_Toelichting:_ Dat bewondering haar oorsprong vindt in de
nieuwheid eener zaak hebben wij in Stelling LII van dit
Deel aangetoond. Wanneer het dus voorkomt dat wij ons
iets dat wij bewonderen herhaaldelijk voorstellen, houden
wij op het te bewonderen; en wij zien daardoor dan ook
dat de aandoening van Toewijding gemakkelijk tot gewone
Liefde ontaardt.
XI. _Bespotting_ is Blijheid, voortgesproten uit het feit dat wij
ons voorstellen dat iets, hetwelk wij verachten, aanwezig is in
een zaak, welke wij haten.
_Toelichting:_ Voorzoover wij een zaak, welke wij haten,
ook verachten, ontkennen wij haar bestaan [ontzeggen wij
er iets aan] (_zie Opmerking St. LII v.d. D._) en
inzoover zullen wij ons dus (_vlg. St. XX v.d. D._)
verblijden. Maar aangezien wij onderstellen, dat iemand
datgene wat hij bespot, toch ook haat, volgt hieruit, dat
deze Blijheid niet duurzaam is. (_Zie Opmerking St. XLVII
v.d. D._)
XII. _Hoop_ is een onstandvastige Blijheid, ontsproten uit de
voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks
verloop wij in eenig opzicht twijfelen.
XIII. _Vrees_ is een onstandvastige Droefheid, ontsproten uit de
voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks
verloop wij in eenig opzicht twijfelen. (_Zie hierover Opmerking
II St. XVIII v.d. D._)
_Toelichting:_ Uit deze definitie volgt dat er geen Hoop
bestaat zonder Vrees, noch Vrees zonder Hoop. Immers, wie
in Hoop zweeft en twijfelt omtrent den afloop eener zaak,
wordt verondersteld zich iets voor te stellen dat het
bestaan dier toekomstige zaak uitsluit en dus zich in
zoover ook te bedroeven (_vlg. St. XIX v.d. D._), en
bijgevolg, zoolang hij hoopt, tevens te vreezen dat de
zaak misloopt. Wie daarentegen in Vrees verkeert, d.w.z.
wie twijfelt omtrent den afloop van iets dat hij haat,
stelt zich eveneens iets voor dat het bestaan ervan
uitsluit; hij verblijdt zich dus (_vlg. St. XX v.d. D._)
en heeft bijgevolg inzoover Hoop dat het niet zal
gebeuren.
XIV. _Gerustheid_ is Blijheid, ontsproten uit de voorstelling van
iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel
is opgeheven.
XV. _Wanhoop_ is Droefheid, ontsproten uit de voorstelling van
iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel
is opgeheven.
_Toelichting:_ Uit Hoop ontspringt dus Gerustheid, uit
Vrees Wanhoop, wanneer de reden om over den afloop van
iets te twijfelen wordt opgeheven. Wat het gevolg daarvan
is, dat men zich òf een verleden of toekomstig iets als
aanwezig voorstelt en dus als tegenwoordig beschouwt, òf
zich iets anders voorstelt dat het bestaan uitsluit van
al datgene wat ons in twijfel deed verkeeren. Want al
kunnen wij (_vlg. Gevolg St. XXXI D. II_) nooit zéker
zijn omtrent den afloop van bijzondere zaken, zoo kan het
toch niettemin voorkomen dat wij omtrent hun afloop niet
twijfelen. Wij hebben immers aangetoond (_zie Opmerking
St. XLIX D. II_) dat het nog iets anders is aan iets niet
te twijfelen, of zekerheid omtrent iets te bezitten. En
zoo kan het dus gebeuren dat wij tengevolge van de
voorstelling eener verleden of toekomstige zaak dezelfde
aandoening van Blijheid of Droefheid ondervinden als door
de voorstelling van iets dat werkelijk aanwezig is,
gelijk wij in Stelling XVIII van dit Deel hebben bewezen.
(_Men zie deze Stelling met de Opmerking daarbij_).
XVI. _Verheuging_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van
iets verledens dat buiten verwachting [goed] afliep [uitviel].
XVII. _Spijt_ [Hartzeer] is Droefheid, vergezeld door de
voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting [slecht]
afliep [uitviel].
XVIII. _Medelijden_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling
van een kwaad dat aan een ander, dien wij als onzen gelijke
beschouwen, is overkomen (_zie Opmerking St. XXII en Opmerking
St. XXVII v.d. D._)
_Toelichting:_ Tusschen Medelijden en Barmhartigheid
schijnt geen verschil te bestaan, tenzij misschien dit,
dat Medelijden slaat op een bijzondere aandoening,
barmhartigheid daarentegen op haar gewoonte[A61].
XIX. _Ingenomenheid_ is Liefde jegens iemand die een ander heeft
welgedaan.
XX. _Verontwaardiging_ is Haat jegens iemand die een ander heeft
kwaad gedaan.
_Toelichting:_ Ik weet dat deze woorden in het
dagelijksch gebruik iets anders beteekenen. Maar het is
niet mijn voornemen de beteekenis van woorden, doch den
aard der dingen te verklaren en deze dingen dan aan te
duiden met woorden, waarvan de beteekenis welke zij
gewoonlijk hebben, met de beteekenis welke ik hen wensch
te geven, niet geheel en al onvereenigbaar is. Het moge
volstaan dit hier eens en vooral te hebben doen opmerken.
Zie overigens over den oorsprong dier aandoeningen
_Gevolg I Stelling XXVII_ en de _Opmerking bij Stelling
XXII van dit Deel_.
XXI. _Overschatting_ is uit Liefde beter van iemand denken dan
gerechtvaardigd is.
XXII. _Geringschatting_ is uit Haat slechter van iemand denken
dan billijk is.
_Toelichting:_ Overschatting is dus een gevolg of
eigenschap van Liefde, evenals Geringschatting van Haat.
Men kan daarom Overschatting ook omschrijven als: Liefde,
voorzoover zij den mensch er toe brengt beter van het
geliefde wezen te denken dan gerechtvaardigd is en
daarentegen Geringschatting als Haat, voorzoover hij den
mensch er toe brengt slechter over het gehate wezen te
oordeelen dan billijk is (_zie hierover Opmerking St.
XXVI v.d. D._).
XXIII. _Nijd_ [Afgunst, Leedvermaak] is Haat voorzoover hij den
mensch er toe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven en
omgekeerd zich over diens ongeluk te verblijden.
_Toelichting:_ Gewoonlijk wordt tegenover Nijd
Barmhartigheid gesteld, welke dus, tegen de gewone
beteekenis van het woord, als volgt kan worden
omschreven:
XXIV. _Barmhartigheid_ is Liefde, voorzoover zij den mensch er
toe brengt, zich over eens anders geluk te verblijden en
omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven.
_Toelichting:_ Zie overigens omtrent den Nijd de
_Opmerking bij Stelling XXIV en de Opmerking bij Stelling
XXXII van dit Deel_. Deze nu zijn de aandoeningen van
Blijheid of Droefheid welke vergezeld gaan van
voorstellingen eener uitwendige oorzaak, hetzij
onmiddellijk of door toevallige omstandigheden. Ik zal nu
tot de andere aandoeningen overgaan, welke vergezeld gaan
van de voorstelling eener inwendige oorzaak.
XXV. _Zelfvoldaanheid_ [Tevredenheid met zichzelf] is Blijheid,
ontstaan door de beschouwing van zichzelf en de eigen macht tot
handelen.
XXVI. _Neerslachtigheid_ is Droefheid, ontstaan door de
beschouwing van eigen machteloosheid of zwakheid.
_Toelichting:_ Zelfvoldaanheid staat tegenover
Neerslachtigheid, voorzoover wij er onder verstaan de
Blijheid, ontstaan door de beschouwing van onze eigen
macht tot handelen; voorzoover wij er evenwel ook onder
verstaan Blijheid, vergezeld door de voorstelling van een
of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des
Geestes meenen verricht te hebben, staat zij tegenover
Berouw, dat door ons als volgt wordt omschreven:
XXVII. _Berouw_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van
een of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des Geestes
meenen verricht te hebben.
_Toelichting:_ De oorzaken dezer aandoeningen hebben wij
aangewezen in de Opmerking bij Stelling LI van dit Deel
en de Stellingen LIII, LIV en LV met de daarbij
behoorende Opmerking. Over het vrije besluit des Geestes
zie evenwel de Opmerking bij Stelling XXXV van Deel II.
Doch hier valt bovendien nog op te merken dat het niet te
verwonderen is wanneer algemeen op alle handelingen,
welke men volgens gewoonte "verkeerd" noemt, Droefheid
volgt en op alle die "behoorlijk" heeten Blijheid. Immers
na het hier boven gezegde kunnen wij gemakkelijk inzien
dat dit voornamelijk afhangt van de opvoeding. De ouders
hebben toch, door gene daden af te keuren en hun kinderen
er herhaaldelijk over te berispen, deze daarentegen aan
te raden en te prijzen, gemaakt dat met gene aandoeningen
van Droefheid, met deze echter van Blijheid verbonden
worden. Hetgeen ook door de ervaring zelf wordt
bevestigd. Immers gewoonte en godsdienst zijn niet voor
iedereen dezelfde. Integendeel, wat den een heilig is, is
voor den ander profaan; wat de een eerbaar vindt, is bij
den ander schandelijk. Naar de wijze dus waarop ieder is
opgevoed zal hij een daad berouwen of zich er op
beroemen.
XXVIII. _Hoogmoed_ [Verwaandheid] is uit Liefde beter van
zichzelf denken dan gerechtvaardigd is.
_Toelichting:_ Hoogmoed verschilt dus van overschatting
daarin, dat deze op een uitwendig voorwerp betrekking
heeft, gene echter op den mensch zelf die beter van
zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. Overigens, evenals
overschatting een gevolg of eigenschap der Liefde is, is
Hoogmoed een gevolg of eigenschap van Eigenliefde, zoodat
zij dus ook omschreven kan worden als Liefde tot zichzelf
of Zelfvoldaanheid, voorzoover zij den mensch er toe
brengt dat hij beter over zichzelf denkt dan
gerechtvaardigd is. (_Zie Opmerking St. XXVI v.d. D._).
Van deze aandoening bestaat geen tegengestelde. Immers
niemand denkt uit Haat jegens zichzelf slechter van zich
dan billijk is. Jazelfs denkt niemand slechter van
zichzelf dan billijk is, wanneer hij zich voorstelt dat
hij dit of dat niet kan. Want als iemand zich voorstelt
dat hij iets niet kan, stelt hij zich daarbij
noodzakelijk die zaak voor en wordt hij door die
voorstelling in een zoodanigen toestand gebracht dat hij
ook inderdaad niet kan wat hij zich voorstelde niet te
kunnen. Zoolang hij zich immers voorstelt dat hij dit of
dat niet kan, zoolang ook wordt hij niet tot handelen
gedreven en bijgevolg is het hem ook zoolang onmogelijk
iets te doen. Indien wij evenwel letten op datgene wat
uitsluitend van "meenen" [inbeelding] afhangt, kunnen wij
tòch zeer goed begrijpen hoe het mogelijk is dat iemand
slechter van zichzelf denkt dan billijk is. Zoo kan het
immers voorkomen dat iemand, terwijl hij in Droefheid
zijn eigen zwakheid beschouwt, zich inbeeldt dat hij door
iedereen veracht wordt, terwijl integendeel anderen aan
niets minder denken dan hem te verachten. Bovendien kan
iemand slechter van zichzelf denken dan billijk is,
wanneer hij op een gegeven oogenblik iets van zichzelf
ontkent in verband met de toekomst, waaromtrent hij in
het onzekere is; zooals bijvoorbeeld wanneer hij
verklaart, dat hij niets zeker zal kunnen begrijpen, of
dat hij niets dan verkeerde of schandelijke dingen kan
begeeren of doen, enz. Verder kunnen wij nog zeggen dat
iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is,
wanneer wij zien dat hij uit al te groote vrees voor
schande niet durft, wat zijns gelijken wel durven. Deze
aandoening kunnen wij dus tegenover den Hoogmoed stellen.
Ik zal haar _Zelfverachting_ [Kleinmoedigheid] noemen,
want evenals uit Zelfvoldaanheid de Hoogmoed, zoo
ontspruit uit Ootmoed de Zelfverachting, welke daarom als
volgt door ons kan worden omschreven:
XXIX. _Zelfverachting_ [Kleinmoedigheid] is uit Droefheid
slechter van zichzelf denken dan billijk is.
_Toelichting:_ Toch plegen wij dikwijls Deemoed tegenover
Hoogmoed te stellen. Wij letten daarbij dan echter meer
op beider uitwerking dan op beider karakter. Wij zijn
namelijk gewoon iemand hoogmoedig te noemen die al te
zeer pocht (_zie Opmerking St. XXX v.d. D._), die van
zichzelf niets dan deugden en van anderen niets dan
fouten weet te vertellen; die boven allen den voorrang
wil hebben en die tenslotte optreedt met een waardigheid
en praalvertoon, welke slechts toekomen aan wie verre
boven hem geplaatst zijn. Daarentegen noemen wij
deemoedig, wie dikwijls bloost, zijn feilen erkent en van
anderer deugden verhaalt, elkeen uit den weg gaat, met
gebogen hoofd voortschrijdt en het versmaadt zich op te
sieren. Overigens zijn deze aandoeningen, ik bedoel
Deemoed en Zelfverachting allerzeldzaamst. Want de
menschelijke aard op zichzelf beschouwd, verzet zich
zooveel mogelijk tegen haar (_zie St. XIII en St. LIV
v.d. D._). Vandaar dat zij, die zichzelf voor uiterst
deemoedig en nederig houden, in werkelijkheid meestal in
de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig zijn.
XXX. _Zelfverheerlijking_ is Blijheid, vergezeld door de
voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad,
waarvan wij meenen dat zij door anderen geprezen wordt.
XXXI. _Schaamte_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van
een of andere door onszelf verrichte daad, waarvan wij meenen dat
zij door anderen gelaakt wordt.
_Toelichting:_ Zie hieromtrent de Opmerking bij Stelling
XXX van dit Deel. Er moet hier evenwel gewezen worden op
het onderscheid dat er bestaat tusschen Schaamte en
Schroom. Schaamte toch is Droefheid, welke volgt op het
feit waarover men zich schaamt. Schroom evenwel is Vrees
of Angst voor Schaamte, waardoor iemand ervan wordt terug
gehouden iets schandelijks te begaan. Men pleegt
tegenover Schroom Onbeschaamdheid te stellen, maar deze
is in werkelijkheid geen aandoening, gelijk ik te zijner
plaatse zal aantoonen. Doch de namen der aandoeningen
berusten (gelijk ik reeds heb opgemerkt) meer op het
[spraak] gebruik dan op hun aard.
En hiermede heb ik de aandoeningen van Blijheid en
Droefheid, welke ik mij had voorgenomen toe te lichten,
afgehandeld. Ik ga dus over tot die, welke ik terugbreng
tot Begeerte.
XXXII. _Verlangen_ is Begeerte of Drang om iets te bemachtigen
[te bereiken], welke Begeerte door de herinnering aan de zaak
wordt aangewakkerd en terzelfdertijd door de herinnering aan
andere dingen, welke het bestaan der begeerde zaak uitsluiten,
wordt belemmerd.
_Toelichting:_ Wanneer wij ons een zeker iets herinneren,
zijn wij, gelijk wij reeds herhaaldelijk opmerkten, door
dit feit zelf genoopt om die zaak met dezelfde aandoening
te beschouwen alsof zij werkelijk aanwezig ware. Deze
geneigdheid of dit streven echter wordt, als wij in
wakenden toestand verkeeren, meestal belemmerd door
voorstellingen van dingen, welke het bestaan van datgene
wat wij ons herinneren uitsluiten. Wanneer wij ons dus
iets herinneren, dat een of andere soort van Blijheid in
ons opwekte, zullen wij vanzelf er naar streven om deze
zaak met dezelfde aandoening van Blijheid, als aanwezig
te beschouwen; welk streven dan weer onmiddellijk
belemmerd wordt door de herinnering aan dingen, welke
haar bestaan uitsluiten. Vandaar dat Verlangen inderdaad
Droefheid is, tegenovergesteld aan die Blijheid welke het
gevolg is van de afwezigheid van iets dat wij haten. Men
zie hierover de Opmerking bij Stelling XLVII van dit
Deel. Omdat evenwel het woord Verlangen in betrekking
schijnt te staan met Begeerte, reken ik deze aandoening
tot de aandoeningen van Begeerte.
XXXIII. _Wedijver_ is een Begeerte tot iets, welke in ons
ontstaat doordat wij ons voorstellen dat anderen dezelfde
Begeerte hebben.
_Toelichting:_ Van iemand die vlucht omdat hij anderen
ziet vluchten, of die vreest omdat hij anderen ziet
vreezen; ja, ook van iemand die, omdat hij ziet dat een
ander zijn hand brandde, zijn eigen hand terugtrekt, en
een gebaar maakt alsof hijzelf zich gebrand had, zeggen
wij dat hij eens anders aandoening nabootst, doch niet
dat hij met dien ander wedijvert. Niet wijl wij voor
wedijver en nabootsing verschillende oorzaken zouden
weten aan te geven, maar wijl het nu eenmaal gebruik
geworden is, dat wij slechts van wedijver spreken bij hem
die iets nabootst wat wij eervol, nuttig of aangenaam
achten. Zie overigens over den oorsprong van den wedijver
Stelling XXVII van dit Deel met de Opmerking daarbij.
Omtrent de reden waarom deze aandoening meestal verbonden
is met afgunst, zie Stelling XXXII van dit Deel en de
Opmerking daarbij.
XXXIV. _Dank_ of _Dankbaarheid_ is Begeerte, of een streven der
Liefde om wèl te doen wie ons uit gelijke Liefde een weldaad
heeft bewezen. (_Zie St. XXXIX en Opmerking St. XLI v.d. D._)
XXXV. _Welwillendheid_ is Begeerte om iemand met wien wij
medelijden hebben wèl te doen (_zie Opmerking St. XXVII v.d. D._)
XXXVI. _Toorn_ is Begeerte, waardoor wij uit Haat er toe worden
gedreven hem, dien wij haten, kwaad te berokkenen (_zie St. XXXIX
v.d. D._)
XXXVII. _Wraakzucht_ is Begeerte, waardoor wij uit wederkeerigen
Haat ertoe worden gedreven, hem, die ons op grond van dezelfde
aandoening benadeelde, kwaad te doen. (_Zie Gevolg II St. XL v.d.
D. en Opmerking_).
XXXVIII. _Wreedheid_ of _Gruwzaamheid_ is Begeerte, waardoor wij
worden gedreven iemand, dien wij liefhebben of met wien wij
medelijden gevoelen kwaad te doen.
_Toelichting:_ Tegenover Wreedheid staat
_Zachtmoedigheid_ [Goedertierenheid], welke geen lijding
is, maar de zielskracht door welke de mensch toorn en
wraakzucht tempert.
XXXIX. _Angst_ is de Begeerte om een grooter kwaad dat wij
vreezen, door een kleiner kwaad te vermijden. (_Zie Opmerking St.
XXXIX v.d. D._)
XL. _Vermetelheid_ is de Begeerte, waardoor iemand wordt gedreven
iets te doen met een gevaar voor zichzelf, dat zijns gelijken te
loopen vreezen.
XLI. _Lafhartigheid_ wordt toegeschreven aan hem, wiens Begeerte
wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns
gelijken aandurven.
_Toelichting:_ Lafhartigheid is dus niets anders dan
vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen
te vreezen, zoodat ik haar niet tot de Begeerten reken.
Toch heb ik haar hier moeten toelichten, wijl zij,
voorzoover de Begeerte betreft, inderdaad tegenover de
aandoening der Vermetelheid geplaatst wordt.
XLII. _Verbijstering_ wordt toegeschreven aan hem, wiens begeerte
om een kwaad te ontwijken, belemmerd wordt door Verbazing over
het kwaad dat hij vreest.
_Toelichting:_ Verbijstering is dus een soort van
lafhartigheid. Wijl echter verbijstering uit een dubbele
vrees ontspringt, kan zij gemakkelijker worden
gedefinieerd als zijnde die vrees, welke den mensch zóó
verstomd doet staan of in weifeling houdt, dat hij een of
ander kwaad niet kan afwenden. Ik zeg "verstomd doet
staan", voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het
kwaad af te wenden, wordt belemmerd door verbazing. Maar
"in weifeling houdt" zeg ik voorzoover wij aannemen dat
de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander
kwaad, dat hem evenzeer kwelt, zoodat hij niet weet welk
van de twee hij zal afwenden. (_Zie hierover Opmerking
St. XXXIX en Opmerking St. LII v.d. D. en overigens over
Lafhartigheid en Vermetelheid Opmerking St. LI v.d. D._)
XLIII. _Menschenmin_ [Vriendelijkheid] of _Gematigdheid_
[Minzaamheid][A62] is de Begeerte om te doen wat den menschen
behaagt en te laten wat hen mishaagt.