Vroeger, moest het een schoon beeld geweest zijn. "Ecce Homo!..."

Maar de luie dagen die er met hun licht en donker waren

overheengekropen, hadden een bijterige stof op die kleuren laten

lekken en 't zag nu, van danigen ouderdom, grauw en grijs...

Zijn diepe oogen, alhoewel hun blauwe kleur verwaterd was, keken

nog even droevig en schenen, in de schemerende klaarte der kerk,

bij poozen open en toe te gaan.

En als Cicielken daar geknield zat, het hoofd gezonken op de magere,

holle borst en de handen saamgevingerd, scheen heur zielken op

te leven, ver boven de weeën der aarde. Het ging hoog op, in een

ouden, blauw en gouden hemel, bij een ouden God en bij Engelen,

die tokkelden op wit-ivoren harpen en wondere kantieken kweelden met

fijne stemmen. Ze voelde de harde plaveien niet onder heur knieën en

ze bad innig en kinderlijk, tot de zonbol, als een bloedend hart,

op den horizon woog en roodig den gemartelden Jezus omlijnde. Dan

was heur vroom bidden en het diepe mediteeren 't ende en ze richtte

heur oogen naar de oogen van het beeld, om te zien of ze niet open en

toe zouden gaan. Daarna keerde ze blijzaam naar heur wit huizeken,

diepte heur gedachten in gulden legenden en sloot vast in heur hert

die voorbeeldige daden van standheid in 't geloof.

De dag vervloot zoo ademloos in den donkeren en de heilige nacht drukte

over de lage huizen en noodigde het simpele volk uit hun sante doening,

op hun zachtmild bed.

Nadat de vuurblakende zon, met gulzige, verzengende vlammentongen,

het zomersap uit de blaren en de kruiden had gezogen, en al wat leefde

in heur daverende hitte had doen krimpen, was ze verkoperend dieper

den blauwen hemel ingetrokken en ze hong nu, met verbleekten lach,

uitgeput van haar al te hevig werk.

Dan kwam de losse wind, met zijn ongebreidelde peerden in de boomen

stormen, en in 't voorbijgaan scheurde hij de bladeren van de

schuddende takken, dat ze door de lucht opwervelden en op de kale

velden dood liggen bleven.

De regen kwam, lijk speldekoppen, uit den grijzen, gesloten hemel

zeeveren en vulde de puttekens en de karsporen die op de velden en

de wegen gediept waren.

Het was herfst. De fluitende vogels waren naar overzee en de bloemen

en de schoone kruiden lagen te rotten in de natte aarde.

't Begijnhof lag triestig en huiverig en de daken glommen van de

nattigheid. De begijntjes zaten achter de bedoomde ruiten, met een

lollepot onder de voeten tegen elkander te brommen over het slechte

weer en over de rumatiek in hun ontsmeerde gewrichten.

't Was avend.

Cicielken zat in heur warm keukensken, bij een tweecenten-vetkeersken

in hoogen, koperen kandelaar, en ze las de: "Bekoring van

Sint-Antonius".

Buiten joelde de zotte wind en hij raasde in de schouwpijp, dreunde

tegen de ruitjes en viel bij poozen met zulk geweld tegen de deur aan,

dat ze rammelde en krijschte in haar hengsels.

Cicielken heur voeten zaten boven 't gat van den vunzenden lollepot en

ze voelde een deugdelike hitte aan heur beenen. Lip-roerend, smakkend

aan ieder woordeken, doorspelde ze de vettige, krakende bladen. Het

rosse keersvlammeken wiegelwaggelde om het gloeiende wieksken. Plots

viel het stil en kromp tot een klein ovaal lichtje, om daarna weer

bibberend op te spiralen, lang en puntig, met een pluimpken zwarten

rook bovenaan. Dan kwam het weer naar omlaag en dreef op het gloeiend

vet, als een bootje op een meer.

Cicielken liet heur lippen hangen, loerde over heur bril-glazen naar

het vlammeken, blikte rond en luisterde met bange ooren naar den

eendigen waai...

Het licht geleek een zielken van 't vagevier, dat bij 't devotielijke

begijntje eenige weesgegroetjes en vaderonzen om lafenis voor zijn

pijnlijk branden vragen kwam.

Er dreven stomme schaduwen op de witte wanden en bij elk tochtje

dansten ze heenentweer. Cicielken had al lang in heur bed moeten

liggen, want de kleine wijzer der droog-tikkende horlogie, was met

zijn donkere schaduw, achter de Andries-kruisige tien gekropen. Ze

hoefde niet bang te zijn nochtans, de poorten waren gegrendeld en

gesleuteld van vóór negen.

Maar ach!... ze zat zóó moedermensch alleen en er kwam iets aan

heur hert, iets nijpends, zoodat het plots aan 't jagen ging... Er

rolden al met eens, zoo'n akelige dingen onder heur kappeken, zoo'n

schrikkelijke beelden, dat ze erbij vergriezelde... Ze loerde naar het

zwarte venster en pierde in de duisternis, en daar zag ze een tweede

keerse-vlammetje vóór een ander begijntje dat naar heur keek. En

dan boog ze dieper het hoofd over heur sante legenden, neep de oogen

toe, peinsde aan Sint-Antonius en aan alle heiligen, maar heur hert

joeg feller en feller onder de banden van schrik die immer dichter

toe getrokken werden. Ze keek voorzichtig rond, naar de dansende,

wegzwartende plekken die over de wanden grilden, naar het groote,

muilige trapgat, naar heur eigen flikkerende schaduw.

Maar ei! ineens kreeg ze een stoot door het lijf. Heur bloed verijsde

in de aders en stil stond heur hert...

De duivelzwarte, verwrongen letters van heur boek wipten als

sprinkhanen door mekaar, groeiden, namen wonderlijke vormen aan,

sprongen uit het boek met lange spillebeenen, buitelden door de keuken,

groeiden nog, menschengroot, en verwerkelijkten de wondere verhalen,

die op de perkamenten bladeren vermeld stonden.

Zonderlinge wezens, mannen met horens en bokspooten, vrouwen te

peerd op bezemstelen, vierden te gare een zotten dans terwijl witte

geraamten op dikbuikige cornemuzen pijpten... Achter die wemeling

van helsche furiën kwam de Vrouw, de geile Vrouw, zekerlijk om heur,

Cicielken, de bruid Christi, ook te bekoren! en ze zag heur malsche,

poezele naaktheid en de dikke boezems, en den ronden buik. Ze voelde

heur gloeienden asem over heur gezicht vegen. God! God!!... God!... en

er kwamen vele dikke, waggelende deernen en kwabbige jongelingen die

blonken van 't vet en hoog de beenen sloegen bij den dans, dien ze

met de geraamten om en om het arme portieresken uitvoerden.

"Bonk! bonk!! bonk!!!"

Drie slagen donderden buiten op de poort.

Al de furiën en naakte deernen krompen ineen tot zwarte vormkens

en zaten bliksemsnel op 't gele boek, lijk te voren, in oude, vette

gothische letters.

Cicielken, verlost van dat helsche gespuis, ademde weer gelukkig! Maar

op den zelfden stond, dacht ze aan de drie slagen, buiten, op de

poort!! De schrik schroefde zich vast in heur boezem en ze rilde.

"Heere-Jezus-Christus!" ging heur tong, "wat zou dat zijn!... wat

moet ik doen... Heer Jezus... Christus!..." en ze sloeg drie kruisen.

Ze sukkelde recht, bibberend lijk een riethalm in den herfstwind. De

lollepot kantelde onder heur voeten om en brak, zoodat ze midden

in de smeulende houtskool stond. Ze trippelde er uit en de scherven

rinkelden over de kareelen. Het lijvige boek gleed heur uit de handen

en viel met een smak op den grond.

Weerom donderde een machtige bonk op het poortje, dreunde de gang

binnen en galmde door het huis.

Heere God! wat mocht dat allemaal beteekenen!

Ze nam den killen reesel sleutels van de kram, stesselde

voorovergebogen door de gang en draaide de lage huisdeur open.

Roef! de zotte wind woei binnen en blies de keersevlam dood. Nu

stond ze in den donkeren en schoorvoetend trad ze buiten, waar fijne

regendruppels prikkend in heur gezicht gezweept werden. De wind flapte

in heur kleedsel, dat al met eens, fel wapperend, naar achteren waaide

als een vlag. Met de linkerhand scharrelde ze heur rok tusschen de

knieën vast.

Ze hoorde niets achter het zijpoortje, dat ze in den hoek tegen heur

huis wist en dat na den achten geopend werd, als er geen gerij meer

binnenkwam en de groote poort toe moest.

Voorzichtig teende ze vooruit en schoof het judasvensterken open. Ze

blikte door de dichte traliekens de Begijnenstraat in. De rosse

lanteeren vóór de poort wiegde heenentweer in den wind.

Ai mij! 't mensch en liet een kres die tegen de slapende huizen

kapot gilde.

Wat ze nu had gezien! God! Ze kneep er de oogen van dicht en moest

zich vasthouden om niet neer te stuiken!

Veel, heel veel zwarte venten, stonden opeengedrumd, tegen de poort,

en ze hielden groote messen die blonken in de rosse kleerte, boven

hun zwarte koppen.

En die zou ze binnen laten? Om 't heele begijnhof 't onderst boven

te stampen? om alleman kapot te maken? en alles te stelen? 't Was om

er kiksdood bij neer te stuiken!!

"Cicielken! als ge sakkerdomme niet open doet en daar nog blijft

lanterfanten, stampen wij, sakkerdomme, de deur in!..."

Zoo grolde het uit een mond vóór het judasvensterken en meteen

botste een zwaarbenagelde schoen op het poortje dat de planken

kraakten. Cicielken meende te sterven van schrik!...

Ze voelde al wat leefde in heur, uit heur herteken zijpelen en 't

werd heur overal zoo koud! zoo koud!...

Nogmaals was het een grommelen en vloeken daarachter en 't stompen

van ongeduldige voeten.

"Sakkersche heks! ga-de opendoen? Of moeten we het spel toch

instampen? Sakkerdomme! gare dan zulle! dan rijten we uw lijf open

en hangen u, met uw eigen beulingen, aan den eersten den besten

lanteern op!"

En vele stemmen, door mekaar, grolden akelige bedreigingen uit.

Doch boven dat rumoer weerklonk het plots:

"Doe-de sebiet open? Allée dan! we roeren geen haarken van uw

lijf... Nie-waar mannen?"

't Lawijd verpeisde en ze herhaalden al ondereen:

"Neeë, geen haarken, dat zweren wij!"

't Arme menschken roerde haast niet. Heur knieën knikten en schokten

tegen elkaar en heur voeten waren als aan den grond gelijmd. Ze kon

van heure plaats niet weg. Heur lippen waren als bevroren en ze kon

geen enkel schietgebedeken uiten!...

God en Heere! wat zou ze doen? wat zou ze doen?...

Openen? en dat moorders-gepeupel binnenlaten? Zoo maar gemakkelijk en

van de hand, het godsvredige begijnhof laten uitplunderen en alleman

laten vermoorden?

Neen! van heur leven niet! heur zusters en de goede kwezelkens laten

doodsteken door heur eigen fout! Nooit! nooit!

Ze kreeg stilaan vaste gedachten.

't Lawijd buiten groeide en steeg. 't Was er een gevloek en getier

van alle duivels. Men hoorde ijzer rammelen en 't geklop van zware

smidshamers tegen den muur. Er werden steenklompen uit den muur

gekapt...

Cicielken hoorde dat en ze schrok! Wat ging er nu gebeuren?

Ze hadden het gezworen;! ai mij! ze zouden toch binnenkomen en heur oud

lijf mishandelen en besmeuren met hun smerige moordenaarspooten! Heur

wit, wit zieleken zou besmet worden! heur zieleken dat nooit zonde

kende, zuiver om de liefde van Jezus!

Radeloos stond ze daar nu. Ze wilde aan 't bidden gaan om een

resolutie. Maar lijk de krakende donder botsten de staalbenagelde

schoenen op het poortje dat het kreunde en piepte in zijn armdikke

hengsels.

Dat ze maar open dee!

Onze-Lieve-Heer zou het heur wel vergeven!

Ze was zóó oud en sukkelend!

En dan gebeurde het.

Ze wroetelde den grootsten sleutel in het slotgat. De andere sleutels

rezen den ring af en kletterden te zaam.

Ze draaide met beide handen uit al heur macht ... God! de veer kreste.

De mannen buiten, die bezig waren met hunne breekijzers in de steenen

te drijven om de hengsels los te peuteren, hoorden dat kressen. Ze

staakten hun arbeid en 't werd één duwen tegen 't poortje. Cicielken

schoof de ronde grendels uit hun oogen, haakte den ketting los en

liet hem op de steenen neerrinkelen. De klink werd omhoog gestooten en

't poortje vloog open.

Lijk een gulp wrongen de zwarte mannen het Begijnhof binnen. Ze

stampten het schrale begijntje in een hoek en klavetterden met wijde

beenen, door de stille straten.

Het kromme mes tusschen de tanden, klauterden ze als katten over

de hofmuren, de druivelaars op, tot bij de vensters. Ze sloegen hun

vuisten door de ruiten en kropen de kamers binnen om er het bloed te

vergieten der rustig-slapende kwezelkens, begijntjes en oude pekens.

En ze zouden opgraven van onder de blauwe steenen in de kelders,

groote steinen potten, met Carolussen gevuld; ze zouden die gouden

weelde meesleuren buiten het Begijnhof om het alles op te zuipen en

op te brassen met het slechte vrouwvolk van de stad!

Daaraan had het devote Cicielken geholpen. 't Menschken lag daar op

de natte straat, roerloos, met de armen wijdopen als een gekruiste

Lieven-Heer.

Zoo lag ze een poos.

Maar op het einde gingen heur oogen open en ze werd het gebeurde

bewust.

Ze sukkelde op heur beenen, zocht met tastende handen heur sleutels

te gaar en liep zoo goed als 't ging, langs 't Marollenklooster,

over het eenzame kerkhof, naar het sakristijpoortje van de kerk om de

hosties en de gewijde vaten te verbergen. Ze hoorde het vloeken der

venten en hun grijnzen, boven het kreunen en klagen der doorstoken

zusters. O! dat geschrei en geroep, dat was heur werk!...

Ze draaide de sakristij-deur open, ging binnen en liet het met een

daverenden bons weer in zijn klinken vallen.

De kerkstilte woei heur tegen. Het was er zeer donker. Ze stond

gansch bepakt en moederziel alleen in de sakristij, zuchtend als een

blaasbalg. En heur herte klopte, klopte alsof het niet in heur borst

wou blijven.

Hier kon ze rustig heur onwederroepelijke daad bepeinzen! Ze

werd heure grove, groote fout bewust! zij! zij! had het poortje

geopend! ze zou gevloekt zijn! gevloekt voor eeuwig!!! O! was het t'

herbeginnen! was het t' herbeginnen! Ze zou zich eerder laten doodslaan

en vermorzelen! Ze zou niet opendoen!

Het was te laat nu en het kwaad bedreven! en ze ging aan het schreien,

de tranen leekten uit heur brandende oogen, en ze snikte dat heur

lijf er van schokte... Ze schudde het hoofd, balde de vuisten tegen

de slapen en weende door, weende snottebellen!

Met eens schoot er een reddende gedachte door heur hoofd: de klokken

luiden en laten weten aan de stad dat er onheil was!

Met een wip was ze in de nacht-donkere kerk. De stilte woog er. Vóór

het altaar brandde het lichtje in roodglazen potteken.

Cicielken voelde dat het Godslichtje heur bezag en ze bleef staan,

roerloos als een heiligenbeeld. Zij liep verder naar het portaal waar

ze het klokzeel te hangen wist.

Zij was het, die voor jaren, toen ze nog vlug te been was, de klokken

luidde voor mis en vespers en de gewoonte zat heur nog zóó in de

armen dat ze het zeel zonder tasten of scharrelen vond. Ze greep er

naar met beide handen, draaide het om heur polsen en ze snokte aan

het zeel, feller en feller. Allengskens begon er in het torenken wat

te hommelen. 't Wierd duidelijker en ging over in een zware gelui

dat het wel tot aan 't Hofken van Ringen klinken moest. De kerk was

gevuld met een vreemd gezoem dat de ruiten ervan singelden.

Cicielken trok maar, kromp ineen en rechtte zich, dan op de teenen,

met langgerokken armen boven het hoofd, trok weer omlaag en zoo voorts,

alsof er geen einde aan komen mocht.

Stilaan begon heur rug zeer te doen en het zeel neep dieper en

dieper in heur vleesch. Ze wilde loslaten, maar heur handen zaten

gestropt. Met een snok werd ze naar omhoog getrokken en ze hing een

poosje boven de eerde te draaien om daarna tusschen de opeengestapelde

stoelen neergesmakt te worden, dat heur beenderen er van kraakten. En

eer ze een gil kon uitstooten ging ze weer omhoog en zwierde door de

ruimte. Ze werd rondgedraaid, neergesmeten, omhooggetrokken, gedaverd

en geschud dat ze er van haar zelve bij viel. En de klok klepte maar

voort in den zwarten nacht.

Ineens gleden heur polsen uit den zeelstrop en ze rolde tusschen de

stoelen. De klokkeklank stierf uit en weer vleugelde de geheimzinnige

stilte om de lijnige pileeren.

Lang, heel lang duurde het, eer Cicielken's bloed weer in de aderen

begon te borrelen en te leven. Ze opende de oogen en voelde overal

een felle pijn. Ze keek rond en ze zag het roode vlammeken vóór 't

altaar als een bloedend oog, dat heur verwijtend aankeek. Ze wendde

het hoofd van het lichtje en zocht door de dikke donkerte van de kerk,

naar de plek waar de steenen Jezus, lijdzaam gebonden zat sedert vele

eeuwen en hare zonden uitboette!

"Ecce Homo!"

En zie, dáár, begon het op te klaren en de duisternis smolt er:

eerst een grijze nevel, maar stilaan een cirkel van zilveren licht

om het heilige beeld zoodat de doornenkroon en de rietstaf te bloeien

schenen als van levend goud.

Buiten op de poort krabden zwakke handen en heesche stemmen steunden

luid: "Jezus, ontferm u onzer! Jezus! een droppelken drinken als

't u blieft!"

Cicielken wist dat het heur zusters waren. Ze richtte zich op, om de

poort te ontsluiten.

Maar de moorders? met hun messen! die alles zouden onteeren!

Ze wist niet wat te doen en kroop, op handen en voeten naar den

schoonen Jezus, die blonk als de jonge zon. Ze wierp zich plat

ter aarde en bad om vergiffenis voor heur grove fout. Ze had zoo'n

spijt! zoo'n groot spijt! Ze vroeg een zware straf om heur boosheid,

ze zou alles doen, alles verdragen! als hij haar maar 'n klein beetje

troost kon geven, vergiffenis, vergiffenis!!

Ze snikte het uit, om hare leelijke zonde, en ze hoorde de

menschen niet, die voor de poort om hulp schreeuwden, en hun leven

uit-rochelden.

En ze dierf het, het hoofd op te heffen, en Hem aan te zien, naar

zijn oogen te kijken, die nu blauw waren als de lente-hemel en blonken.

En "Ecce Homo" kreeg leven in de hoekige vormen, en zijn lichaam

werd rozerood en lelieblank. Hij rechtte het gelaat ten hemel en

glimlachte medelijdend. De bijeengebonden handen ontdeden zich van de

hennepen koord en de rietstaf viel op de steenen. Hij stond recht van

zijn arduinen banksken en lei met zijn subtiele handen de plooikens

van zijn purperen mantel fijn. Hij raapte den staf op en tikte er

driemaal mede op den kop van het begijntje en hij zei dan met een

stem die zoo zoet was als nachtegaal-gegorgel bij zomeravond:

"Wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"

Cicielken kroop aarzelend recht en vette zweetdruppels leekten over

heur vertrokken aangezicht. Ze snakte naar asem van schrik en wou zich

weer laten vallen. Maar de oogen van Jezus waren in de heure gericht en

ze blonken zóó zacht en medelijdend dat het menschken weer moed vatte.

En hij hernam:

"Cicielken, wat moet dat bedieden. Ze roepen daarbuiten om mij".

Nu moest ze 't gaan zeggen, heur grove fout belijden! en God zou heur

zekerlijk doodslaan met zijn staf van vuur, het kon niet anders.

En ze begon te snikken en ze stamelde het uit:

"Niets, Mijnheerken lief! niets! ik weet dat niet!"

Jezus deed zijn schoone oogen toe en vroeg ten derdemaal:

"Cicielken! wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"

En zij dan:

"O! niets, Mijnheerken-lief! 't was mijne schuld niet! 't Waren

zoovele zwarte venten! met messen! met messen!"

De woorden versmoorden in 't felle gesnik.

In de verte kraaide een haan en Jezus hief de rechterhand omhoog

en berispte:

"Dat deed Petrus ook!"...

En hij nam heur bij de hand, en hij leidde haar naar de poort, door

't portaaltje, alwaar de stoelen holderdebolder gesmeten lagen. Vanzelf

ging de groote poort open.

In den nacht huilde en tierde de herfstwind.

Stilaan werden de dingen en de huizen opgelicht door de klaarte die

straalde uit Jezus' lichaam.

En Cicielken zag op de kerktrappen de doorstoken lichamen heurer

zusters in nachtgewaad en ze hoorde het laatste reutelen van hun

adem in de bebloede kelen. Ze lagen er al overhoop en door malkaar

gewrongen dat het ijselijk was om te zien.

Dat waren de slachtoffers der woeste venten met hun witte, groote

messen, en zij, Cicielken, 't portieresken, die de poorten bewaken

moest, had dat volk binnengelaten!

De menschen waren hun huizen ontloopen, zoo goed als het ging, de

wonden toenijpend met hun stramme vingeren, om ten minste tot aan de

kerk te geraken en er te sterven, dicht bij hun heerken Jezus. Maar

de armen! ze en konden niet binnen, de poorten waren toe. De sterksten

waren de trappen op gekropen, hadden rusteloos op de poort geklopt.

De moorders hadden gemakkelijk werk gehad met de verschrompelde

menschkens van 't Begijnhof. Ze hadden de zakken zwaar gevuld met

gouden keldergeld. Toen er niets meer te vinden was beproefden ze wel

de kerk in te geraken, maar het plotse luiden der klok in den nacht

had hen met schrik geslagen zoodat ze 't allen op een loopen gezet

hadden, alsof de duivel op hun hielen zat.

De arme vrouwkens op de trappen jammerden en kloegen en vroegen

vergiffenis van hunne zonden aan God den Vader en God den Zoon en

God den H. Geest goedertieren, om toch maar niet in het vagevuur

te moeten!...

En toen was Hij buiten gekomen... "Ecce Homo!"...

Dat verheugde de stervende lieden danig, en ze lieten hun wonden

weer openbloeden, om zoetekensaan te sterven in den glans die Hem

omstraalde. Ze zouden niet in het vagevuur gaan, want ze hadden

Hem gezien en dat was een zoete spijs geweest, en een schoone

vergiffenis! Ze dachten niet langer aan hun gestolen goud, aan hunne

wonden, maar verblijdden zich uitermate in de aanschouwing van Hem,

die het Lam Gods is. Zoo gingen ze een voor een dood en hun zielkens

voeren ten hoogen hemel op.

Toen is Jezus weerom binnen getreden met het angstige begijntje bij

de hand. De poort ging toe en de duisternis dekte alles buiten en de

herfstwind hernam zijn dolle buitelvlucht.

In de kerk echter was het alles licht.

En Jezus zette zich op 't steenen banksken en zijn schoon gelaat boog

voorover en hij keek zeer droef. Hij zei weer met gedempte stemme:

"Cicielken! Wat moet dat bedieden? Daar buiten riep men mij!"

En het hijgende Portieresken drukte heur handen op den boezem als om

den wilden slag van heur hert te bedwingen, ze zonk op heur knieën en

de verzwegen waarheid hokte in verwarde, rauwe kreten over heur dunne,

bloedlooze lippen:

"Ja! ja! 't is mijne schuld! Heer, 't is mijne schuld! Ik heb de

mannen binnengelaten! en ik heb groote straf verdiend! Ik zal het

boeten! ik zal het uit boeten! álles! álles! wil ik doen! maar geef

me toch vergiffenis! geef me toch vergiffenis!! Ik zal naar Jeruzalem

gaan! op mijn bloote knieën zal ik er henen kruipen en putten kussen

in uw heilig graf!..."

De woorden gutsten uit heur mond, ratelden in heur keel en ze snikte

er tusschendoor, zag den schoonen Jezus smeekend aan, om een uitkomst

aan heur bitter leed.

En hij roerde de handen, zegende heur.

"Ga dan, Vrouwken! die zonde is u vergeven!"

Daarop stortte Cicielken neer, plat ter aarde, de armen wijd open en

ze kuste de kille steenen waar hij gestaan had. Ze weende en loech

tegelijk van groote vreugde.

En als ze 't hoofd weer geheven heeft was de kerk in 't duister

verdwenen en 't beeld onzichtbaar in het donkere zij-kapelleken. Vóór

het altaar danste het godslichtje in het roode glas.

Cicielken klom de trappen op, sloeg heur armen om het beeld, streelde

den ruigharigen kop, streelde de doornenkroon en kuste het op de

koude bestofte lippen.

Maar het beeld roerde niet. 't Was steen, beschilderde steen, waar de

moe-luie dagen waren overheen gekropen en het ontverfd hadden. "Ecce

Homo!"

Dan is Cicielken op het Godslampeken afgegaan, dat ze, door de

bibbeling heurer vele tranen, van verre pinken zag. Ze heeft voor

het altaar lang geknield en langs het sakristijpoortje kwam ze buiten.

De morgen hing in de lucht en hier en daar, in de goot, in een deurgat

of dwars over de straat lagen er lijken. De vensters der huizen stonden

haast alle open en de gordijnen flapten als vaantjes in den wind.

En toen viel er een vinnigrood sterreken, uit den hemel tusschen

de grijze wolkenrompen door, en het was percies als het lampeken in

de kerk.

't Bleef al meteens hangen, vlak boven heur hoofd en schoof zoet voort,

met een roode sprankelstreep achter zich, die schoon recht liep,

als de staart eener komeet, trots al de zotte herfstwinden.

Cicielken zag die ster, ze verschoot en ze lachte, want dat was het

teeken, en ze heeft haar gevolgd met heilige vreugde.

Zoo, zoo ging ze naar het Heilig land van Christus... naar Jeruzalem.

Begijnhof-sproken · 第 18 / 23 题