangen, en dus dat zij rechtvaardig, trouw en eerlijk
zijn.
Deze zijn dan die voorschriften der Rede welke ik hier
kortelijks wenschte aan te duiden, alvorens ze op
breedvoeriger wijze te gaan uiteen zetten. Ik deed dit
om, zoo mogelijk, mij te verzekeren van de aandacht
diergenen, die meenen dat dit beginsel: dat namelijk een
ieder zijn eigen belang behoort na te streven, de
grondslag is der goddeloosheid en geenszins van Deugd en
Vroomheid. Nadat ik dus in het kort er op heb gewezen,
dat de zaak juist omgekeerd is, ga ik voort haar op
denzelfden weg, dien wij tot dusver volgden, te bewijzen.
_Stelling XIX._
Ieder begeert of verfoeit krachtens de wetten van zijn aard
noodzakelijk datgene, wat hij voor goed of kwaad houdt.
_Bewijs._
De kennis van goed en kwaad is (_vlg. St. VIII v.d. D._) een
aandoening van Blijheid of Droefheid, voorzoover wij ons daarvan
bewust zijn; vandaar dat ieder noodzakelijk begeert wat hij voor
goed en daarentegen verfoeit wat hij voor kwaad houdt. Doch deze
begeerte is niets anders dan 's menschen wezen of aard zelf
(_vlg. Definitie der Begeerte, zie Opmerking St. IX D. III en
Definitie I der Aand._). Derhalve begeert of verfoeit een ieder
alleen reeds krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk enz.
H.t.b.w.
_Stelling XX._
Hoe meer iemand zijn belang nastreeft, d.w.z. zijn wezen poogt en
vermag in stand te houden, hoe deugdzamer hij is, en omgekeerd,
naarmate iemand zijn belang, d.w.z. de instandhouding van zijn
wezen, verwaarloost, is hij machteloozer.
_Bewijs._
Deugd is de menschelijke macht zelf, waardoor alleen 's menschen
wezen wordt bepaald (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) d.w.z. (_vlg.
St. VII D. III_) welke alleen door dit streven, waarmede de
mensch in zijn bestaan tracht te volharden, bepaald wordt. Hoe
meer dus iemand poogt en vermag zijn wezen in stand te houden,
hoe deugdzamer hij is en bijgevolg (_vlg. St. IV en VI D. III_):
naarmate iemand de instandhouding van zijn wezen verwaarloost is
hij machteloozer. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Niemand zal dus, tenzij door uitwendige en
met zijn aard strijdige oorzaken gedwongen, verwaarloozen
zijn belang na te streven of zijn wezen in stand te
houden. Niemand, zeg ik, zal krachtens de noodwendigheid
van zijn eigen aard voedsel versmaden of zichzelf dooden;
wat hij echter door uitwendige oorzaken gedwongen, op
velerlei wijzen doen kan. Zoo kan iemand zichzelf dooden,
gedwongen door een ander, die zijn rechterhand, waarmede
hij toevallig een zwaard gegrepen had, omdraait en hem
zoodoende noodzaakt het op zijn eigen hart te richten; of
doordat hij, gelijk Seneca, op bevel van een tyran
gedwongen wordt zichzelf de slagaderen te openen en
daarmede wenscht een grooter kwaad door een kleiner te
vermijden; of tenslotte, doordat verborgen uitwendige
oorzaken zoodanig op zijn verbeelding en lichaam
inwerken, dat dit laatste een anderen aard, tegengesteld
aan zijn vroegeren, verkrijgt, welks voorstelling in den
Geest niet kan bestaan (_vlg. St. X D. III_). Dat echter
de mensch krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard
er naar zou streven nìet te bestaan of een anderen
[bestaans] vorm aan te nemen, is even onmogelijk als dat
uit niets iets ontstaat, gelijk een ieder bij eenig
nadenken zal inzien.
_Stelling XXI._
Niemand kan begeeren gelukkig te zijn, goed te handelen en goed
te leven, zonder tevens te begeeren te zijn, te handelen en te
leven, d.w.z. te bestaan.
_Bewijs._
Het bewijs dezer stelling, of liever de zaak zelf, is
vanzelfsprekend en blijkt ook uit de Definitie der Begeerte.
Immers de Begeerte om gelukkig of goed te leven, te handelen
enz., is (_vlg. Definitie I der Aand._) 's menschen wezen zelf,
d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) het streven, krachtens hetwelk
ieder zijn bestaan tracht te handhaven. Derhalve kan niemand
begeeren enz. H.t.b.w.
_Stelling XXII._
Er is geen Deugd denkbaar, welke hierbij (namelijk aan het
streven om zichzelf te handhaven) zou vóórgaan[A69].
_Bewijs._
Het streven om zichzelf te handhaven is het wezen zelf van ieder
ding (_vlg. St. VII D. III_). Indien er dus een of andere Deugd
denkbaar ware, welke vóórging bij deze, d.w.z. bij dit streven
[zoodat dit uit die andere deugd zou moeten worden afgeleid],
ware derhalve (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) het wezen van iets
als voorafgaande aan zichzelf gedacht, wat (_gelijk vanzelf
spreekt_) ongerijmd is. Derhalve is er geen Deugd enz. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Het streven om zichzelf te handhaven is de
eerste en eenigste grondslag der Deugd. Immers er is
(_vlg. voorgaande St._) niets denkbaar, dat aan dit
beginsel kan vooraf gaan en zonder ditzelfde beginsel is
(_vlg. St. XXI v.d. D._) evenmin eenige andere Deugd
denkbaar.
_Stelling XXIII._
Voorzoover de mensch tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij
inadaequate voorstellingen heeft, lijdt hij (_vlg. St. I D. III_)
d.w.z. (_vlg. Definities I en II D. III_), doet hij iets dat niet
uit zijn wezen alleen kan worden afgeleid, d.w.z. (_vlg.
Definitie VIII v.d. D._), iets dat niet uitsluitend uit zijn
eigen Deugd [kracht, wezen] voortvloeit. Voorzoover hij echter
tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij iets werkelijk
begrijpt, _handelt_ hij (_vlg. dezelfde St. I D. III_), d.w.z.
(_vlg. Def. II D. III_), doet hij iets dat wèl uit zijn eigen
wezen kan worden verklaard, of dat (_vlg. Definitie VIII v.d.
D._) adaequaat uit zijn eigen Deugd voortvloeit. H.t.b.w.
_Stelling XXIV._
Geheel krachtens eigen Deugd handelen, is voor ons niets anders
dan onder leiding der Rede handelen, leven, ons bestaan handhaven
(deze drie uitdrukkingen beteekenen hetzelfde), met de bedoeling
ons eigen belang te bevorderen.
_Bewijs._
Geheel krachtens eigen Deugd handelen is (_vlg. Definitie VIII
v.d. D._) niets anders dan handelen krachtens de wetten van onzen
eigen aard. Wij handelen echter alleen voorzoover wij iets
begrijpen (_vlg. St. III D. III_). Derhalve is krachtens eigen
Deugd handelen, voor ons niets anders dan onder leiding der Rede
handelen, leven, ons bestaan handhaven, en dat wel (_vlg. Gevolg
St. XXII v.d. D._) met de bedoeling ons eigen belang te
bevorderen.
_Stelling XXV._
Niemand tracht zijn wezen in stand te houden terwille van iets
anders.
_Bewijs._
Het streven, waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te
volharden, wordt alleen door het wezen der zaak zelf bepaald
(_vlg. St. VII D. III_) en wanneer dit slechts gegeven is, volgt
(_vlg. St. VI D. III_) reeds noodzakelijk hieruit, en geenszins
uit het wezen van iets anders, dat elkeen tracht zijn bestaan te
handhaven. Bovendien blijkt deze stelling uit het Gevolg van
Stelling XXII van dit Deel. Immers, indien de mensch, terwille
van iets anders, zijn bestaan trachtte te handhaven, zou deze
andere zaak het eerste [fundamenteele] beginsel der Deugd zijn
(_gelijk vanzelf spreekt_), hetgeen (_vlg. voornoemd Gevolg_)
ongerijmd is. Derhalve tracht niemand zijn wezen enz. H.t.b.w.
_Stelling XXVI._
Datgene, waarnaar wij krachtens de Rede streven, is niets anders
dan begrip; voorzoover de Geest zich van de Rede bedient, houdt
hij alleen dat voor nuttig, wat tot begrip leidt.
_Bewijs._
Het streven om zichzelf te handhaven is (_vlg. St. VII D. III_)
niets anders dan het wezen van elk ding, aan hetwelk men,
voorzoover het als zoodanig bestaat, ook de kracht moet toekennen
om in zijn bestaan te volharden (_vlg. St. VI D. III_) en datgene
te doen wat uit zijn gegeven aard noodzakelijk voortvloeit (_zie
Definitie van den Drang in Opmerking St. IX D. III_). Doch het
wezen der Rede is niets anders dan onze Geest zelf, voorzoover
hij helder en duidelijk begrijpt (_zie haar Definitie in
Opmerking II St. XL D. II_). Derhalve is (_vlg. St. XL D. II_)
datgene, naar hetwelk wij krachtens de Rede streven, niets anders
dan begrip. Waar voorts dit streven van den Geest, waardoor hij,
voorzoover hij redeneert [redelijk denkt], tracht zijn wezen te
handhaven, niets anders is dan begrijpen (_vlg. het eerste
gedeelte van dit bewijs_), is ook dit streven naar begrip (_vlg.
Gevolg St. XXII v.d. D._) de eerste en eenige grondslag der
Deugd. Wij zullen dan ook (_vlg. St. XXV v.d. D._) niet terwille
van een of ander doel er naar streven de dingen te begrijpen.
Integendeel, voorzoover hij redelijk denkt, kan de Geest niets
voor goed houden dan alleen wat tot begrip leidt (_vlg. Definitie
I v.d. D._). H.t.b.w.
_Stelling XXVII._
Van niets weten wij met zekerheid dat het goed of kwaad is, dan
van datgene wat inderdaad tot begrip leidt, of wat ons begrip kan
belemmeren.
_Bewijs._
Voorzoover hij redelijk denkt, verlangt de Geest niets anders dan
begrijpen en houdt hij niets anders voor nuttig dan datgene, wat
tot begrip leidt (_vlg. voorgaande St._). Maar de Geest heeft
(_vlg. St. XLI en XLIII D. II; zie ook de Opmerking daarbij_)
geenerlei zekerheid omtrent de dingen, dan voorzoover hij
adaequate voorstellingen heeft, ofwel (_wat vlg. Opmerking St. XL
D. II hetzelfde is_) voorzoover hij redelijk denkt. Derhalve
weten wij van niets met zekerheid dat het goed is, dan van
datgene, wat inderdaad tot begrip leidt, en omgekeerd dat het
kwaad is, dan van datgene wat ons begrip kan belemmeren. H.t.b.w.
_Stelling XXVIII._
Het hoogste goed voor den Geest is de kennis van God en de
hoogste Deugd des Geestes is God kennen.
_Bewijs._
Het hoogste wat de Geest begrijpen kan is God, d.w.z. (_vlg.
Definitie VI D. I_) het volstrekt oneindige wezen, zonder hetwelk
(_vlg. St. XV D. I_) niets bestaanbaar, noch denkbaar is.
Derhalve is (_vlg. St. XXVI en XXVII v.d. D._) het hoogste
belang, ofwel (_vlg. Definitie I v.d. D._) het hoogste goed voor
den Geest, de kennis van God. Verder handelt de Geest alleen
(_vlg. St. I en III D. III_) voorzoover hij begrijpt en alleen
inzoover ook kan men (_vlg. St. XXIII v.d. D._) onvoorwaardelijk
van hem zeggen, dat hij krachtens eigen Deugd handelt. Begrijpen
is dus de uitsluitende Deugd des Geestes. Het hoogste evenwel wat
de Geest begrijpen kan is God (_gelijk wij reeds hebben
aangetoond_). Derhalve is het de hoogste Deugd des Geestes Gods
te begrijpen of te kennen. H.t.b.w.
_Stelling XXIX._
Een of ander bijzonder ding, welks aard geheel verschillend is
van de onze, kan ons vermogen tot handelen noch bevorderen noch
belemmeren. Trouwens in het algemeen kan niets goed of kwaad voor
ons zijn als het niet iets met ons gemeen heeft.
_Bewijs._
Van elk bijzonder ding en bijgevolg (_vlg. Gevolg St. X D. II_)
ook van den mensch, wordt het vermogen, waardoor het bestaat en
werkt uitsluitend bepaald door een ander bijzonder ding (_vlg.
St. XXVIII D. I_) welks aard (_vlg. St. VI D. II_) uit hetzelfde
attribuut moet kunnen worden afgeleid als de menschelijke aard.
Ons eigen vermogen tot handelen, hoe ook opgevat, kan dus alleen
bepaald, en bijgevolg bevorderd of belemmerd worden, door de
macht van eenig ander bijzonder ding, dat iets met ons gemeen
heeft, doch niet door de macht van iets, welks aard geheel van de
onze verschilt. Aangezien wij nu (_vlg. St. VIII v.d. D._)
datgene goed of kwaad noemen, wat oorzaak is van Blijheid of
Droefheid, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI D. III_) wat ons
vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of
belemmert, kan dus een ding, welks aard geheel en al van de onze
verschilt, voor ons ook niet goed of kwaad zijn. H.t.b.w.
_Stelling XXX._
Geen ding kan, door wat het met onzen aard gemeen heeft, slecht
voor ons zijn. Voorzoover iets slecht voor ons is, is het met
onzen aard in strijd.
_Bewijs._
Slecht noemen wij datgene, wat oorzaak is van Droefheid (_vlg.
St. VIII v.d. D._), d.w.z. (_vlg. de Definitie daarvan, welke men
vindt in Opmerking St. XI D. III_), wat ons vermogen tot handelen
vermindert of belemmert. Indien dus eenig ding, door wat het met
ons gemeen heeft, slecht voor ons was, zou het dus juist datgene,
wat het met ons gemeen had, kunnen verminderen of belemmeren,
hetgeen (_vlg. St. IV D. III_) ongerijmd is. Geen ding kan dus
door datgene, wat het met ons gemeen heeft, slecht voor ons zijn;
maar omgekeerd, voorzoover iets slecht is, d.w.z. (_gelijk reeds
werd aangetoond_) voorzoover het ons vermogen tot handelen kan
verminderen of belemmeren, is het (_vlg. St. V D. III_) met onzen
aard in strijd. H.t.b.w.
_Stelling XXXI._
Voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt, is het
noodzakelijk goed.
_Bewijs._
Immers voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt kan het
(_vlg. voorgaande St._) niet slecht zijn. Het zal dus
noodzakelijk òf goed òf onverschillig zijn. Gesteld dit laatste
ware het geval, namelijk dat het noch goed noch kwaad was, dan
zou er dus (_vlg. Definitie I v.d. D._) niets uit zijn aard
voortvloeien, dat tot instandhouding van ònzen aard strekte. Dit
echter is (_vlg. St. VI D. III_) ongerijmd; het moet dus,
voorzoover het met onzen aard overeenkomt, noodzakelijk goed
zijn. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat hoe meer eenig ding met onzen
aard overeenkomt, hoe nuttiger of hoe beter het voor ons
is, en omgekeerd, hoe nuttiger iets voor ons is, hoe meer
het met onzen aard overeenkomt. Immers voorzoover het
niet met onzen aard overeenkomt zal het noodzakelijk
ervan verschillen of er mede in strijd zijn. Indien het
ervan verschilt, zal het (_vlg. St. XXIX v.d. D._) noch
goed noch kwaad kunnen zijn; is het er echter mede in
strijd, dan zal het dus ook in strijd zijn met datgene
wat met onzen aard overeenkomt, d.w.z. (_vlg. voorgaande
St._) in strijd met wat goed is, en dus zelf slecht.
Niets kan dus goed zijn, dan alleen voorzoover het met
onzen aard overeenkomt, en derhalve, hoe meer eenig ding
met onzen aard overeenkomt, hoe nuttiger het is, en
omgekeerd. H.t.b.w.
_Stelling XXXII._
Voorzoover de menschen aan lijdingen onderworpen zijn kan men
niet van hen zeggen dat zij van nature overeenkomen.
_Bewijs._
Wat men van nature overeenkomend noemt, beschouwt men als
overeenkomend in vermogen (_vlg. St. VII D. III_), niet echter in
onvermogen of iets negatiefs, en bijgevolg (_zie Opmerking St.
III D. III_) ook niet in lijding; zoodat men van de menschen,
voorzoover zij aan lijdingen onderworpen zijn, ook niet zeggen
kan, dat zij van nature overeenkomen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Dit is ook vanzelf duidelijk. Immers wie
zegt, dat wit en zwart alleen dáárin overeenkomen, dat
geen van beide rood zijn, bevestigt hiermede volkomen dat
wit en zwart in geen enkel opzicht overeenkomen. En
evenzoo, wie beweert, dat een steen en een mensch alleen
dáárin overeenkomen, dat zij beide begrensd en machteloos
zijn, of dat zij niet krachtens de noodwendigheid van hun
eigen aard bestaan, of eindelijk dat hun vermogen door
dat van uitwendige oorzaken verre wordt overtroffen, die
erkent hiermede volkomen, dat een steen en een mensch in
geen enkel opzicht overeenkomen. Immers zaken, welke
alleen in iets negatiefs of in datgene wat hen nìet eigen
is, overeenkomen, komen in werkelijkheid in geen enkel
opzicht overeen.
_Stelling XXXIII._
De menschen kunnen van nature verschillen voorzoover zij door
aandoeningen, welke lijdingen zijn, getroffen worden; in zoover
is zelfs één en dezelfde mensch veranderlijk en onstandvastig.
_Bewijs._
De aard of het wezen der aandoeningen kan niet uit ons wezen of
onzen aard alleen worden verklaard (_vlg. Definities I en II D.
III_) doch moet worden bepaald door de macht, d.w.z. (_vlg. St.
VII D. III_) door den aard der uitwendige dingen, in verhouding
tot de onze. Vandaar dat er van elke aandoening evenveel soorten
zijn als er soorten van voorwerpen, welke op ons inwerken,
bestaan (_zie St. LVI D. III_) en dat de menschen van één en
hetzelfde voorwerp verschillende inwerkingen ondergaan (_zie St.
LI D. III_) en inzoover van nature verschillen, terwijl tenslotte
(_vlg. dezelfde St. LI D. III_) één en dezelfde mensch door
hetzelfde voorwerp op verschillende wijze wordt aangedaan en dus
in zoover veranderlijk is enz. H.t.b.w.
_Stelling XXXIV._
Voorzoover de menschen door aandoeningen, welke lijdingen zijn,
getroffen worden, kunnen zij tegenover elkaar staan.
_Bewijs._
Een zeker mensch, bijvoorbeeld Petrus, kan oorzaak zijn dat
Paulus zich bedroeft, doordat hij iets heeft, dat gelijkt op iets
wat Petrus haat (_vlg. St. XVI D. III_) of omdat Petrus alleen in
het bezit is van iets, dat ook Paulus liefheeft (_zie St. XXXII
en Opmerking D. III_), of om andere redenen (_waarvan men de
voornaamste kan vinden in de Opmerking bij St. LV D. III_). Het
kan dus voorkomen (_vlg. Definitie VII der Aand._) dat Paulus om
één dezer redenen haat koestert jegens Petrus en bijgevolg kan
het ook licht gebeuren (_vlg. St. XL en Opmerking D. III_), dat
omgekeerd Petrus haat gevoelt jegens Paulus, en dat zij daarom
(_vlg. St. XXXIX D. III_) zullen trachten elkaar kwaad te
berokkenen, d.w.z. (_vlg. St. XXX v.d. D._) dat zij tegenover
elkaar staan. Nu is echter een aandoening van Droefheid steeds
een lijding (_vlg. St. LIX D. III_); derhalve kunnen menschen,
voorzoover zij getroffen worden door aandoeningen welke lijdingen
zijn, tegenover elkaar staan.
_Opmerking:_ Ik heb gezegd, dat Paulus haat koestert
jegens Petrus, omdat hij zich voorstelde, dat deze iets
bezit wat Paulus zelf eveneens liefheeft. Op het eerste
gezicht schijnt hieruit te volgen, dat deze beiden, omdat
zij hetzelfde lief hebben en bijgevolg, omdat zij van
nature overeenkomen, elkaar kwaad berokkenen en dat
dientengevolge als dit waar is, de Stellingen XXX en XXXI
van dit Deel valsch zouden zijn. Maar wanneer wij deze
zaak nauwkeuriger overwegen, zullen wij bevinden dat dit
alles in volkomen overeenstemming is. Want deze beiden
zijn elkaar niet tot last voorzoover zij van nature
overeenkomen, d.w.z. voorzoover zij beiden hetzelfde
liefhebben, maar juist voorzoover zij van elkaar
verschillen. Immers voorzoover beiden hetzelfde
liefhebben, wordt hierdoor beider liefde aangewakkerd
(_vlg. St. XXXI D. III_) d.w.z. (_vlg. Definitie VI der
Aand._) beider Blijheid versterkt, zoodat het er verre
vandaan is, dat zij elkaar tot last zouden zijn
voorzoover zij hetzelfde liefhebben en van nature
overeenkomen. De reden hiervan is integendeel, gelijk ik
reeds zeide, geen andere dan dat zij, naar werd
ondersteld, juist van nature verschillen. Wij nemen toch
immers aan, dat Petrus een voorstelling heeft van een
geliefd voorwerp, dat reeds in zijn bezit is, Paulus
daarentegen van een dat hij mist. Vandaar dat déze
Droefheid, gene daarentegen Blijheid gevoelt en dat zij
in zoover tegenover elkaar staan. Op deze wijze nu kunnen
wij gemakkelijk aantoonen, dat ook de overige
aanleidingen tot haat alleen daarvan afhangen, dat
menschen van nature verschillen en niet van datgene
waarin zij overeenkomen.
_Stelling XXXV._
Alleen voorzoover de menschen leven volgens leiding der Rede,
komen zij steeds en noodzakelijk van nature overeen.
_Bewijs._
Voorzoover de menschen door aandoeningen welke lijdingen zijn
getroffen worden, kunnen zij van nature verschillen (_vlg. St.
XXXIII v.d. D._) en tegenover elkaar staan (_vlg. voorgaande
St._). Maar men kan alleen zeggen, dat de menschen _handelen_
voorzoover zij leven volgens leiding der Rede (_vlg. St. III D.
III_); en daarom moet al wat voortvloeit uit den menschelijken
aard, voorzoover deze door de Rede bepaald wordt, (_vlg.
Definitie II D. III_) uitsluitend uit dien menschelijken aard als
naaste oorzaak worden verklaard. Aangezien evenwel ieder
krachtens de wetten van zijn eigen aard tracht te verkrijgen, wat
hij voor goed en te verwijderen wat hij voor kwaad houdt (_vlg.
St. XIX v.d. D._) en bovendien dat, wat wij op gezag der Rede
voor goed of kwaad houden, ook noodzakelijk goed of kwaad ìs
(_vlg. St. XLI D. II_) doen dus de menschen, voorzoover zij onder
leiding der Rede leven, noodzakelijk alleen zulke dingen, welke
voor den menschelijken aard, en bijgevolg voor ieder mensch,
noodzakelijk goed zijn, d.w.z. (_vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D._)
welke met den aard van ieder mensch overeenkomen; zoodat de
menschen, voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, steeds
noodzakelijk met elkaar in overeenstemming zijn. H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Er bestaat in de wereld der dingen geen enkel
bijzonder ding, dat voor den mensch nuttiger is dan een
mensch, die volgens leiding der Rede leeft. Want datgene
is (_vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D._) het allernuttigste
voor den mensch, wat het meest met zijn aard overeenkomt,
d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_) de mensch. Maar de
mensch handelt geheel en al krachtens de wetten van zijn
aard, wanneer hij volgens leiding der Rede leeft (_vlg.
Definitie II D. III_), en slechts inzoover is hij steeds
en noodzakelijk met den aard van andere menschen in
overeenstemming (_vlg. voorgaande St._). Derhalve bestaat
er voor den mensch onder alle bijzondere dingen niets
nuttigers dan de mensch enz. H.t.b.w.
_Gevolg II:_ Wanneer ieder mensch het meest zijn eigen
belang zoekt, zijn de menschen het nuttigst voor elkaar.
Want hoemeer ieder zijn eigen belang zoekt en zichzelf
tracht te handhaven, hoe deugdzamer is hij (_vlg. St. XX
v.d. D._), of wat hetzelfde is (_vlg. Definitie VIII v.d.
D._), hoe grooter is zijn vermogen om krachtens de wetten
van zijn aard te handelen, d.w.z. (_vlg. St. III D. III_)
om te leven volgens leiding der Rede. Maar de menschen
stemmen dàn het meest van nature overeen, wanneer zij
volgens leiding der Rede leven (_vlg. voorgaande St._).
Derhalve zullen (_vlg. voorgaand Gevolg_) de menschen dàn
het nuttigst voor elkaar zijn, wanneer elk het allermeest
zijn eigen belang zoekt. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Wat wij hier aantoonden bevestigt ook de
ervaring zelf dagelijks met zoovele en zoo glasheldere
voorbeelden, dat het haast elkeen in den mond ligt dat:
de mensch des menschen god is. Nochtans komt het zelden
voor dat de menschen volgens leiding der Rede leven, maar
meestal is het zóó met hen gesteld, dat zij elkaar
benijden en onderling hinderen. Niettemin kunnen zij een
eenzaam leven niet goed verdragen, zoodat den meesten de
definitie, volgens welke de mensch een sociaal dier is,
ten zeerste toelacht; en inderdaad is het een feit, dat
uit het gemeenschapsleven der menschen veel meer
vóórdeelen dan nadeelen voortvloeien. Mogen dus de
hekelaars, zooveel het hen behaagt, het menschelijk doen
en laten bespotten, mogen de godgeleerden het verfoeien
en mogen de zwartgalligen, zooveel zij kunnen,
onbeschaafdheid en het boersche leven loven, de menschen
verachten en de beesten bewonderen; zij zullen nochtans
de ervaring opdoen, dat de menschen door onderlinge hulp
zich het gemakkelijkst al wat zij noodig hebben kunnen
verschaffen en niet dan met vereende krachten de gevaren,
welke overal dreigen, kunnen ontwijken; om nog ervan te
zwijgen dat het veel voortreffelijker en onzen weetlust
veel waardiger is, onze aandacht te wijden aan het leven
der menschen dan aan dat der dieren. Doch hierover elders
uitvoeriger.
_Stelling XXXVI._
Het hoogste Goed voor hen die de Deugd volgen, is allen gemeen en
allen kunnen er zich gelijkelijk in verheugen.
_Bewijs._
Uit Deugd handelen is volgens leiding der Rede handelen (_vlg.
St. XXIV v.d. D._) en het eenige, waarnaar wij op bevel der Rede
streven, is begrijpen (_vlg. St. XXVI v.d. D._). Derhalve is
(_vlg. St. XXVIII v.d. D._) het hoogste Goed voor hen die de
Deugd volgen: God te kennen, d.w.z. (_vlg. St. XLVII en Opmerking
D. II_) een goed dat allen menschen gemeen is en dat alle
menschen, voorzoover zij van denzelfden aard zìjn, gelijkelijk
kunnen bezitten.
_Opmerking:_ Indien nu echter de een of ander vraagt, of
misschien het hoogste Goed voor hen, die de Deugd volgen,
ook nìet aan allen gemeen zou kunnen zijn, en of dan niet
daaruit, evenals hierboven (_zie St. XXXIV v.d. D._) zou
volgen dat menschen, die volgens leiding der Rede leven,
d.w.z. (_vlg. St. XXXV v.d. D._) menschen voorzoover zij
van nature overeenkomen, toch tegenover elkaar konden
staan, dan zou ik diegenen ten antwoord geven, dat het
niet toevallig is, maar uit den aard der Rede zelf
voortvloeit, dat het hoogste Goed des menschen allen
gemeen is; wijl het toch immers uit het menschelijke
wezen zelf, voorzoover dit door de Rede bepaald is, wordt
afgeleid en wijl de mensch noch bestaanbaar noch denkbaar
zou zijn als hij niet het vermogen bezat zich in dat
hoogste Goed te verheugen. Immers het behoort (_vlg. St.
XLVII D. II_) tot het wezen van den menschelijken Geest
een adaequate kennis te hebben van het eeuwige en
oneindige wezen Gods.
_Stelling XXXVII._
Het Goed, dat elk die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, zal
hij ook den overigen menschen toewenschen en dat temeer, naarmate
hij grooter kennis van God heeft.
_Bewijs._
Voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, zijn menschen den
mensch het nuttigst (_vlg. Gevolg I St. XXXV v.d. D._) en wij
zullen derhalve (_vlg. St. XIX v.d. D._) krachtens dit leiding
der Rede noodzakelijk trachten te bewerken dat ook andere
menschen volgens leiding der Rede leven. Het Goed evenwel, dat
elk, die volgens de voorschriften der Rede leeft, d.w.z. (_vlg.
St. XXIV v.d. D._) die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, is
"begrijpen" (_vlg. St. XXVI v.d. D._). Derhalve wenscht ieder die
de Deugd volgt, het Goed dat hij voor zichzelf begeert, ook
anderen toe. Voorts is de Begeerte, voorzoover zij op den Geest
betrekking heeft, het wezen van den Geest zelf (_vlg. Definitie I
der Aand._). Het wezen van den Geest echter bestaat in kennis
(_vlg. St. XI D. II_), welke de kennis van God in zich sluit
(_vlg. St. XLVII D. II_) en zonder welke hij (_vlg. St. XV D. I_)
noch bestaanbaar noch denkbaar is. Derhalve: hoe grooter kennis
van God het wezen des Geestes in zich sluit, hoe sterker ook de
Begeerte zal zijn, waarmede hij, die de Deugd volgt, het Goed dat
hij voor zichzelf verlangt, anderen toewenscht. H.t.b.w.
_Anders._
Het Goed, dat een mensch voor zichzelf begeert en liefheeft, zal
hij te standvastiger liefhebben, wanneer hij ziet dat anderen het
eveneens liefhebben (_vlg. St. XXXI D. III_). Hij zal er dus
(_vlg. Gevolg zelfde St._) naar streven, dat anderen het ook
liefhebben, en wijl dit Goed (_vlg. voorgaande St._) allen gemeen
is en allen er zich in kunnen verheugen, zal hij dus (_om
dezelfde reden_) er naar streven, dat allen er zich inderdaad in
verheugen, en dat wel te meer (_vlg. St. XXXVII D. III_),
naarmate hijzelf meer van dit Goed geniet. H.t.b.w.
_Opmerking I:_ Wie alleen op grond van een
gemoedsaandoening [bv. eigenzinnigheid, ijdelheid] er
naar streeft dat anderen liefhebben wat hijzelf liefheeft
en dat anderen naar zìjn zin leven, handelt alleen uit
aandrift en maakt zich daardoor gehaat, vooral bij hen
die behagen scheppen in andere dingen en die zich
dientengevolge beijveren en met denzelfden hartstocht er
naar streven, dat anderen juist naar hùn zin leven
zullen. Aangezien voorts het hoogste goed waarnaar de
menschen uit gemoedsaandrang streven, dikwijls van dien
aard is dat slechts één mensch het bezitten kan, is
hiervan het gevolg dat lieden, die op deze wijze iets
liefhebben, het niet met zichzelf eens zijn en, terwijl
zij blijde den lof zingen van hetgeen zij liefhebben,
nochtans vreezen dat men hen zal gelooven. Wie er evenwel
naar streeft anderen door de Rede te leiden, handelt niet
uit hartstocht, doch humaan en welwillend en is het
volkomen met zichzelf eens. Al wat wij wenschen en doen
en waarvan wij zelf oorzaak zijn voorzoover wij een
voorstelling van God hebben, of voorzoover wij God
kennen, reken ik tot den godsdienst. De Begeerte om wel
te doen daarentegen, welke ontspringt uit het feit dat
wij volgens de Rede leven, noem ik _Rechtschapenheid_
[vroomheid]. De Begeerte welke den mensch, die volgens
leiding der Rede leeft, er toe drijft zich anderen tot
vriend te maken, noem ik vervolgens _Eerbaarheid_ en
_eerbaar_ datgene wat lieden die volgens leiding der Rede
leven prijzen, _schandelijk_ daarentegen, wat van het
opvatten van vriendschap afschrikt. Wat, behalve deze
zaken, de grondslagen van den staat zijn, heb ik reeds
aangetoond. Wat verder het verschil is tusschen
waarachtige Deugd en machteloosheid, is gemakkelijk uit
het hierboven gezegde op te maken. De ware Deugd is
namelijk niets anders dan leven alleen volgens leiding
der Rede, en machteloosheid bestaat dus alleen hierin dat
de mensch zich door dingen buiten hem laat leiden en door
hen genoopt wordt tot handelingen, welke door de
algemeene uitwendige omstandigheden, niet echter door
zijn eigen aard op zichzelf beschouwd, geëischt worden.
Dit nu is het wat ik in de Opmerking bij Stelling XVIII
van dit Deel beloofde te behandelen. Er blijkt [ook] uit
dat [bijvoorbeeld] het verbod om dieren te slachten meer
op ijdel bijgeloof en vrouwelijke weekhartigheid, dan op
gezond verstand berust. Het beginsel, dat wij ons eigen
belang moeten zoeken, leert ons weliswaar in vriendschap
te leven met menschen, niet echter met dieren of dingen
welker aard van den menschelijken aard verschilt.
Integendeel, hetzelfde recht dat zij tegenover ons
hebben, bezitten wij tegenover hen. Jazelfs, waar elks
recht door elks Deugd of Macht bepaald wordt, hebben de
menschen veel meer recht tegenover de dieren, dan deze
tegenover de menschen. Ik ontken hiermede volstrekt niet
dat de dieren gevoel hebben, maar wel ontken ik, dat het
ons daarom niet zou vrij staan met ons belang te rade te
gaan en hen naar willekeur te gebruiken en te behandelen
zooals het ons het best past, aangezien zij toch van
nature niet met ons overeenkomen, doch hun aandoeningen
van nature verschillen van de menschelijke (_zie
Opmerking St. LVII D. III_).
Er rest mij thans nog uiteen te zetten wat recht, wat
onrecht, wat zonde en tenslotte wat verdienste is. Zie
hierover echter de volgende Opmerking.
_Opmerking II:_ In het Aanhangsel van het Eerste Deel
beloofde ik uiteen te zullen zetten wat lof en blaam,
verdienste en zonde, recht en onrecht zijn. Wat nu lof en
blaam betreft: deze heb ik reeds in de Opmerking bij
Stelling XXIX Deel III behandeld; voor de overige
begrippen is het hier de plaats om ze te bespreken.
Vooraf echter moet ik enkele opmerkingen maken omtrent
den natuurlijken en den maatschappelijken staat des
menschen.
Ieder mensch bestaat krachtens hoogste, natuurlijk recht
en bij gevolg doet elkeen krachtens dit hoogste
natuurlijke recht datgene, wat noodwendig uit zijn aard
voortvloeit, zoodat ook elkeen krachtens hoogste
natuurlijk recht uitmaakt wat [voor hem] goed of kwaad
is, volgens eigen inzicht zijn eigen belang behartigt
(_zie St. XIX en XX v.d. D._), zichzelf wreekt (_zie
Gevolg II St. XL D. III_), dat wat hij liefheeft tracht
in stand te houden en wat hij haat tracht te vernietigen,
(_zie St. XXVIII D. III_). Indien nu slechts de menschen
volgens leiding der Rede leefden, zou elkeen (_vlg.
Gevolg I St. XXXV v.d. D._) dit zijn hoogste recht
uitoefenen zonder eenig nadeel voor een ander. Maar
aangezien de menschen aan aandoeningen onderworpen zijn
(_vlg. Gevolg St. IV v.d. D._) welke (_vlg. St. VI v.d.
D._), de menschelijke kracht of Deugd verre te boven
gaan, worden zij naar verschillende kanten getrokken
(_vlg. St. XXXIII v.d. D._) en komen zij met elkaar in
strijd (_vlg. St. XXXIV v.d. D._), terwijl zij toch
elkaars wederzijdsche hulp behoeven (_vlg. Opmerking St.
XXXV v.d. D._). Opdat dus de menschen eendrachtig kunnen
leven en elkander tot steun zijn, is het noodzakelijk dat
zij van hun natuurlijk recht afstand doen en elkaar
wederkeerig de zekerheid verschaffen, dat zij niets
zullen doen wat tot eens anders nadeel kan strekken. Hoe
dit nu mogelijk is, namelijk dat menschen die (_vlg.
Gevolg St. IV v.d. D._) noodzakelijk aan aandoeningen
onderhevig, en (_vlg. St. XXXIII v.d. D._) onstandvastig
en veranderlijk zijn, elkaar toch die zekerheid kunnen
geven en op elkaar kunnen vertrouwen, blijkt uit Stelling
VII van dit Deel en Stelling XXXIX van Deel III. Hier
toch werd betoogd dat geen enkele aandoening kan worden
bedwongen dan alleen door een sterkere en
tegenovergestelde en dat ieder van kwaad doen afziet uit
vrees voor een grooter kwaad. Op deze wet nu kan een
gemeenschap worden gegrondvest, indien zij slechts het
recht om zichzelf te wreken en over goed en kwaad te
oordeelen, dat ieder individu afzonderlijk bezat,
zichzelf voorbehoudt en dus het recht heeft een
gemeenschappelijke levenswijze voor te schrijven en
wetten uit te vaardigen, welke zij niet door de Rede,
welke de hartstochten niet kan bedwingen (_vlg. Opmerking
St. XVII v.d. D._), doch door bedreigingen handhaaft.
Zulk een gemeenschap nu, op wet en de macht om zich te
handhaven gegrond, noemt men een _Staat_, en hen die door
haar recht worden beschermd "staatsburgers", waaruit wij
gemakkelijk kunnen inzien dat er in den natuurtoestand
niets is dat naar aller oordeel goed of kwaad is,
aangezien een ieder die in den natuurtoestand verkeert,
alleen met zijn eigen belang te rade gaat en naar eigen
inzicht en voorzoover het ten opzichte van zijn eigen
belang zin heeft, uitmaakt wat goed of kwaad is en door
geen enkele wet gehouden is iemand anders dan zichzelf
alleen te gehoorzamen. In den natuurtoestand is dus ook
geen zonde denkbaar, wel echter in den burgerlijken
staat, waar door gemeenschappelijk besluit wordt
vastgesteld wat goed en kwaad is en ieder gehouden is den
staat te gehoorzamen. _Zonde_ is dus niets anders dan
ongehoorzaamheid, welke alleen door het recht van den
staat wordt gestraft; gehoorzaamheid daarentegen strekt
den burger tot _verdienste_, wijl hij daardoor waardig
wordt geacht de voordeelen van den staat te genieten.
Voorts is in den natuurtoestand niemand met algemeene
toestemming "Heer" van iets, evenmin als er in de Natuur
iets bestaat, waarvan men zou kunnen zeggen, dat het
dezen en niet genen mensch toebehoort; maar alles is er
van allen, zoodat er in den natuurtoestand ook geen
verlangen denkbaar is om ieder het zijne te geven of om
een ander te ontrooven wat hem toebehoort. Hetgeen zeggen
wil dat er in den natuurtoestand niets gebeurt, dat recht
of onrecht genoemd kan worden, wel echter in den
burgerlijken staat, waar met algemeene toestemming wordt
uitgemaakt wat van deze en wat van gene is. Waaruit
blijkt, dat recht en onrecht, zonde en verdienste,
begrippen van buiten af zijn, doch geen eigenschappen
welke het wezen van den Geest uitdrukken. Doch hierover
genoeg.
_Stelling XXXVIII._
Datgene, wat het menschelijk Lichaam geschikt maakt om zooveel
mogelijk indrukken te ontvangen, of wat het geschikt maakt om op
uitwendige voorwerpen op velerlei wijzen in te werken, is nuttig
voor den mensch, en wel des te nuttiger, naarmate het Lichaam er
geschikter door wordt om velerlei indrukken te ontvangen en op
andere voorwerpen in te werken. Daarentegen is schadelijk al wat
het Lichaam hiertoe minder geschikt maakt.
_Bewijs._
Hoe geschikter het Lichaam daartoe gemaakt wordt, hoe beter de
Geest in staat is [de dingen] in zich op te nemen (_vlg. St. XIV
D. II_). Derhalve is datgene wat het Lichaam in dit opzicht
ontvankelijk en geschikt maakt noodzakelijk goed of nuttig (_vlg.
St. XXVI en XXVII v.d. D._) en des te nuttiger, naarmate het het
Lichaam daartoe geschikter kan maken. Omgekeerd is (_vlg. het
omgekeerde van dezelfde St. XIV D. II en vlg. St. XXVI en XXVII
v.d. D._) schadelijk wat het Lichaam daartoe minder geschikt
maakt. H.t.b.w.
_Stelling XXXIX._
Al wat maakt dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de
deelen van het menschelijk Lichaam ten opzichte van elkaar
verkeeren, bewaard blijven, is goed; slecht daarentegen is al wat
maakt dat de deelen van het menschelijk Lichaam onderling in een
andere verhouding van beweging en rust komen te staan.
_Bewijs._
Het menschelijk Lichaam heeft (_vlg. Postulaat IV D. II_) om zich
in stand te houden tal van andere voorwerpen noodig. Datgene
evenwel wat het karakter[A38] van het menschelijk Lichaam
uitmaakt, bestaat hierin dat zijn deelen hun beweging op een
zekere bepaalde wijze aan elkaar meedeelen (_vlg. Definitie vóór
Hulpst. IV, te vinden achter St. XIII D. II_). Al wat dus bewerkt
dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de deelen van
het menschelijk Lichaam zich ten opzichte van elkaar bevinden,
bewaard blijven, houdt tevens het karakter van het menschelijk
Lichaam in stand, bewerkt bijgevolg (_vlg. Postulaten III en VI
D. II_) dat het velerlei indrukken ondergaat en zelf op
uitwendige voorwerpen op velerlei wijze kan inwerken, en is dus
goed (_vlg. voorgaande St._). Al wat verder bewerkt, dat de
deelen van het menschelijk Lichaam in een andere verhouding van
rust en beweging komen, maakt (_vlg. dezelfde Definitie in D.
II_), dat het menschelijk Lichaam een ander karakter aanneemt,
d.w.z. (_gelijk van zelf spreekt en ook aan het eind der Voorrede
van dit Deel in herinnering werd gebracht_), dat het menschelijk
Lichaam te niet gaat en bijgevolg geheel en al ongeschikt wordt
gemaakt om velerlei indrukken te ontvangen. Dit alles zal dus
slecht zijn (_vlg. voorgaande St._)
_Opmerking:_ In hoever dit den Geest tot nadeel of tot
voordeel strekken kan, zal in het Vijfde Deel worden
uiteengezet. Hier wil ik slechts doen opmerken, dat ik
onder sterven van het Lichaam versta: dat zijn deelen
aldus worden gewijzigd, dat zij onderling een andere
verhouding van beweging en rust verkrijgen. Ik waag
nochtans niet te ontkennen, dat het menschelijk Lichaam,
zelfs bij behoud van den bloedsomloop en andere
eigenaardigheden, waarom men het Lichaam als levend
beschouwt, toch niettemin een anderen aard, geheel en al
verschillend van zijn vroegeren kan aannemen. Geen enkele
reden noopt mij te beweren, dat het Lichaam alleen dàn
sterft wanneer het in een lijk verandert; ja, de ervaring
zelf schijnt anders te leeren. Somwijlen toch komt het
voor, dat iemand zoodanige veranderingen ondergaat, dat
ik niet gaarne zou willen volhouden, dat hij dezelfde
mensch was als voorheen. Zoo hoorde ik vertellen van een
Spaanschen dichter, die door een ziekte was aangetast en
die, ofschoon hij daarvan herstelde, toch zoozeer de
herinnering aan zijn vroeger leven had verloren, dat hij
niet wilde gelooven, dat zijn eigen verhalen en
treurspelen door hemzelf geschreven waren, en dien men
inderdaad voor een volwassen kind had kunnen houden, als
hij slechts ook nog zijn moedertaal vergeten had. En zoo
men dit al ongelooflijk mocht vinden, wat moeten wij dan
wel zeggen van kinderen, wier aard een mensch van
gevorderden leeftijd zoozeer van de zijne verschillend
waant, dat men hem nooit aan het verstand zou kunnen
brengen dat hij er zelf een geweest is, als hij niet door
het voorbeeld van anderen wel op dit vermoeden moest
komen. Om evenwel aan bijgeloovige lieden geen stof te
geven tot nieuwe vragen, wil ik hier liever afbreken.
_Stelling XL._
Wat het gemeenschapsleven der menschen bevordert, of bewerkt dat
de menschen eendrachtig samenleven, is nuttig; slecht daarentegen
is wat tweedracht in den staat teweeg brengt.
_Bewijs._
Immers datgene, wat bewerkt dat de menschen eendrachtig
samenleven, bewerkt tevens dat zij volgens leiding der Rede leven
(_vlg. St. XXXV v.d. D._) en is dus goed (_vlg. St. XXVI en XXVII
v.d. D._), terwijl daarentegen (_om dezelfde reden_) slecht is
wat tweedracht verwekt. H.t.b.w.
_Stelling XLI._
Blijheid op zichzelf is niet slecht, doch goed; Droefheid
daarentegen is reeds op zichzelf slecht.
_Bewijs._
Blijheid is (_vlg. St. XI en Opmerking D. III_) een aandoening,
door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam wordt
vermeerderd of bevorderd; Droefheid daarentegen is een
aandoening, door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam
wordt verminderd of belemmerd. Derhalve is (_vlg. St. XXXVIII
v.d. D._) Blijheid reeds op zichzelf goed enz. H.t.b.w.
_Stelling XLII._
Opgewektheid kan nooit bovenmatig zijn, maar is steeds goed.
Neerslachtigheid daarentegen is steeds slecht.
_Bewijs._
Opgewektheid (_zie haar Definitie in de Opmerking bij St. XI D.
III_) is Blijheid, welke, voorzoover zij het Lichaam betreft,
daarin bestaat dat alle deelen des Lichaams gelijkelijk zijn
aangedaan; d.w.z. (_vlg. St. XI D. III_) dat het vermogen tot
handelen des Lichaams wordt vermeerderd of bevorderd op zulk een
wijze, dat al zijn deelen in dezelfde onderlinge verhoudingen van
beweging en rust blijven. Derhalve is (_vlg. St. XXXIX v.d. D._)
Opgewektheid steeds goed en kan zij nooit bovenmatig zijn.
Neerslachtigheid echter (_zie ook háár Definitie in dezelfde Opm.
bij St. XI D. III_) is Droefheid, welke, voorzoover zij het
Lichaam betreft, daarin bestaat, dat het vermogen tot handelen
des Lichaams onvoorwaardelijk afneemt of belemmerd wordt; zij is
dus (_vlg. St. XXXVIII v.d. D._) steeds slecht.
_Stelling XLIII._
Prikkeling kan bovenmatig en daardoor slecht zijn. Pijn evenwel
kan in zoover goed zijn als de blijheidsaandoening van prikkeling
slecht is.
_Bewijs._
Prikkeling is Blijheid, welke, voorzoover zij op het Lichaam
betrekking heeft, hierin bestaat dat één of enkele zijner deelen
meer dan de andere wordt aangedaan (_zie haar Definitie in
Opmerking St. XI D. III_). De kracht dezer aandoening kan nu zóó
groot zijn dat zij de overige handelingen van het Lichaam
overheerscht (_vlg. St. VI v.d. D._) het hardnekkig vasthoudt en
het daardoor belet velerlei andere indrukken te ontvangen. Zij
kan dus (_vlg. St. XXXVIII v.d. D._) slecht zijn. Pijn echter,
welke daarentegen Droefheid is, kan op zichzelf beschouwd nooit
goed zijn (_vlg. St. XLI v.d. D._). Omdat evenwel haar hevigheid
en toeneming bepaald worden door de macht van een uitwendige
oorzaak in verhouding tot onze eigen macht (_vlg. St. V v.d.
D._), kunnen wij ons deze aandoening in oneindig vele graden en
soorten van hevigheid denken (_vlg. St. III v.d. D._). Wij kunnen
ons dus ook een pijn denken, welke in staat is de prikkeling te
temperen en te verhinderen dat zij bovenmatig [óverprikkeling]
wordt, welke dus (_vlg. het eerste gedeelte van dit bewijs_)
helpt beletten dat het Lichaam minder geschikt wordt [voor het
ontvangen van indrukken] en welke derhalve ook in zoover goed zal
zijn. H.t.b.w.
_Stelling XLIV._
Liefde en Begeerte kunnen bovenmatig zijn.
_Bewijs._
Liefde is (_vlg. Definitie VI der Aand._) Blijheid, vergezeld
door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Prikkeling,
vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, is dus
Liefde (_vlg. Opmerking St. XI D. III_), zoodat (_vlg. voorgaande
St._) ook Liefde bovenmatig kan zijn. Verder is Begeerte des te
sterker, naarmate de aandoening waaruit zij voortspruit heviger
is (_vlg. St. XXXVII D. III_). Zoodat, evenals een aandoening
(_vlg. St. VI v.d. D._) de overige levensuitingen des menschen
overheerschen kan, evenzoo de Begeerte, welke uit zulk een
aandoening ontspringt, alle overige begeerten kan overheerschen
en dus even bovenmatig kan zijn als overprikkeling (_gelijk wij
in de voorgaande Stelling aantoonen_). H.t.b.w.
_Opmerking:_ Die opgewektheid welke ik goed genoemd heb,
valt gemakkelijker te begrijpen dan in werkelijkheid waar
te nemen. De aandoeningen toch, door welke wij dagelijks
getroffen worden, betreffen meestal een of ander deel des
Lichaams, dat méér inwerking ondervindt dan de overige
deelen. Vandaar dat aandoeningen zeer dikwijls bovenmatig
zijn en den Geest zoozeer in de beschouwing van een
enkele zaak bevangen houden, dat hij over niets anders
denken kan. Ofschoon nu de menschen aan tal van
aandoeningen onderhevig zijn en men zelden lieden
aantreft die voortdurend door éénzelfden hartstocht
gekweld worden, ontbreekt het toch geenszins aan zulken
dien éénzelfde hartstocht hardnekkig aankleeft. Somwijlen
immers zien wij, dat menschen zoozeer van één enkel ding
vervuld zijn, dat zij, ook al is het afwezig, steeds
wanen het bij zich te hebben. Wanneer dit het geval is
bij iemand die niet slaapt, dan zeggen wij dat hij
malende of krankzinnig is. Als even gek beschouwt men
diegenen, die van liefde branden en nacht en dag alleen
van hun geliefde of hun boel droomen en daardoor onzen
lachlust plegen op te wekken. Den vrek daarentegen, die
aan niets anders dan aan winst en geld, en den
eerzuchtige, die aan niets anders dan roem denkt,
beschouwt men niet als krankzinnig, omdat zij meestal
hinderlijk zijn en daardoor onzen haat opwekken. In
werkelijkheid echter zijn Gierigheid, Eerzucht,
Wellustigheid enz. wel degelijk vormen van waanzin
ofschoon zij niet tot de ziekten gerekend worden.
_Stelling XLV._
Haat kan nooit goed zijn.
_Bewijs._
Een mensch dien wij haten trachten wij te vernietigen (_volgens
Stelling XXXIX Deel III_) d.w.z. (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) wij
streven dan naar iets dat slecht is. Derhalve enz. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Ik doe opmerken dat ik hier en in het
vervolg onder Haat alleen versta haat jegens menschen.
_Gevolg I:_ Nijd, Spotzucht, Minachting, Toorn,
Wraakzucht en de overige aandoeningen, welke als soorten
van Haat te beschouwen zijn of uit Haat ontspringen, zijn
slecht; hetgeen eveneens blijkt uit Stelling XXXIX van
Deel III en uit Stelling XXXVII van dit Deel.
_Gevolg II:_ Al wat wij begeeren omdat wij Haat
koesteren, is schandelijk en geldt in den Staat voor
onrechtmatig. Hetgeen eveneens blijkt uit Stelling XXXIX
van Deel III en uit de Definities van wat schandelijk en
onrechtmatig is (_zie Opmerking St. XXXVII v.d. D._).
_Opmerking:_ Tusschen Spotzucht (welke ik in Gevolg I
slecht genoemd heb) en Lachlust maak ik groot
onderscheid. Immers lachen, evenals schertsen, is zuiver
Blijheid en is dus (_vlg. St. XLI v.d. D._), indien het
slechts niet overdreven wordt, uiteraard goed. Waarlijk,
alleen een norsch en triestig bijgeloof verzet zich tegen
Blijheid. Waarom toch zou het gepaster zijn honger en
dorst te stillen dan neerslachtigheid te verdrijven? Dit
is mìjn opvatting hieromtrent en dienovereenkomstig heb
ik mij ook voorgenomen te leven[A70]. Geen godheid, of
wat ander wezen ook, kan zoo grimmig zijn zich in mijn
machteloosheid en ongemak te verheugen, of ons tranen,
snikken, angst en dergelijke teekenen van zielszwakheid
als een deugd aan te rekenen. Integendeel, hoe dieper
Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaaktheid gaan
wij over, d.w.z. hoemeer zullen wij deel krijgen aan den
goddelijken aard. Het voegt dus een wijs man de dingen te
gebruiken en er zooveel mogelijk van te genieten, (niet
tot overzadiging toe, want dat is geen genieten meer).
Het voegt, zeg ik, een wijs man, zich matiglijk met
aangename spijs en drank te verkwikken en te laven,
evenals met geuren en lieflijkheid van groenend kruid,
met fraaie kleedij, muziek, kampspelen,
tooneelvoorstellingen en dergelijke zaken, waarvan een
ieder gebruik kan maken zonder een ander te schaden. Het
menschelijk Lichaam toch is uit tal van deelen van
verschillenden aard samengesteld, welke voortdurend nieuw
en verschillend voedsel behoeven, zoo het Lichaam in zijn
geheel tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien even
geschikt wil blijven, en bijgevolg zoo de Geest even
geschikt wil blijven om vele zaken tegelijk te begrijpen.
Deze levensregel komt zoowel met onze eigen beginselen
als met de algemeene gewoonte uitnemend overeen. Zoo
ééne, dan is dus deze levenswijze de beste en boven alle
andere aan te bevelen. Het is echter niet noodig dit nog
duidelijker en breedvoeriger te behandelen.
_Stelling XLVI._
Wie leeft volgens leiding der Rede, streeft er zooveel mogelijk
naar Haat, Toorn, Minachting enz. welke anderen jegens hem
koesteren, met Liefde, ofwel met Edelmoedigheid te vergelden.
_Bewijs._
Alle aandoeningen van Haat zijn slecht (_vlg. Gevolg I der
voorgaande St._) en dus zal elk, die volgens leiding der Rede
leeft (_vlg. St. XIX v.d. D._), zooveel mogelijk trachten te
bewerken, dat hij niet door aandoeningen van Haat wordt overmand,
en bijgevolg (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) ook pogen te voorkomen,
dat anderen dergelijke aandoeningen ondervinden. Haat wordt
echter door wederkeerigen Haat versterkt, terwijl (_vlg. St.
XLIII D. III_) hij door Liefde gedoofd kan worden, zoo zelfs dat
Haat in Liefde kan overgaan (_vlg. St. XLIV D. III_). Derhalve
zal, wie volgens leiding der Rede leeft, er naar streven den Haat
enz. van anderen door Liefde weder goed te maken, d.w.z. door
Edelmoedigheid (_zie de Definitie hiervan in Opmerking St. LIX D.
III_). H.t.b.w.
_Opmerking:_ Wie onrecht met wederkeerigen Haat wil
vergelden, leeft inderdaad ellendig. Wie daarentegen zich
beijvert Haat door Liefde te overwinnen, waarlijk, die
strijdt blijde en vol vertrouwen, weerstaat even
gemakkelijk één mensch als velen en heeft de hulp der
fortuin allerminst van noode. Diegenen die hij overwint,
verblijden zich over hun nederlaag, en wel geenszins uit
zwakheid, maar in verhoogde kracht. Hetgeen alles uit de
Definities van Liefde en Verstand alleen reeds zóó helder
volgt, dat het niet noodig is het nog eens in
afzonderlijke voorbeelden aan te toonen.
_Stelling XLVII._
Aandoeningen van Hoop en Vrees kunnen op zichzelf beschouwd niet
goed zijn.
_Bewijs._
Aandoeningen van Hoop en Vrees bestaan niet zonder Droefheid.
Immers Vrees is (_vlg. Definitie XIII der Aand._) Droefheid, en
Hoop (_zie Toelichtingen bij de Definities XII en XIII der
Aandoeningen_) is niet bestaanbaar zonder Vrees. Vandaar dat
(_vlg. St. XLI v.d. D._) deze aandoeningen op zichzelf beschouwd
niet goed kunnen zijn, doch alleen voorzoover zij een bovenmatige
Blijheid kunnen temperen. (_Vlg. St. XLIII v.d. D._). H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hierbij komt dat deze aandoeningen gebrek
aan kennis en een geestelijke machteloosheid aanduiden,
en om deze reden zijn ook Gerustheid, Wanhoop, Verheuging
en Spijt [Hartzeer] teekenen van zielszwakheid. Want
ofschoon Gerustheid en Verheuging[A71] aandoeningen van
Blijheid zijn, onderstellen zij toch steeds voorafgegane
Droefheid, nl. Hoop en Vrees. Hoemeer wij er daarom naar
streven, volgens leiding der Rede te leven, hoe minder
wij op verwachtingen zullen bouwen en hoe meer wij ook
zullen trachten ons van Vrees te bevrijden, het geluk
zooveel mogelijk te beheerschen en onze handelingen te
richten naar den veiligen raad der Rede.
_Stelling XLVIII._
De aandoeningen van Overschatting en Geringschatting zijn steeds
slecht.
_Bewijs._
Deze aandoeningen toch zijn (_vlg. Definities XXI en XXII der
Aand._) in strijd met de Rede. Zij zijn daarom (_vlg. St. XXVI en
XXVII v.d. D._) slecht. H.t.b.w.
_Stelling XLIX._
Overschatting maakt den mensch, die overschat wordt, licht
trotsch.
_Bewijs._
Indien wij zien dat iemand uit Liefde beter van ons denkt dan
gerechtvaardigd is, zullen wij ons licht daarop verheffen (_vlg.
Opmerking St. XLI D. III_) ofwel (_vlg. Definitie XXX der Aand._)
Blijheid daarover gevoelen. Ook gelooven wijzelf licht al het
goede dat wij van ons hooren vertellen (_vlg. St. XXV D. III_).
Wij zullen dus uit eigenliefde beter van onszelf denken dan
gerechtvaardigd is, d.w.z. (_vlg. Definitie XXVIII der Aand._)
licht trotsch worden. H.t.b.w.
_Stelling L._
Medelijden is in den mensch, die volgens leiding der Rede leeft,
op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos.
_Bewijs._
Immers Medelijden is Droefheid (_vlg. Definitie XVIII der Aand._)
en dus (_vlg. St. XLI v.d. D._) op zichzelf slecht. Het goede
evenwel dat er uit voortvloeit, namelijk dat wij den persoon, met
wien wij medelijden hebben, uit zijn ellende trachten te
verlossen (_vlg. Gevolg III St. XXVII D. III_), begeeren wij ook
reeds op gezag der Rede te volbrengen (_vlg. St. XXXVII v.d.
D._), gelijk wij niets, waarvan wij met zekerheid weten dat het
goed is, kunnen doen dan alleen op voorschrift der Rede (_vlg.
St. XXVII v.d. D._). Derhalve is Medelijden in den mensch, die
volgens leiding der Rede leeft, op zichzelf beschouwd slecht en
nutteloos. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt, dat wie volgens voorschrift der
Rede leeft, zooveel mogelijk er naar zal streven niet
door Medelijden te worden aangegrepen.
_Opmerking:_ Wie terdeeg beseft, dat alles uit de
noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en
plaats grijpt volgens de eeuwige wetten en regelen der
Natuur, zal zeker niets vinden wat Haat, Spijt of
Minachting verdient, noch met wien dan ook Medelijden
hebben, maar, zoover zijn menschelijke kracht reikt,
trachten, zooals men zegt: _wel te doen en blij te
zijn_[A72]. Daarbij komt, dat wie licht door Medelijden
aangegrepen en door eens anders ellende tot tranen
bewogen wordt, dikwijls iets zal doen wat hem later zelf
berouwt; zoowel wijl wij onder invloed eener aandoening
niets kunnen doen met de zekerheid dat het goed is, als
ook wijl wij gemakkelijk door valsche tranen bedrogen
worden. Ik spreek hier evenwel uitdrukkelijk van
menschen, die volgens leiding der Rede leven. Want wie
noch door de Rede, noch door Medelijden er toe bewogen
wordt om anderen te helpen, wordt terecht onmenschelijk
genoemd, aangezien hij (_vlg. St. XXVII D. III_) niet op
een mensch blijkt te gelijken.
_Stelling LI._
Ingenomenheid is niet in strijd met de Rede; kan daarmede zelfs
in overeenstemming zijn en er uit voortkomen.
_Bewijs._
Ingenomenheid toch is Liefde jegens iemand die een ander een
weldaad bewees (_vlg. Definitie XIX der Aand._) en kan dus
betrekking hebben op den Geest, voorzoover deze beschouwd wordt
als _handelend_ (_vlg. St. LIX D. III_) d.w.z. (_vlg. St. III D.
III_) voorzoover hij begrijpt. Derhalve is zij in overeenstemming
met de Rede enz. H.t.b.w.
_Anders._
Wie volgens leiding der Rede leeft, wenscht het goede, waarnaar
hij streeft, ook anderen toe (_vlg. St. XXXVII v.d. D._), zoodat
zijn eigen verlangen om wel te doen, versterkt wordt doordat hij
een ander ziet weldoen. Hij zal zich dus (_vlg. Opmerking St. XI
D. III_) verblijden, en dat wel (_vlg. het onderstelde_) daarbij
denkend aan dengene, die dien ander weldeed; derhalve zal hij
(_vlg. Definitie XIX der Aand._) met hem zijn ingenomen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Verontwaardiging, gelijk wij haar omschreven
hebben (_zie Definitie XX der Aand._) is noodzakelijk
slecht (_vlg. St. XLV v.d. D._). Hierbij zij echter
opgemerkt, dat wanneer de hoogste overheid een burger,
die een ander onrecht aandeed, straft met de bedoeling om
de orde te handhaven, zij volgens mij geenszins over dien
burger verontwaardigd is, aangezien zij niet, door Haat
gedreven, dien burger straft om hem in het verderf te
storten, maar uit plichtsbesef.
_Stelling LII._
Tevredenheid met zichzelf [zelfvoldoening] kan haar oorsprong
vinden in de Rede en de hoogst bestaanbare zelfvoldoening is
alleen zulk eene, welke uit de Rede voortvloeit.
_Bewijs._
Zelfvoldoening is Blijheid, ontstaan doordat men zichzelf en zijn
eigen macht tot handelen beschouwt (_vlg. Definitie XXV der
Aand._) 's Menschen vermogen tot handelen ofwel deugd echter is
de Rede zelf (_vlg. St. III D. III_), waarvan hij zich helder en
duidelijk bewust is (_vlg. St. XL en XLIII D. II_). Derhalve
vindt zelfvoldoening haar oorsprong in de Rede. Verder begrijpt
de mensch, wanneer hij zichzelf beschouwt, alleen datgene helder
en duidelijk, ofwel adaequaat, wat uit zijn macht tot handelen
voortspruit (_vlg. Definitie II D. III_) d.w.z. (_vlg. St. III D.
III_) wat uit zijn vermogen om te begrijpen volgt. Derhalve
ontspringt de hoogst bestaanbare zelfvoldoening alleen uit deze
beschouwing. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Inderdaad is zelfvoldoening het hoogste
waarop wij kunnen hopen. Immers, (_gelijk wij in St. XXV
v.d. D. aantoonden_) niemand tracht zijn wezen te
handhaven terwille van eenig ander [buiten hemzelf
liggend] doel. Aangezien nu deze zelfvoldoening door lof
steeds meer bevorderd en versterkt wordt (_vlg. Gevolg
St. LIII D. III_) en daarentegen door blaam steeds meer
verzwakt (_vlg. Gevolg St. LV D. III_) oefent roem zulk
een aantrekking op ons uit, terwijl wij een leven in
schande haast niet kunnen verdragen.
_Stelling LIII._
Neerslachtigheid [Kleinmoedigheid, Nederigheid] is geen deugd,
ofwel, zij ontspringt niet uit de Rede.
_Bewijs._
Neerslachtigheid is Droefheid, welke daaruit voortkomt dat men
zijn eigen machteloosheid beschouwt (_vlg. Definitie XXVI der
Aand._). Voorzoover men echter zichzelf in waarachtige
redelijkheid kent, begrijpt men, naar verondersteld wordt, zijn
eigen wezen, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) zijn eigen macht.
Zoodat indien iemand, wanneer hij zichzelf beschouwt, zich in een
of ander opzicht machteloos gevoelt, dit niet een gevolg daarvan
is, dat hij zichzelf begrijpt, maar (_gelijk wij in St. LV D. III
aantoonden_) daarvan, dat zijn vermogen tot handelen belemmerd
wordt. Nemen wij daarentegen aan dat iemand tot het inzicht
zijner machteloosheid komt doordat hij zich iets machtigers
voorstelt en dat hij door middel van deze kennis de grenzen van
zijn eigen vermogen tot handelen bepaalt, dan onderstellen wij
hiermede niets anders, dan dat die persoon zichzelf duidelijk
begrijpt (_vlg. St. XXVI v.d. D._) hetgeen zijn vermogen tot
handelen juist zal bevorderen. Zoodat Neerslachtigheid, ofwel die
Droefheid welke daaruit voortkomt dat iemand zijn eigen
machteloosheid beschouwt, geen uitvloeisel is van waarachtig
nadenken of van de Rede en dus geen deugd, maar een lijding.
H.t.b.w.
_Stelling LIV._
Berouw is geen deugd, ofwel het komt niet voort uit de Rede.
Integendeel, wie een daad berouwt is dubbel ongelukkig of
machteloos.
_Bewijs._
Het eerste gedeelte dezer stelling wordt evenals de voorgaande
stelling bewezen. Het tweede gedeelte echter blijkt alleen reeds
uit de Definitie dezer aandoening (_zie Definitie XXVII der
Aand._). Eerst immers laat men zich door zijn lage begeerte, en
daarna bovendien nog door Droefheid overmeesteren.
_Opmerking:_ Aangezien de menschen zelden naar de
voorschriften der Rede leven, stichten evenwel deze beide
aandoeningen, Nederigheid en Berouw, en daarnaast ook
Hoop en Vrees, meer nut dan schade; zoodat het, wanneer
er dan toch gezondigd moet worden, maar het best is in
dìt opzicht te zondigen. Immers indien de menschen, reeds
zwak van ziel, ook nog allen even trotsch waren, zich
nergens voor schaamden en niets vreesden, hoe zou men hen
dan nog in den band kunnen houden en beteugelen?[A73] De
menigte is vreeselijk wanneer zij niet zelf vreest,
zoodat het niet valt te verwonderen dat de Profeten, die
niet het heil van enkelen, maar van het algemeen
beoogden, zoo sterk Nederigheid, Berouw en Onderdanigheid
hebben aangeprezen. Inderdaad, wie aan deze aandoeningen
onderworpen zijn, kunnen er tenslotte veel gemakkelijker
dan anderen toe gebracht worden volgens leiding der Rede
te leven, d.w.z. vrij te zijn en een gelukkig leven te
genieten.
_Stelling LV._
Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot
gemis aan zelfkennis.
_Bewijs._
Dit blijkt uit de Definities XXVIII en XXIX der Aandoeningen.
_Stelling LVI._
Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op zeer
groote zwakheid van ziel.
_Bewijs._
Het eerste beginsel der deugd is het eigen wezen in stand te
houden (_vlg. Gevolg St. XXII v.d. D._) en datwel onder leiding
der Rede (_vlg. St. XXIV v.d. D._). Wie dus zichzelf niet kent,
kent den grondslag aller deugden en bijgevolg die deugden zelf
evenmin. Verder is handelen uit deugd niets anders dan handelen
volgens leiding der Rede (_vlg. St. XXIV v.d. D._). Wie echter
volgens leiding der Rede handelt, moet (_vlg. St. XLIII D. II_)
noodzakelijk weten dàt hij volgens leiding der Rede handelt. Wie
dus zichzelf, en bijgevolg (_gelijk wij reeds aantoonden_) alle
deugden, grootendeels niet kent, handelt allerminst uit deugd,
d.w.z. (_gelijk uit Definitie VIII v.d. D. blijkt_) is uiterst
zwak van ziel. Derhalve duiden (_vlg. voorgaande St._) zeer
groote hoogmoed of zelfverachting op zeer groote zwakheid van
ziel. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt ten duidelijkste, dat zoowel
hoogmoedige als kleinmoedige menschen het meest aan hun
aandoeningen onderworpen zijn.
_Opmerking:_ Nochtans is zelfverachting gemakkelijker te
verbeteren[A74] dan hoogmoed, aangezien deze een
aandoening van Blijheid, gene echter van Droefheid is en
deze dus (_vlg. St. XVIII v.d. D._) sterker is.
_Stelling LVII._
De hoogmoedige houdt van het gezelschap van parasieten en
vleiers, dat van edele menschen daarentegen haat hij.
_Bewijs._
Hoogmoed is Blijheid, welke ontstaat doordat men beter van
zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is (_vlg. Definities XXVIII en
VI der Aand._), welken dunk de hoogmoedige zooveel mogelijk zal
trachten te versterken, (_zie Opmerking St. XIII D. III_).
Derhalve zal hij dan ook houden van het gezelschap van parasieten
en vleiers (_wier definities ik heb weg gelaten, wijl zij maar al
te bekend zijn_) en dat van edele lieden, die van hem denken naar
hij verdient, ontvluchten. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Het zou mij te ver voeren hier alle kwade
gevolgen van den Hoogmoed op te sommen, aangezien
hoogmoedigen aan alle aandoeningen onderhevig zijn,
schoon aan geene minder dan die van Liefde en
Barmhartigheid. Nochtans mag hier niet verzwegen worden,
dat men ook diengene hoogmoedig noemt, die van anderen
slechter denkt dan billijk is, zoodat in dezen zin
Hoogmoed kan worden omschreven als Blijheid, ontsproten
uit den waan dat men boven andere menschen verheven is.
Zelfverachting is dan, als tegenstelling van dezen
Hoogmoed, te omschrijven als Droefheid, ontsproten uit
den waan dat men lager staat dan anderen. Bij deze
opvatting is het gemakkelijk in te zien dat de
hoogmoedige noodzakelijkheid afgunstig moet zijn (_zie
Opmerking St. LV D. III_), hen die het meest om hun
deugden geprezen worden het meest moet haten, terwijl die
Haat niet licht door hun Liefde of weldaden kan worden
overwonnen (_zie Opmerking St. XLI D. III_); dat hij zich
daarentegen alleen verheugt in het gezelschap van hen,
die zijn machtelooze ziel in het gevlei komen en die hem
van dwaas waanzinnig maken.
Ofschoon zelfverachting het tegendeel is van Hoogmoed, is
niettemin wie zichzelf veracht ten nauwste verwant aan
den Hoogmoedige. Immers, aangezien zijn Droefheid daaruit
voortkomt, dat hij zijn eigen machteloosheid erkent door
vergelijking met de macht of de deugd van anderen, zal
zijn Droefheid verlicht worden, d.w.z. zal hij zich
verblijden, wanneer zijn verbeelding zich bezig houdt met
de beschouwing van anderer fouten. Vandaar het gezegde:
het is een troost voor ongelukkigen dat zij lotgenooten
hebben gehad. Daarentegen zal hij zich te meer bedroeven,
naarmate hij meent dieper onder anderen te staan; en
vandaar dat niemand méér tot afgunst neigt, dan wie
zichzelf veracht; dat hij scherp op de daden van anderen
let, meer om ze te bevitten dan om ze te verbeteren, en
dat hij bovenal de nederigheid prijst en zich op haar
verheft, [dit laatste] op zulk een wijze evenwel, dat hij
toch naar den schijn nederig blijft. Dit alles volgt uit
deze aandoening even noodzakelijk als uit den aard eens
driehoeks volgt, dat de som zijner drie hoeken gelijk is
aan twee rechten; en ik heb dan ook vroeger reeds gezegd
dat ik deze en dergelijke aandoeningen alleen maar slecht
noem voorzoover ik op 's menschen belang let. De wetten
der Natuur echter gelden voor de geheele orde der Natuur,
waarvan de mensch een deel is, hetgeen ik in het
voorbijgaan nog even wilde opmerken, opdat niemand meene
dat ik hier slechts de menschelijke gebreken en
dwaasheden heb willen behandelen, inplaats van aard en
eigenschappen der _dingen_ uiteen te zetten. Want, gelijk
ik in de Voorrede van het Derde Deel gezegd heb: ik
beschouw de menschelijke aandoeningen en hun
eigenschappen geheel en al als de overige dingen in de
Natuur. En inderdaad wijzen de menschelijke aandoeningen
niet minder dan tal van andere dingen, welke wij
bewonderen en in welker beschouwing wij ons verheugen, op
de macht en kunstvaardigheid, zoo niet van den mensch
zelf, dan toch van de Natuur. Ik ga thans echter voort
met op te teekenen wat er in de aandoeningen voor den
mensch nuttig is, of wat hem schade kan berokkenen.
_Stelling LVIII._
Zelfverheerlijking [glorie] is niet in strijd met de Rede, maar
kan uit haar ontspruiten.
_Bewijs._
Dit blijkt uit Definitie XXX der Aandoeningen en uit de Definitie
van Eerbaarheid, zie Opmerking I bij Stelling XXXVII van dit
Deel.
_Opmerking:_ Wat men "ijdelen roem" noemt is [een soort
van] zelfvoldoening, welke alleen gevoed wordt door de
meening der groote massa. Houdt deze geen stand, zoo
ontvalt ons deze zelfvoldoening, d.w.z. (_vlg. Opmerking
St. LII v.d. D._), datgene wat ieder als het hoogste goed
liefheeft; en vandaar, dat wie zich verheft op de
publieke meening, dagelijks in angst en zorg worstelt en
zoekt en in de weer is om zijn roem op te houden. Immers
het publiek is veranderlijk en onstandvastig, zoodat
roem, welke niet wordt levendig gehouden, spoedig
vergeten raakt. Ja, waar allen evenzeer den bijval der
menigte zoeken te verwerven, verduistert de een licht den
roem van den ander, zoodat, aangezien men strijdt om wat
men voor het hoogste goed houdt, er een geweldige
begeerte ontstaat om elkaar wederzijds op alle manieren
te kleineeren, en degeen, die tenslotte als overwinnaar
te voorschijn komt, zich er meer op verheft, dat hij een
ander geschaad, dan dat hij zichzelf gebaat heeft. Deze
zelfverheerlijking of bevrediging in zichzelf is dus wel
inderdaad ijdel, wijl zij feitelijk géén bevrediging is.
Wat omtrent de Schaamte te zeggen valt, is gemakkelijk op
te maken uit hetgeen wij over Medelijden en Berouw hebben
opgemerkt. Ik voeg er hier slechts aan toe, dat evenals
Medelijden, zoo ook Schaamte, al is zij geen deugd, toch
goed kan zijn, voorzoover zij er op wijst, dat in dengeen
die zich schaamt, de begeerte aanwezig is om eerbaar te
leven, gelijk ook pijn in zoover goed genoemd werd als
zij een teeken is, dat het gekwetste lichaamsdeel nog
niet verrot is. Daarom is iemand, die zich over een of
andere daad schaamt, niettegenstaande hij werkelijk
bedroefd is, toch volmaakter dan de onbeschaamde, die
niet het verlangen koestert om eerzaam te leven.
Dit nu is wat ik mij had voorgenomen over de aandoeningen
van Blijheid en Droefheid te zeggen. Wat de Begeerten
betreft, deze zijn natuurlijk goed of slecht voorzoover
zij uit goede of slechte aandoeningen ontspringen. Maar
zeker zijn zij allen blind, voorzoover zij in ons
ontstaan uit aandoeningen, welke lijdingen zijn (_gelijk
gemakkelijk valt op te maken uit wat wij in de Opmerking
bij Stelling XLIV van dit Deel gezegd hebben_) en zij
zouden nergens toe dienen indien de menschen er slechts
wat gemakkelijker toe gebracht konden worden naar de
voorschriften der Rede te leven, zooals ik thans in het
kort zal aantoonen.
_Stelling LIX._
Tot alle daden, waartoe wij door een aandoening, welke lijding
is, gedreven worden, kunnen wij ook zonder deze door de Rede
genoopt worden.
_Bewijs._
Krachtens de Rede handelen is niets anders (_vlg. St. III en
Definitie II D. III_), dan doen wat uit de noodwendigheid van
onzen aard, op zichzelf alleen beschouwd, voortvloeit. Droefheid
nu is in zoover slecht, als zij dit vermogen tot handelen
vermindert of belemmert (_vlg. St. XLI v.d. D._) en wij kunnen
daarom door deze aandoening tot geen enkele handeling gedreven
worden, welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door
de Rede geleid werden. Bovendien is Blijheid slechts in zoover
slecht, als zij ons minder geschikt maakt om te handelen (_vlg.
St. XLI en XLIII v.d. D._), zoodat wij inzoover ook door haar tot
geen enkele handeling gedreven kunnen worden, welke wij niet ook
zouden kunnen volbrengen als wij door de Rede geleid werden. En
tenslotte: voorzoover Blijheid goed is, is zij met de Rede in
overeenstemming (zij bestaat immers juist daarin, dat 's menschen
vermogen tot handelen wordt vermeerderd of bevorderd) en is zij
ook geen lijding, dan alleen voorzoover 's menschen vermogen tot
handelen niet zóózeer toeneemt, dat hij zichzelf en zijn
handelingen adaequaat kan begrijpen (_vlg. St. III en Opmerking
D. III_). Zoodat de mensch, wanneer hij door Blijheid tot zulk
een volmaaktheid gevoerd werd, dat hij zichzelf en zijn
handelingen adaequaat begreep, zeker geschikt zou zijn, ja nog
geschikter, tot diezelfde handelingen waartoe hij ook reeds door
aandoeningen, welke lijdingen zijn, wordt gedreven. Maar alle
aandoeningen zijn terug te brengen tot Blijheid, Droefheid en
Begeerte (_zie de Toelichting bij Definitie IV der Aand._) en
Begeerte is (_vlg. Definitie I der Aand._) niets anders dan
streven naar handelen zelf. Derhalve kunnen wij tot alle
handelingen waartoe wij door een aandoening, welke lijding is,
gedreven worden, ook zonder deze alléén door de Rede genoopt
worden. H.t.b.w.
_Anders._
Een handeling wordt in zoover slecht genoemd, als zij dááruit
voortkomt dat wij Haat koesteren, of eenige andere slechte
aandoening ondergaan (_zie Gevolg I St. XLV v.d. D._). Doch op
zichzelf beschouwd is geen enkele handeling goed of slecht
(_gelijk wij in de Voorrede tot dit Deel hebben aangetoond_),
maar éénzelfde handeling is nú eens goed, dàn weer slecht.
Derhalve kunnen wij tot een handeling, welke op het oogenblik
slecht is, ofwel, welke uit een of andere slechte aandoening
voortkomt, óók door de Rede genoopt worden. (_Vlg. St. XIX v.d.
D._). H.t.b.w.
_Opmerking:_ Duidelijker nog zal dit blijken uit een
voorbeeld. De handeling van "slaan" is, physiek beschouwd
en wanneer wij alleen dáárop letten dat iemand zijn arm
opheft, de vuist balt en den geheelen arm met kracht
omlaag doet komen, een deugd [uiting van kracht] welke
uit de inrichting van het menschelijk Lichaam verklaard
kan worden. Indien dus iemand, door Toorn of Haat
bewogen, gedrongen wordt de vuist te ballen en den arm te
bewegen, dan geschiedt dit, (_gelijk wij in het Tweede
Deel aantoonden_), wijl één en dezelfde handeling
verbonden kan worden met verschillende voorstellingen,
zoodat wij zoowel door voorstellingen van dingen, welke
wij verward, als door voorstellingen van dingen welke wij
helder en duidelijk begrijpen, tot éénzelfde handeling
gedreven kunnen worden. Het blijkt dus dat elke Begeerte,
ontspringend uit een aandoening; welke lijding is, van
geenerlei nut zou zijn als de menschen door de Rede
geleid werden.
Laat ons thans onderzoeken waarom de Begeerte,
voortkomend uit een aandoening, welke lijding is, door
ons "blind" genoemd wordt.
_Stelling LX._
De Begeerte, ontspringend uit Blijheid of Droefheid, welke
betrekking hebben op een of ander deel en niet op alle deelen des
Lichaams, houdt geen rekening met het belang van den mensch in
zijn geheel.
_Bewijs._
Gesteld bijvoorbeeld, dat een deel A des Lichaams door toedoen
van een of andere uitwendige oorzaak dermate versterkt wordt, dat
het krachtiger is dan de andere deelen (_vlg. St. VI v.d. D._).
Dit deel zal dan allerminst er naar streven zijn eigen kracht te
verliezen om de overige deelen des Lichaams hun funktie beter te
laten verrichten; immers daartoe zou het de kracht of het
vermogen moeten bezitten om zijn eigen kracht te verliezen,
hetgeen (_vlg. St. VI D. III_) ongerijmd is. Dit deel en (_vlg.
St. VII en XII D. III_) bijgevolg ook de Geest, zal er dus naar
streven dien toestand te handhaven, en derhalve zal de Begeerte,
welke uit een zoodanige aandoening van Blijheid ontspruit, geen
rekening houden met het geheel. Wordt daarentegen aangenomen dat
dit deel A belemmerd wordt, zoodat de andere deelen krachtiger
zijn, dan kan op dezelfde wijze worden bewezen dat de Begeerte,
welke uit deze Droefheid voortkomt, evenmin rekening houdt met
het geheel. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Waar nu Blijheid meestal (_vlg. Opmerking
St. XLIV v.d. D._) slechts betrekking heeft op één deel
des Lichaams, begeeren wij dus meestal ons wezen in stand
te houden zonder daarbij rekening te houden met onze
gezondheid in het algemeen. Waar nog bijkomt dat de
Begeerten, welke ons het meest vervullen (_vlg. Gevolg
St. IX v.d. D._) slechts rekening houden met het
oogenblik, doch niet met de toekomst.
_Stelling LXI._
Begeerte, welke uit de Rede voortvloeit, kan niet bovenmatig
zijn.
_Bewijs._
Begeerte is (_vlg. Definitie I der Aand._), op zichzelf
beschouwd, 's menschen wezen zelf, voorzoover dit wordt opgevat
als op eenigerlei wijze genoodzaakt om iets te doen. Derhalve is
een Begeerte, welke uit de Rede voortkomt, d.w.z. (_vlg. St. III
D. III_) welke in ons ontstaat voorzoover wij handelen, 's
menschen wezen of aard zelf, opgevat als zijnde genoodzaakt
datgene te doen, wat uit 's menschen wezen alléén reeds adaequaat
kan worden verklaard (_vlg. Definitie II D. III_). Indien dus
deze Begeerte bovenmatig kon zijn, zou dus de menschelijke aard,
op zichzelf beschouwd, zichzelf te buiten kunnen gaan, ofwel méér
vermogen dan hij inderdaad vermag, hetgeen klaarblijkelijk met
elkaar in tegenspraak is. Derhalve kan zulk een Begeerte ook niet
bovenmatig zijn. H.t.b.w.
_Stelling LXII._
Voorzoover de Geest de dingen opvat volgens het voorschrift der
Rede, wordt hij gelijkelijk er door aangedaan, onverschillig of
zijn voorstelling een toekomstige, een verleden of een
tegenwoordige zaak betreft.
_Bewijs._
Wat ook de Geest onder leiding der Rede beschouwt, beschouwt hij
onder éénzelfde gezichtspunt van eeuwigheid of noodwendigheid
(_vlg. Gevolg II St. XLIV D. II_), terwijl hij daarbij dezelfde
zekerheid gevoelt (_vlg. St. XLIII en Opmerking D. II_). Zoodat
de Geest, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige,
verleden of tegenwoordige zaak betreft, haar toch met dezelfde
noodwendigheid begrijpt en daarbij dezelfde zekerheid gevoelt. En
deze voorstelling zal, onverschillig of zij een toekomstige,
verleden of tegenwoordige zaak betreft, niettemin altijd even
waar zijn (_vlg. St. XLI D. II_), d.w.z. (_vlg. Definitie IV D.
II_) altijd dezelfde kenmerken van een adaequate voorstelling
hebben. Derhalve zal de Geest, voorzoover hij de dingen opvat
volgens voorschrift der Rede, gelijkelijk er door worden
aangedaan, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige,
een verleden, of een tegenwoordige zaak betreft. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Indien wij van den duur der dingen een
adaequate kennis konden hebben en door de Rede den tijd
van hun bestaan konden bepalen, zouden wij toekomst en
heden met dezelfde aandoening beschouwen en zou de Geest
het goede, dat hij als toekomstig opvat, evenals iets
tegenwoordigs begeeren. Bijgevolg zou hij ook
noodzakelijk een geringer tegenwoordig goed terwille van
een grooter toekomstig opofferen en iets wat op het
oogenblik goed is, doch oorzaak van een of ander
toekomstig kwaad allerminst begeeren; gelijk wij dadelijk
zullen aantoonen. Wij kunnen evenwel omtrent den duur der
dingen (_vlg. St. XXXI D. II_) slechts een uitermate
inadaequate kennis hebben en bepalen (_vlg. Opmerking St.
XLIV D. II_) den tijd van hun bestaan uitsluitend door de
verbeelding, welke geenszins gelijkelijk door de
voorstelling van een tegenwoordige en van een toekomstige
zaak wordt aangedaan. Vandaar dat de ware kennis van goed
en kwaad, welke wij hebben, slechts afgetrokken, of
algemeen is en dat het oordeel, dat wij ons vormen,
omtrent orde en oorzakelijk verband der dingen, ten einde
te kunnen uitmaken wat op een gegeven oogenblik goed of
kwaad voor ons is, meer op verbeelding dan op
werkelijkheid berust. Het is daarom dan ook geen wonder
dat de Begeerte, welke uit de kennis van goed en kwaad
voortspruit voorzoover deze op de toekomst slaat, zeer
licht door de Begeerte naar dingen, welke op het
oogenblik aangenaam zijn, kan worden overwonnen. (_Men
zie hierover St. XVI v.d. D._)
_Stelling LXIII._
Wie door Vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te
vermijden, wordt nìet geleid door de Rede.
_Bewijs._
Alle aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest
voorzoover hij handelt, d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) op de
Rede, zijn nooit anders dan aandoeningen van Blijheid of Begeerte
(_vlg. St. LIX D. III_) en dus kan (_vlg. Definitie XIII der
Aand._) wie door Vrees geleid wordt en het goede doet uit angst
voor het kwade, niet door de Rede geleid worden. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De bijgeloovigen, die beter de kunst
verstaan ondeugden te laken dan tot deugd op te wekken en
die zich beijveren, niet den mensch door de Rede te
leiden, maar hem door vrees zoozeer in bedwang te houden,
dat zij liever het kwaad ontvluchten, inplaats van de
deugd lief te hebben, beoogen niets anders dan anderen
even rampzalig te maken als zijzelf zijn. Geen wonder
daarom dat zij den menschen meestal tot last zijn en door
hen gehaat worden.
_Gevolg:_ Krachtens de Begeerte, welke uit de Rede
voortkomt, volgen wij het goede rechtstreeks, terwijl wij
het kwade daardoor vanzelf [indirekt] vermijden.
_Bewijs._
Immers de Begeerte, welke uit de Rede voortspruit, kan het
gevolg zijn van een zuivere aandoening van Blijheid, welke
geen lijding is (_vlg. St. LIX D. III_), d.w.z. (_vlg. St.
LXI v.d. D._) van die Blijheid, welke nooit bovenmatig zijn
kan; niet echter van Droefheid. Vandaar dat deze Begeerte
(_vlg. St. VIII v.d. D._) uit de kennis van het goede, niet
echter uit die van het kwade ontspringt. Derhalve streven wij,
wanneer wij geleid worden door de Rede, rechtstreeks naar
het goede en ontvluchten wij slechts inzoover het kwade.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ Dit Gevolg kan door het voorbeeld van den
zieken en den gezonden mensch worden verduidelijkt. De
zieke toch eet, uit vrees voor den dood, dingen waarvan
hij een afschuw heeft; de gezonde daarentegen verheugt
zich over zijn spijzen en geniet zoodoende meer van het
leven, dan wanneer hij den dood vreesde en dien
rechtstreeks zocht te ontkomen. Zoo wordt ook de rechter,
die niet uit Haat, Toorn enz., doch alleen uit Liefde
voor het algemeen welzijn een schuldige ter dood
veroordeelt, uitsluitend door de Rede geleid.
_Stelling LXIV._
De kennis van het kwade is inadaequate kennis.
_Bewijs._
Kennis van het kwade is (_vlg. St. VIII v.d. D._) Droefheid zelf,
voorzoover wij ons daarvan bewust zijn. Droefheid echter is
overgang tot geringere volmaaktheid (_vlg. Definitie III der
Aand._), welke derhalve niet uit het eigenlijke wezen des
menschen kan worden verklaard (_vlg. St. VI en VII D. III_). Zij
is dus een lijding (_vlg. Definitie II D. III_), welke (_vlg. St.
III D. III_) afhankelijk is van inadaequate voorstellingen, en
bijgevolg is ook (_vlg. St. XXIX D. II_) de kennis daarvan,
namelijk van dit kwade, inadaequaat. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de Geest, wanneer hij slechts
adaequate voorstellingen had, geen begrip zou hebben van
het kwade.
_Stelling LXV._
Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij van twee goede
zaken de beste en van twee slechte de minst slechte kiezen.
_Bewijs._
Het goed, dat ons belet van een grooter goed te genieten, is
eigenlijk een kwaad; goed en kwaad immers noemen wij de dingen
(_gelijk wij in de Voorrede van dit Deel hebben betoogd_),
voorzoover wij ze met elkaar vergelijken. Een geringer kwaad
daarentegen is (_om dezelfde reden_) eigenlijk goed, zoodat wij
(_vlg. Gevolg voorgaande St._), wanneer wij geleid worden door de
Rede, alleen een grooter goed en een kleiner kwaad zullen
begeeren of kiezen. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Wanneer wij geleid worden door de Rede zullen
wij terwille van een grooter goed een geringer kwaad
verkiezen en een geringer goed, dat oorzaak is van een
grooter kwaad, verwaarloozen. Immers het kwaad dat hier
"geringer" genoemd wordt, is eigenlijk een goed, het goed
daarentegen een kwaad. Zoodat (_vlg. Gevolg St. LXIII
v.d. D._) wij het eerste zullen begeeren en het tweede
opofferen. H.t.b.w.
_Stelling LXVI._
Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij een, grooter
toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig, en een kleiner
tegenwoordig kwaad boven een grooter toekomstig verkiezen.
_Bewijs._
Indien de Geest een adaequate kennis van het toekomstige kon
hebben, zou hij (_vlg. St. LXII v.d. D._) naar aanleiding van
iets toekomstigs dezelfde aandoening ondervinden als naar
aanleiding van iets tegenwoordigs. Zoodat, wanneer wij slechts op
de Rede letten, gelijk wij in deze stelling, naar werd
aangenomen, doen, de zaak hetzelfde blijft of wij een grooter
goed of kwaad als toekomstig, danwel als tegenwoordig
onderstellen. Derhalve zullen wij (_vlg. St. LXV v.d. D._) een
grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig verkiezen
enz. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Een kleiner tegenwoordig kwaad, hetwelk oorzaak
is van een grooter toekomstig goed, zullen wij, wanneer
wij geleid worden door de Rede, aanvaarden, en een
kleiner tegenwoordig goed, hetwelk oorzaak is van een
grooter toekomstig kwaad, opofferen. Dit gevolg staat met
de voorgaande stelling in hetzelfde verband als Gevolg
St. LXV met genoemde stelling zelf.
_Opmerking:_ Indien wij dit alles nu vergelijken met wat
wij in dit Deel tot aan Stelling XVIII betoogd hebben
aangaande de macht der aandoeningen, zullen wij
gemakkelijk inzien welk onderscheid er is tusschen den
mensch, die alleen door zijn aandoeningen of meeningen,
en hem die door de Rede geleid wordt. Gene immers doet
willens of onwillens dingen, waarvan hij ten eenen male
niets begrijpt, deze daarentegen gehoorzaamt niemand dan
zichzelf en doet slechts datgene waarvan hij weet dat het
in het leven van het grootste belang is en wat hij daarom
ook het meest begeert. Daarom noem ik gene een slaaf,
deze evenwel een vrij mensch, over wiens karakter en
levenswijze ik thans nog kortelijks een en ander wil
opmerken.
_Stelling LXVII._
De vrije mensch denkt aan niets minder dan aan den dood; zijn
wijsheid bestaat niet in bepeinzing van den dood, maar van het
leven.
_Bewijs._
De vrije mensch, d.w.z. de mensch, die leeft alleen volgens
voorschrift der Rede, wordt niet geleid door Vrees voor den dood
(_vlg. St. LXIII v.d. D._) doch begeert het goede rechtstreeks
(_vlg. Gevolg derzelfde St._) d.w.z. (_vlg. St. XXIV v.d. D._)
hij begeert te handelen, te leven, zijn wezen te handhaven, met
de bedoeling zijn eigen belang te dienen. Derhalve denkt hij aan
niets minder dan aan den dood, maar bestaat zijn wijsheid in
bepeinzing des levens. H.t.b.w.
_Stelling LXVIII._
Indien de menschen vrij geboren werden, zouden zij zich geenerlei
voorstellingen van goed of kwaad maken zoolang ze vrij bleven.
_Bewijs._
Hem heb ik vrij genoemd, die alleen door de Rede geleid wordt.
Wie dus vrij geboren wordt en vrij blijft, heeft niets dan
adaequate voorstellingen, heeft dus ook geenerlei begrip van het
kwade (_vlg. Gevolg St. LXIV v.d. D._) en bijgevolg (want goed en
kwaad zijn bij elkaar behoorende begrippen) ook niet van het
goede. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Dat het onderstelde dezer stelling valsch is
en alleen denkbaar voorzoover wij alleen op den
menschelijken aard letten, of liever op God, niet
voorzoover hij oneindig, maar slechts voorzoover hij
oorzaak van het bestaan des menschen is, blijkt uit
Stelling IV van dit Deel. Dit, en nog andere zaken, welke
wij betoogd hebben, schijnt ook door Moses te zijn
aangeduid in het bekende verhaal van den eersten mensch.
Hierin toch is van geen andere macht Gods sprake, dan van
die, welke den mensch schiep, d.w.z. van een macht, welke
alleen met het belang van den mensch rekening houdt.
Daarom wordt dan ook verhaald, dat God den vrijen mensch
verbood van den boom der kennisse van goed en kwaad te
eten en dat de mensch, zoodra hij er toch van gegeten
had, méér den dood vreesde dan begeerde te leven. Voordat
de man, nadat hij de vrouw gevonden had, die geheel en al
met zijn aard overeen kwam, begreep dat er niets in de
Natuur bestond, dat hem van grooter nut kon zijn dan
deze, maar dat hij, wanende dat hij gelijksoortig was met
de dieren, aanstonds hun aandoeningen begon na te bootsen
(_zie St. XXVII D. III_) en daarmede zijn vrijheid
verloor, welke de Aartsvaders later herwonnen, geleid
door den Geest van Christus, d.w.z. door de voorstelling
Gods, waarvan alleen het afhangt dat de mensch vrij zij
en dat hij het goede, hetwelk hij voor zichzelf begeert,
ook aan de overige menschen toewenscht, gelijk wij
hierboven (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) hebben aangetoond.
_Stelling LXIX._
De deugd van den vrijen mensch blijkt evenzeer uit het vermijden
als in het overwinnen van gevaren.
_Bewijs._
Een aandoening kan alleen worden getemperd of opgeheven door een
tegengestelde aandoening, welke sterker is (_vlg. St. VII v.d.
D._). Blinde Doldriestheid en Vrees echter zijn aandoeningen
welke men zich even sterk kan denken (_vlg. St. V en III v.d.
D._). Derhalve zal er een even groote zielskracht of kloekheid
(_welker Definitie men nasla in Opmerking St. LIX D. III_)
vereischt worden om Vermetelheid als om Vrees te temperen, d.w.z.
(_vlg. Definities XL en XLI der Aand._) de vrije mensch zal
krachtens dezelfde zielskracht gevaren ontwijken als waarmede hij
ze tracht te overwinnen. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Vluchten te juister tijd moet den vrijen mensch
als een even groot bewijs van moed worden aangerekend als
strijden, ofwel de vrije mensch kiest met even grooten
moed of tegenwoordigheid van geest den strijd als de
vlucht.
_Opmerking:_ Wat moed is, of wat ik daaronder versta, heb
ik in de Opmerking bij Stelling LIX van Deel III uiteen
gezet. Onder gevaar echter versta ik al wat oorzaak van
eenig kwaad kan zijn, zooals Droefheid, Haat, Tweedracht
enz.
_Stelling LXX._
De vrije mensch, die temidden van onwetenden[A75] leeft, zal
zooveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen.
_Bewijs._
Ieder beoordeelt krachtens zijn eigen aard wat goed is (_zie
Opmerking St. XXXIX D. III_). De onwetende dus, die een ander een
weldaad bewezen heeft, zal deze naar zijn eigen inzicht
beoordeelen en zich bedroeven als hij ziet dat degeen, wien hij
die weldaad bewees, haar minder waardeert (_vlg. St. XLII D.
III_). De vrije mensch evenwel tracht de andere menschen door
vriendschap aan zich te verbinden (_vlg. St. XXXVII v.d. D._);
hij wenscht geenszins door even groote weldaden den menschen hun
genegenheid te vergelden, maar zich en anderen door het vrije
oordeel der Rede te laten leiden, en begeert slechts dat te doen
wat hijzelf als het belangrijkste erkent. Derhalve zal de vrije
mensch, opdat hij zich niet bij de onwetenden gehaat make en niet
hùn begeerte, doch uitsluitend de Rede gehoorzame, hun weldaden
zooveel mogelijk trachten af te wijzen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Ik zeg "zooveel mogelijk". Want al zijn de
menschen onwetend, zij zijn nochtans menschen, die in
gevallen van nood menschelijke hulp, waar geen andere
bovengaat, kunnen bieden. En zoodoende komt het dikwijls
voor, dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te
nemen, en bijgevolg dat wij hen daartegenover de
dankbaarheid, welke bij hun gezindheid past, hebben te
betoonen. Daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen
van weldaden voorzichtig moet zijn, opdat men niet den
schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten, of uit
gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven
en hen zoodoende beleedigt, terwijl men juist hun Haat
wil voorkomen. Daarom moet men bij het afwijzen van
weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is.
_Stelling LXXI._
Alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn.
_Bewijs._
Alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut; zijn
door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden (_vlg. St. XXXV
en Gevolg I v.d. D._) en trachten, door gelijke Liefde gedreven,
elkaar wel te doen (_vlg. St. XXXVII v.d. D._). Derhalve kunnen
(_vlg. Definitie XXXIV der Aand._) ook alleen vrije menschen
elkaar waarachtig dankbaar zijn. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De dankbaarheid welke lieden, die door
blinde Begeerte geleid worden, voor elkaar gevoelen, is
meestal eer een soort van handel of lokaas, dan
eigenlijke dankbaarheid. Voorts is ondankbaarheid geen
aandoening. Niettemin is ondankbaarheid iets
schandelijks, wijl zij meestal een aanwijzing is dat
iemand met een groote mate van Haat, Toorn, Trots of
Gierigheid behept is. Want wie te dom is om te weten hoe
hij geschenken moet beantwoorden, is niet ondankbaar. Nog
minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er
toe gebracht wordt om haar lusten te dienen, of door die
van een dief om zijn diefstal geheim te houden en
dergelijke. Immers hij, die zich door geenerlei
geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het
verderf te storten, toont daardoor juist een standvastige
ziel te bezitten.
_Stelling LXXII._
De vrije mensch handelt nooit te kwader, doch steeds te goeder
trouw.
_Bewijs._
Indien de vrije mensch, voorzoover hij vrij is, iets te kwader
trouw deed, zou hij dit doen op voorschrift der Rede (immers
alleen inzoover noemen wij hem vrij). Derhalve zou te kwader
trouw handelen een deugd zijn (_vlg. St. XXIV v.d. D._) en zou
het bijgevolg (_vlg. dezelfde St._) een ieder, teneinde zijn
wezen te handhaven, zeer geraden zijn te kwader trouw te
handelen, d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_), het zou den menschen
geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn, in
daden echter tegenover elkaar te staan; hetgeen (_vlg. Gevolg St.
XXXI v.d. D._) ongerijmd is. Derhalve handelt de vrije mensch
enz. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Indien men mij nu vraagt of niet, wanneer
iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend
doodsgevaar kon redden, het beginsel van het streven naar
zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te
zijn, zoo antwoord ik op dezelfde wijze [als hierboven]
dat indien de Rede dit eischte zij het dus van alle
menschen zou eischen; dat dus de Rede van alle menschen
zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen
te werken en algemeen geldige rechten te erkennen, d.w.z.
in werkelijkheid géén algemeen geldige rechten te
erkennen; hetgeen ongerijmd is.
_Stelling LXXIII._
De mensch, die door de Rede geleid wordt, is in den Staat, waar
hij volgens algemeen besluit leeft, vrijer dan in de eenzaamheid,
waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.
_Bewijs._
De mensch die door de Rede geleid wordt, wordt niet door Vrees
tot gehoorzaamheid gedwongen (_vlg. St. LXIII v.d. D._); doch hij
verlangt (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) rekening te houden met het
algemeene leven en belang en bijgevolg (_gelijk wij in Opmerking
II St. XXXVII v.d. D. aantoonden_) volgens besluit van den
gemeenschappelijken Staat te leven, alleen voorzoover hij volgens
voorschrift der Rede zijn wezen tracht te handhaven, d.w.z.
(_vlg. Opmerking St. LXVI v.d. D._) voorzoover hij vrij wenscht
te leven. Derhalve begeert de mensch die door de Rede geleid
wordt, juist om vrijer te leven, zich te houden aan het
gemeenschappelijke recht van den Staat. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Deze en dergelijke dingen, welke wij over 's
menschen waarachtige vrijheid hebben betoogd, hebben
betrekking op de Kloekheid, d.w.z. (_vlg. Opmerking St.
LIX D. III_) op Geestkracht en Edelmoedigheid. Ik acht
het evenwel niet der moeite waard alle kenmerken der
Kloekheid afzonderlijk te behandelen en nog minder er op
te wijzen dat een kloek mensch niemand haat, niemand
toornt, benijdt of geringschat, zich over niemand
verontwaardigt en allerminst zichzelf verheft. Immers
dit, en al wat het waarachtig leven en den godsdienst
betreft, kan gemakkelijk uit de Stellingen XXXVII en XLVI
van dit Deel worden afgeleid, waar immers betoogd werd
dat Haat door Tegenliefde moet worden overwonnen en dat
ieder, die door de Rede geleid wordt, een goed dat hij
voor zichzelf begeert ook anderen toewenscht. Hierbij
komt nog wat wij in de Opmerking bij Stelling L van dit
Deel en op andere plaatsen hebben opgemerkt: dat namelijk
een kloek mensch in de allereerste plaats bedenkt dat
alles voortvloeit uit de noodwendigheid van den
goddelijken aard en dat dus al wat hij voor hinderlijk en
slecht houdt en wat hem goddeloos, afschuwelijk,
onrechtvaardig en schandelijk dunkt, dit alles slechts is
wijl hijzelf de dingen wanordelijk, gebrekkig en verward
waarneemt. Om deze reden zal hij dan ook in de eerste
plaats er naar streven de dingen waar te nemen zooals zij
op zichzelf zijn en alle belemmeringen tot een
waarachtige kennis, zooals Haat, Toorn, Nijd, Spot,
Hoogmoed en al dergelijke aandoeningen, welke wij in het
voorgaande hebben opgenoemd, uit den weg te ruimen. Hij
zal er daarom zooveel mogelijk naar streven om, gelijk
wij zeiden: wel te doen en blij te zijn. Tot hoever nu de
gemeenschappelijke kracht bij dit streven reikt en wat
zij vermag, zal ik in het volgend Deel aantoonen.