I. Onder "_goed_" versta ik datgene, waarvan wij zeker weten dat
het nuttig voor ons is.
II. Onder "_kwaad_" [slecht, verkeerd] daarentegen datgene,
waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te
bereiken [verkrijgen].
(_Zie hierover de voorgaande Voorrede, aan het slot._)
III. Bijzondere dingen noem ik "_toevallig_" [gebeurlijk]
voorzoover wij, uitsluitend lettende op hun wezen, niets vinden
dat hun bestaan noodzakelijk stelt, noch het noodzakelijk
uitsluit.
IV. Diezelfde bijzondere dingen noem ik "_mogelijk_", voorzoover
wij, lettende op de oorzaken, welke hen te weeg moeten brengen,
niet weten of deze inderdaad gedwongen zijn ze voort te brengen.
(In Opmerking I Stelling XXXIII Deel I heb ik tusschen "mogelijk"
en "toevallig" geenerlei onderscheid gemaakt, wijl het daar niet
noodig was deze begrippen nauwkeurig te onderscheiden.)[A64]
V. Onder "_tegenstrijdige aandoeningen_" zal ik in het vervolg
zulke verstaan, welke den mensch naar verschillende kanten
heentrekken, ook al zijn ze van dezelfde soort, zooals
weeldezucht en gierigheid, welke beide soorten van Liefde zijn.
Zij zijn niet van nature, maar door toevallige omstandigheden
tegenstrijdig.
VI. Wat ik onder een aandoening in verband met een toekomstige,
tegenwoordige of verleden zaak versta, heb ik uiteen gezet in de
Opmerkingen I en II bij Stelling XVIII Deel III. Zie aldaar.
(Het is hier de plaats om te doen opmerken, dat wij ons ook
afstanden, zoowel van ruimte als van tijd, slechts tot aan een
bepaalde grens duidelijk kunnen voorstellen. Dat wil zeggen:
evenals wij ons alle voorwerpen, welke meer dan tweehonderd voet
van ons verwijderd zijn, of wier afstand van de plaats waar wij
ons bevinden, den afstand, waarop wij duidelijk kunnen waarnemen,
overschrijdt, als even ver van ons af en volkomen in hetzelfde
vlak gelegen plegen voor te stellen; evenzoo stellen wij ons
voor, dat zaken wier tijdstippen van bestaan ons door een langer
tijdsverloop van het heden gescheiden lijken dan wij gewoonlijk
duidelijk onderscheiden, allen evenlang geleden zijn en brengen
wij ze allen als het ware tot één tijdstip terug.)
VII. Onder het "_doel_", terwille waarvan [de bedoeling waarmee]
wij iets doen, versta ik den drang.
VIII. Onder "_deugd_" [kracht] en "_vermogen_" [macht] versta ik
hetzelfde. D.w.z. (_vlg. St. VIII D. III_) Deugd [kracht] is,
voorzoover zij betrekking heeft op den mensch, 's menschen wezen
of aard zelf, voorzoover dit het vermogen [de macht] bezit dingen
tot stand te brengen, welke uit de wetten van dien aard alleen
reeds verklaarbaar zijn.