ALGEMEENE DEFINITIE DER AANDOENINGEN

Die aandoening, welke men Gemoeds-aandoening[A63] [lijding]

noemt, is een verwarde voorstelling, waarin de Geest tot

erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van

zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen, dan dit te voren

bezat en door welke de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets

eerder te denken dan aan iets anders.

_Toelichting:_ Ik zeg ten eerste dat een aandoening of

lijding des gemoeds een verwarde voorstelling is. Immers

wij hebben (_zie St. III v.d. D._) aangetoond dat de

Geest slechts in zoover lijdt als hij inadaequate of

verwarde voorstellingen heeft. Ik zeg vervolgens "waarin

de Geest tot erkenning komt van een grootere of geringere

bestaanskracht van zijn Lichaam of van een van deszelfs

deelen, dan dit te voren bezat". Immers alle

voorstellingen welke wij van voorwerpen hebben, geven

(_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_) meer den werkelijken

toestand van ons Lichaam dan den aard van het uitwendige

voorwerp weer. En die voorstelling, welke het wezen van

een aandoening uitmaakt moet _dien_ toestand van het

Lichaam of van een van deszelfs deelen weergeven of

uitdrukken, waarin dit Lichaam zelf of waarin een van

deszelfs deelen verkeert, doordat zijn vermogen om te

handelen of te bestaan wordt vermeerderd of verminderd,

bevorderd of belemmerd. Doch men merke op dat ik, wanneer

ik zeg: "een grootere of geringere bestaanskracht, dan

het te voren bezat", hiermede niet bedoel dat de Geest

den tegenwoordigen toestand des Lichaams met een verleden

toestand vergelijkt, doch dat de voorstelling, welke het

wezen der aandoening uitmaakt, iets omtrent het Lichaam

erkent [bevestigt] dat meer of minder werkelijkheid in

zich sluit dan een vroegere [voorstelling]. En aangezien

(_vlg. St. XI en XIII D. II_) het wezen van den Geest

dáárin bestaat, dat hij het werkelijk bestaan van het

eigen Lichaam bevestigt en wij onder volmaaktheid het

wezen zelf van iets verstaan, volgt hieruit dus dat de

Geest tot grootere of geringere volmaaktheid overgaat,

wanneer hij iets omtrent zijn Lichaam of een van deszelfs

deelen bevestigt, dat meer of minder werkelijkheid in

zich sluit dan tevoren. Toen ik dus hierboven zeide, dat

de denkkracht van den Geest vermeerderde of verminderde,

heb ik niets anders te kennen willen geven, dan dat de

Geest een voorstelling van zijn Lichaam of van een van

deszelfs deelen vormde, welke meer of minder

werkelijkheid uitdrukte, dan wat hij tevoren omtrent zijn

Lichaam had bevestigd. Immers de voortreffelijkheid onzer

voorstellingen en onze werkelijke denkkracht worden

beoordeeld naar de voortreffelijkheid van hun voorwerp.

Ik heb tenslotte nog toegevoegd: "door welker

aanwezigheid de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets

eerder te denken dan aan iets anders" om, behalve den

aard van Blijheid en Droefheid, welke in het eerste

gedeelte der definitie liggen besloten, ook nog den aard

der Begeerte uit te drukken.

_Einde van het Derde Deel._

* * * * *

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 46 / 59 题