DEFINITIES

I. Onder _lichaam_ [voorwerp][A29] versta ik een bestaanswijze,

welke Gods wezen, voor zoover hij als Uitgebreidheid beschouwd

wordt, op zekere bepaalde wijze uitdrukt, (_zie Gevolg St. XXV

Deel I_).

II. Tot het _wezen_ van een of andere zaak behoort datgene,

waarmede deze zaak staat of valt; ofwel datgene, zonder hetwelk

die zaak, en omgekeerd, wat zonder die zaak, noch bestaanbaar

noch denkbaar is.

III. Onder _voorstelling_ versta ik een waarneming [conceptie]

van den Geest, welke de Geest vormt doordat hij een denkend iets

is.

_Toelichting:_ Ik zeg liever _waarneming_ [conceptie] dan

_gewaarwording_ [perceptie][A30], omdat het woord

"gewaarwording" schijnt aan te duiden dat de Geest iets

door een voorwerp ondergaat, terwijl het woord

"waarneming" een eigen handeling van den Geest schijnt

uit te drukken.

IV. Onder _adaequate[A31] voorstelling_ versta ik een

voorstelling, welke, voorzoover zij op zichzelf, zonder

betrekking tot haar voorwerp beschouwd wordt, alle eigenschappen

of innerlijke kenmerken eener ware voorstelling heeft.

_Toelichting:_ Ik zeg "innerlijke" om datgene uit te

sluiten dat uiterlijk is, namelijk de overeenstemming der

voorstelling met het door haar voorgestelde.

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 32 / 59 题