De menschelijke machteloosheid in het matigen en bedwingen der
aandoeningen, noem ik knechtschap; immers de mensch die aan zijn
aandoeningen onderworpen is, leeft niet naar eigen wil, doch naar
dien der fortuin, in wier macht hij zoozeer is, dat hij dikwijls
gedwongen wordt om, schoon hij het betere ziet, het slechtere te
volgen[A49]. De oorzaak hiervan, en wat er goeds of kwaads in de
aandoeningen ligt, stel ik mij voor in dit Deel uiteen te zetten.
Maar alvorens hiermede te beginnen wensch ik nog een en ander
over volmaaktheid en onvolmaaktheid, goed en kwaad, te doen
voorafgaan.
Wie zich had voorgenomen iets te doen en dit ook werkelijk gedaan
heeft, zal zeggen dat zijn taak volbracht [voltooid, vol_maakt_]
is. En niet alleen hijzelf, maar ook ieder die den Geest van den
maker van dit werk, en tevens het gestelde doel, goed kende of
meende te kennen. Zoo zal men bijvoorbeeld, wanneer men een of
ander werk (waarvan ik aanneem dat het nog niet voltooid is)
ziet, en weet dat het de bedoeling van den maker ervan was een
huis te bouwen, dit huis "onvoltooid" noemen; "voltooid"
daarentegen zoodra men ziet dat het werk is doorgezet tot aan het
doel dat zijn maker zich bij zijn arbeid had gesteld. Indien men
evenwel een of ander werk aanschouwt, welks gelijke men nog nooit
gezien heeft en daarbij evenmin den geest van den vervaardiger
kent, zal men natuurlijk niet kunnen weten of dit werk voltooid
[volmaakt] of onvoltooid [onvolmaakt] is.
Dit schijnt de oorspronkelijke beteekenis dier woorden te zijn
geweest. Doch sinds de mensch begon met algemeen begrippen te
vormen en voorbeelden te bedenken van huizen, gebouwen, torens
enz., en aan het eene voorbeeld de voorkeur te geven boven het
andere, moest ieder wel dàtgene "volmaakt" gaan noemen, wat
overeen kwam met de algemeene voorstelling, welke hìj zich
omtrent die zaak gevormd had, en omgekeerd "onvolmaakt", wat
minder aan het door hemzelf aangenomen voorbeeld beantwoordde,
ook al was het volgens de bedoeling van den vervaardiger geheel
en al voltooid. Geen andere reden ook schijnt er te zijn, waarom
men natuurlijke voortbrengselen--ik bedoel dingen, welke niet
door menschenhand vervaardigd zijn, volmaakt of onvolmaakt noemt.
Men pleegt immers evengoed van natuurlijke als van kunstmatige
dingen algemeene voorstellingen te vormen, welke men als het ware
als voorbeelden dier dingen beschouwt en waarvan men zich
inbeeldt dat ook de Natuur (welke naar men meent niets zonder een
of andere bedoeling doet) ze als zoodanig beschouwt en aan
zichzelf voorhoudt. Wanneer men dus iets in de Natuur waarneemt
dat met de aangenomen voorstelling, welke men omtrent zaken van
dien aard heeft, minder goed overeenstemt, meent men dat de
Natuur zelf gefaald en gezondigd heeft en die bedoelde zaak
onvolmaakt heeft gelaten. Wij zien dus dat men zich meer op grond
van vooroordeel, dan op grond van waarachtige kennis heeft
aangewend, natuurvoortbrengselen volmaakt of onvolmaakt te
noemen. Immers in het Aanhangsel van het Eerste Deel hebben wij
aangetoond dat de Natuur geenszins met bedoeling handelt; dit
eeuwige en oneindige Wezen toch, dat wij God of Natuur noemen,
handelt slechts met diezelfde noodwendigheid, krachtens welke het
bestaat. Want wij hebben aangetoond dat het handelt krachtens
diezelfde wezens-noodwendigheid waardoor het ook _beslaat_ (_Zie
St. XVI D. I_). De reden of oorzaak dus waardoor God, ofwel de
Natuur, handelt en waardoor hij bestaat, zijn één en dezelfde.
Evenmin als Hij dus terwille van eenig doel bestaat, evenmin
handelt hij terwille van eenig doel; doch evenmin als zijn
bestaan, heeft zijn handelen begin of einde. Wat men evenwel een
doeloorzaak noemt, is niets anders dan menschelijke Begeerte,
voorzoover deze beschouwd wordt als begin of eerste oorzaak van
eenig ding. Wanneer wij bijvoorbeeld zeggen dat "bewoning" de
doeloorzaak is van een of ander huis, verstaan wij hieronder toch
zeker niets anders dan dat iemand, wijl hij zich de gemakken van
het huiselijk leven voorstelde, het verlangen gevoelde om een
huis te bouwen. Zoodat "bewoning", opgevat als doeloorzaak, niets
anders is als deze bijzondere Begeerte zelf, welke inderdaad de
bewerkende oorzaak is, maar alleen als éérste oorzaak wordt
beschouwd, wijl de menschen gemeenlijk de oorzaken hunner
begeerten niet kennen. Immers de menschen zijn, gelijk ik reeds
herhaaldelijk betoogd heb, zich wel bewust van hun daden en
begeerten, maar niet van de oorzaken, waardoor zij gedreven
worden iets te begeeren. De gewone bewering overigens, dat de
Natuur kan falen of zondigen en onvolmaakte dingen voortbrengt,
reken ik tot die verzinsels welke ik in het Aanhangsel van het
Eerste Deel heb behandeld.
Volmaaktheid en Onvolmaaktheid zijn dus in werkelijkheid slechts
vormen van Denken, Begrippen namelijk welke wij plegen te
verzinnen, doordat wij enkeldingen van dezelfde soort of
hetzelfde geslacht onderling vergelijken; en het is daarom dat ik
hierboven (_Definitie VI D. II_) gezegd heb dat ik onder
werkelijkheid en volmaaktheid hetzelfde versta. Immers, wij zijn
gewoon alle enkeldingen in de Natuur onder één soort [kategorie],
welke wij als de meest algemeene beschouwen, samen te vatten,
namelijk onder het begrip "zijn", dat toepasselijk is op alle
enkeldingen in de Natuur zonder uitzondering. Voorzoover wij dus
de enkeldingen in de Natuur onder dit ééne begrip samenvatten en
met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat het eene méér zijn
of werkelijkheid heeft dan het andere, zeggen wij ook dat het
eene volmaakter is dan het andere. Voorzoover wij daarentegen
dingen aan hen toeschrijven, welke een ontkenning in zich
sluiten, zooals "begrensdheid", "eindigheid", "onvermogen" enz.,
noemen wij ze onvolmaakt, wijl zij onzen Geest niet op dezelfde
wijze aandoen als die, welke wij volmaakt noemen, doch geenszins
wijl hun iets, dat hun toekomt, zou ontbreken, of wijl de Natuur
zou hebben gezondigd. Niets toch komt van nature aan iets toe dan
datgene wat uit den noodwendigen aard der bewerkende oorzaak
voortvloeit en datgene, wat uit dien noodwendigen aard der
bewerkende oorzaak voortvloeit, geschiedt ook met noodwendigheid.
Wat goed en kwaad betreft, ook deze woorden duiden niets positief
aan in de dingen op zichzelf beschouwd, ook zij zijn niets anders
dan vormen van Denken, of begrippen, welke wij vormen, doordat
wij dingen onderling vergelijken. Want één en dezelfde zaak kan
op hetzelfde tijdstip goed en kwaad, of ook wel onverschillig
zijn. Zoo is bijvoorbeeld muziek goed voor den weemoedige, slecht
voor den treurende, doch voor den doove goed noch kwaad. Evenwel
moeten wij, niettegenstaande dit zoo is, deze woorden toch
blijven gebruiken. Want aangezien wij ons toch een voorstelling
wenschen te vormen van den mensch, welke wij als een voorbeeld
[ideaal] van den geheelen menschelijken aard kunnen beschouwen,
zal het voor ons van nut zijn om die woorden in den door mij
omschreven zin te behouden. Onder "goed" zal ik dus in het
vervolg verstaan datgene, waarvan wij zeker weten dat het een
middel is om meer en meer dit ideaal van den menschelijken aard,
dat wij ons voor oogen stellen, te benaderen. Onder "kwaad"
daarentegen dat, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert
aan dit ideaal te beantwoorden. Voorts zullen wij de menschen
volmaakter of onvolmaakter noemen naar gelang zij meer of minder
tot dit ideaal naderen. Want ik moet in de eerste plaats doen
opmerken dat ik, wanneer ik zeg dat iemand van geringer tot
grooter volmaaktheid overgaat en omgekeerd, hiermede _niet_
bedoel dat hij van wezen of bestaansvorm zou veranderen (een
paard bijvoorbeeld zou als zoodanig te gronde gaan, wanneer het
in een mensch of insekt veranderd werd), maar dat zijn vermogen
tot handelen, voorzoover dit uit zijn eigen aard kan worden
verklaard, naar onze voorstelling toeneemt of afneemt. Onder
volmaaktheid in het algemeen tenslotte versta ik, gelijk ik reeds
zeide, de werkelijkheid, d.w.z. het wezen van ieder ding,
voorzoover het op bepaalde wijze bestaat en werkt, ongeacht zijn
duur. Want geen enkel bijzonder ding kan volmaakter genoemd
worden, alleen wijl het iets langer in zijn bestaan heeft
volhard. De duur der dingen toch kan niet uit hun wezen worden
afgeleid, aangezien het wezen der dingen geen bepaalden en
vastgestelden tijd van bestaan in zich sluit, maar elk ding,
onverschillig of het meer of minder volmaakt is, door dezelfde
kracht waardoor het begon te bestaan, in dit bestaan zal blijven
volharden; zoodat alle dingen in dit opzicht gelijk zijn.