DEFINITIES DER AANDOENINGEN

I. _Begeerte_ is 's menschen wezen zelf, opgevat als krachtens

een of andere zijner aandoeningen genoopt om iets te doen.

_Toelichting:_ Wij hebben hierboven, in de Opmerking bij

Stelling IX van dit Deel, gezegd dat Begeerte "Drang" is,

gepaard met het bewustzijn daarvan, dat evenwel die Drang

's menschen wezen zelf is, voorzoover hij daardoor wordt

gedreven om datgene te doen, wat tot zijn eigen behoud

strekt. Doch in diezelfde Opmerking heb ik tevens er op

gewezen dat ik tusschen dien menschelijken Drang en de

Begeerte eigenlijk geen onderscheid erken. Immers of de

mensch zich van zijn Drang bewust is of niet, de Drang

blijft nochtans dezelfde en ik heb daarom, om mij niet

schijnbaar aan tautologie schuldig te maken, de Begeerte

liever niet uit den Drang willen afleiden, maar veeleer

mijn best gedaan haar aldus te omschrijven dat al die

strevingen van den menschelijken aard, welke wij met de

woorden drang, wil, begeerte of aandrift[A59] aanduiden,

er onder begrepen zijn. Ik had dus ook kunnen zeggen:

Begeerte is 's menschen wezen zelf, opgevat als genoopt

om iets te doen; doch uit deze definitie zou (_vlg. St.

XXIII D. II_) niet volgen dat de Geest zich van zijn

Begeerte of Drang bewust kan zijn. Om dus ook een oorzaak

voor deze bewustwording in te sluiten, was het (_vlg.

dezelfde St._) noodig er aan toe te voegen: "opgevat als

krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt" enz.

Want onder een aandoening van 's menschen wezen verstaan

wij iedere gesteldheid van dit wezen, welke ook, hetzij

zij aangeboren is [dan wel verworven][A60], en hetzij men

haar beschouwe als openbaring van alleen het Denken, dan

wel van alleen de Uitgebreidheid, of wel eindelijk van

beide tegelijk. Ik versta hier dus onder het woord

Begeerte elk streven, elke aandrift, elken drang en elke

willing van den mensch, welke naar gelang van 's menschen

eigen wisselende gesteldheid, telkens verschillen en niet

zelden zoozeer met elkaar in strijd zijn, dat de mensch

op alle manieren her en derwaarts wordt geslingerd en

niet weet waarheen hij zich zal wenden.

II. Blijheid is 's menschen overgang van geringer tot grooter

volmaaktheid.

III. Droefheid is 's menschen overgang van grooter tot geringer

volmaaktheid.

_Toelichting:_ Ik zeg "overgang". Want Blijheid is niet

volmaaktheid zelf. Immers indien de mensch met die

volmaaktheid, waartoe hij kan overgaan, geboren werd, zou

hij haar bezitten zonder eenige aandoening van Blijheid,

hetgeen nog duidelijker blijkt bij de Droefheid, welke

het tegenovergestelde van deze aandoening is. Want dat

Droefheid bestaat in overgang tot geringer volmaaktheid,

doch niet in die geringe volmaaktheid zelf, kan niemand

ontkennen, aangezien geen mensch zich bedroeven kan,

voorzoover hij ook maar eenige volmaaktheid deelachtig

is. Evenmin kunnen wij zeggen dat Droefheid bestaat in

gemis van grooter volmaaktheid; want een gemis is niets,

terwijl een aandoening van Droefheid een zielsproces is

en dus niets anders zijn kan dan het proces van overgang

tot geringer volmaaktheid, d.w.z. (_zie Opmerking St. XI

v.d. D._) een proces waardoor 's menschen vermogen tot

handelen wordt verminderd of belemmerd. Voor het overige

laat ik de definities van Opgewektheid, Prikkeling,

Gedruktheid en Pijn hier weg, wijl zij voornamelijk

betrekking hebben op het Lichaam en niets anders zijn dan

schakeeringen van Blijheid of Droefheid.

IV. Verbazing is een zoodanig zich voorstellen eener zaak, dat de

Geest er door geboeid blijft, wijl deze bijzondere voorstelling

geen verband houdt met andere [gelijktijdige] voorstellingen.

(_Zie St. LII en Opmerking v.d. D._)

_Toelichting:_ In de Opmerking bij Stelling XVIII Deel II

hebben wij aangetoond welke de oorzaak ervan is, dat de

Geest van de beschouwing van het eene ding dadelijk op de

gedachte aan een ander komt; te weten wijl de beelden

dier dingen aaneengeschakeld en aldus gerangschikt zijn,

dat zij op elkaar volgen. Wat ondenkbaar is, wanneer de

voorstelling eener zaak geheel nieuw is en de Geest dus

bij de beschouwing ervan wordt vastgehouden, totdat hij

door andere oorzaken wordt gedwongen aan iets anders te

denken. Op zichzelf beschouwd is dus de voorstelling van

een nieuw ding van denzelfden aard als andere en om deze

reden reken ik dan ook de Verbazing niet tot de

oorspronkelijke aandoeningen en zie ik ook geen reden

waarom ik dit doen zou, aangezien deze in beslagneming

van den Geest uit geen enkele positieve oorzaak, welke

den Geest van andere dingen zou aftrekken, voortspruit,

doch alleen uit het feit dat een oorzaak, waardoor de

Geest van de beschouwing van het eene ding tot het denken

aan iets anders gedwongen kon worden, ontbreekt. Ik erken

dus slechts (_gelijk in Opmerking St. XI v.d. D. reeds

werd gezegd_) drie oorspronkelijke of primaire

aandoeningen, namelijk Blijheid, Droefheid en Begeerte en

ik heb ook om geen andere reden over de Verbazing

gesproken, dan wijl het gewoonte is geworden sommige

aandoeningen, welke uit die drie oorspronkelijke zijn

afgeleid, met een anderen naam aan te duiden wanneer zij

betrekking hebben op voorwerpen waarover wij ons

verbazen. Welke reden mij uit dezelfde overweging er toe

leidt hier ook nog de definitie van Verachting aan toe te

voegen.

V. _Verachting_ is de voorstelling eener zaak, welke den Geest

zoo weinig raakt, dat de Geest door haar aanwezigheid er méér toe

gedreven wordt zich voor te stellen wat die zaak nìet, dan wat

zij wèl bezit. (_Zie Opmerking St. LII v.d. D._)

De definities van Vereering en Ergernis laat ik hier achterwege,

wijl, voorzoover ik weet, geen andere aandoeningen aan hen hun

naam ontleenen.

VI. _Liefde_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener

uitwendige oorzaak.

_Toelichting:_ Deze definitie drukt met voldoende

duidelijkheid het wezen der Liefde uit. Die van andere

schrijvers daarentegen, die zeggen dat _Liefde_ is: _de

wil van dengene die liefheeft om zich met het geliefde

wezen te vereenigen_, drukt niet het wezen, maar een

eigenschap der Liefde uit. Wijl nu het wezen der Liefde

door deze schrijvers niet voldoende werd doorzien, konden

zij ook van die eigenschap geen helder begrip hebben en

vandaar dat dan ook ieder hun definitie uiterst duister

vindt. Men moet nu wèl in het oog houden, dat wanneer ik

zeg dat het een eigenschap is van dengene die liefheeft,

dat hij den wil heeft om zich met het geliefde wezen te

vereenigen, ik hier onder "wil" niet versta toestemming

of overweging of vrij besluit (want in St. XLVIII D. II

hebben wij aangetoond dat deze zaken slechts inbeeldingen

zijn) en evenmin de begeerte om zich met het geliefde

wezen te vereenigen, wanneer dit niet aanwezig is, of om

in zijn tegenwoordigheid te kunnen blijven wanneer het

wel aanwezig is. Liefde toch is ook zonder een dezer

begeerten denkbaar. Maar onder dien wil versta ik de

Bevrediging [Rust] die dengene, die liefheeft, vervult

tengevolge van de aanwezigheid van het geliefde wezen,

waardoor de Blijheid van den eerste wordt versterkt of

althans aangewakkerd.

VII. Haat is Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener

uitwendige oorzaak.

_Toelichting:_ Wat hierover zou zijn op te merken is

gemakkelijk af te leiden uit hetgeen in de Toelichting

der voorgaande Definitie is gezegd. (_Zie bovendien

Opmerking St. XIII v.d. D._)

VIII. _Neiging_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van

iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Blijheid is.

IX. _Afkeer_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van

iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Droefheid is.

(_Zie hierover Opmerking St. XV v.d. D._)

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 41 / 59 题