XLVIII. _Wellustigheid_ eindelijk is Begeerte en Liefde tot
lichamelijke vermenging.
_Toelichting:_ Deze begeerte tot vermenging pleegt men
steeds wellustigheid te noemen, onverschillig of zij
gematigd is of niet.
Voorts merk ik op dat deze vijf aandoeningen (_gelijk ik
reeds in Opmerking St. LVI v.d. D. in herinnering
bracht_) geen tegengestelden hebben. Want Gematigdheid is
een soort van eerzucht (_zie Opmerking St. XXIX v.d. D._)
en dat Matigheid, Nuchterheid en Kuischheid zielskrachten
aanduiden, maar geen lijdingen, heb ik ook reeds
opgemerkt. En ofschoon het zeer goed kan voorkomen dat
een hebzuchtig, eerzuchtig of vreesachtig man zich
onthoudt van overmatig gebruik van spijs en drank en
overmatig geslachtsverkeer, zoo zijn toch Hebzucht,
Eerzucht en Vreesachtigheid geenszins tegenstellingen van
Gulzigheid, Drankzucht of Wellustigheid. Immers een
gierigaard is er meestal op belust zich met spijs en
drank van anderen vol te stoppen. En de eerzuchtige zal,
zoo hij slechts mag verwachten dat het geheim blijft,
nergens maat in houden en indien hij onder dronkaards en
wellustelingen verkeert, juist wijl hij eerzuchtig is,
nog meer tot die ondeugden geneigd zijn. De vreesachtige
tenslotte doet dingen, welke hij niet doen wil. Want al
werpt hij, om den dood te ontkomen, zijn rijkdommen in
zee, hij blijft niettemin een vrek, en wanneer een
wellusteling zich bedroeft omdat hij zijn lust niet kan
bevredigen, houdt hij daarom nog niet op een wellusteling
te zijn. In het algemeen hebben deze aandoeningen niet
zoozeer betrekking op de handelingen van eten, drinken
enz., als wel op den lust en de neiging daartoe zelf.
Niets kan dus tegenover deze aandoeningen worden gesteld,
behalve Edelmoedigheid en Zielskracht; waarover in het
volgende.
De definitie der Jaloerschheid en der overige
Gemoedsweifelingen ga ik stilzwijgend voorbij, zoowel
omdat zij ontstaan door samenstelling der reeds
omschreven aandoeningen, alsook omdat de meesten geen
naam dragen, hetgeen wel bewijst dat het voor het
dagelijksch leven voldoende is ze slechts als soort te
kennen. Overigens blijkt uit de definities der
aandoeningen, welke wij hebben toegelicht, dat zij allen
ontstaan uit Begeerte, Blijheid en Droefheid, of liever,
dat zij niets anders zijn dan deze drie, welke ieder
verschillende namen plegen te dragen naar gelang van de
verschillende uitwendige zaken, waarop zij betrekking
hebben en de benamingen daarvan. Bepalen wij nu eens onze
aandacht tot deze drie oorspronkelijke aandoeningen en
tot wat wij hierboven gezegd hebben over den aard van den
Geest, zoo zullen wij de aandoeningen, voorzoover zij
alleen betrekking hebben op den Geest, aldus kunnen
omschrijven.