De zomer kwam langzamerhand in het land, en spreidde zijn overvloed
van warmte op de velden en de daken. Het leven stootte zichtbaar
in elk ding omhoog, en het land was als een hart dat zich ophief
van levensgenot.
Maar Godelieve had willen dood zijn. Ze had steeds gewild dat ze in het
water had geloopen, dat ze een geraaktheid had gekregen of op straat
morsdood was gevallen. Haar oogen waren droog van 't weenen. Haar
mond was steeds kleverig van het bidden.
Ze had alles gepoogd om de wassende vrucht te verdrijven. Maar de
Hemel bleef doof. Heete melk met safraan en brandewijn, afkooksel
van rozemarijn met ruut, middelen die ze vond in een oud boek "Den
nieuwen Esculaap", niets werkte. Het groeide in haar als een water
dat niet tegen te houden is.
Beschaamd voor haar eigen, haar zusters en de menschen, verborg ze zich
in het hoogste kamerken van hun huis. Ze zag van uit het zoldervenster
over de daken heen, de kruinen van de geweldige vesteboomen, en de
Nethe als een zilveren lint door het land, en de menschen liepen door
de straten, zwart en klein als vliegen.
Waarom moest dat nu toch gebeuren! Ze had uit het venster willen
springen, ze trok van wanhoop aan haar haren, ze scheurde de kleeren
van het lijf, en sloeg zichzelve, dat het bloed tegen de muren
dreste. Ze bad niet meer, ze las niet meer in heur boeken, of aan haar
paternoster, het baatte toch niets. Als ze maar den moed had gehad
zich te zelfmoorden, ze zou er geen minuut mee gewacht hebben. Maar
de hel, de schrik van de hel alleen, hield er haar van tegen zich te
verdrinken, te vergiftigen of een strop te maken.
Rodegunda en Hildegardis baden des te meer om een uitkomst in dit
droeve geval.
Ze spraken niet, en hunne gezichten droegen geheel de diepe smart,
die hen folterde.
De menschen van het begijnhof wisten niet wat er gaande was. Godelieve
liet zich niet zien, en de twee zusters zwegen als een graf. Eens
nochtans hadden zij erover willen spreken met mijnheer Pastoor,
maar ze schrikten terug voor de gevolgen. Hij zou hun aanzien voor
duivelengebroed, hun de communie weigeren, wegjagen van het Hof en
hen diep in de schande stooten. Daarom zwegen ze liever.
De menschen zagen Godelieve noch in Kerk, noch in Convent en de
langtongen geraakten los.
Allerlei onrustige vragen stelde men zich, en het woordje "tooverij"
bleef niet lang achterwege. Als ze ziek was, waarom werd ze dan niet
bediend? Waarom ritsten de zusters er steeds overheen als men er van
sprak? Waarom werd de Pastoor niet geroepen? Gelukkig dat Cecielken,
het portieresken, Godelieve nog aan 't zoldervensterken had gezien,
anders was men nog gaan denken, dat zij er van onder getrokken was. En
iemand die op zijn kamer wandelt, was ook in staat naar de Mis te
komen. Zij moest betooverd zijn, door de kwade hand aangeraakt, het
kon niet anders. De Pastoor vond het geraadzaam met al die geruchten,
Godelieve eens te gaan bezoeken. De zusters schrikten toen hij
binnenkwam, en terwijl zuster Rodegunda betetterd Mijnheer Pastoor
groette, wipte Hildegardis naar boven om Godelieve te verwittigen
van deze onverwachte komst.
En gauw, gauw, schudde ze hare rokken uit, sprong in het bed diep
onder de lakens, ter zijde gekeerd. Ze wou alles verborgen houden.
De vent kwam in de kamer en hij verschoot toen hij haar wasbleek
gezicht onder het witte nachtkappeken zag. Hij kwam nader tot de
snikkende Godelieve. De andere zusters stonden tegen de deur met
kloppend hart, en als mijnheer Pastoor vroeg wat haar toch scheelde,
beefden zij. Ze stotterden dat ze 't ook niet wisten, dat ze steeds
door schrik bevangen was, leelijke droomen zag van zwarte duivelen
en den Antikrist.
Rodegunda wees met den wijsvinger naar het hoofd, alsof ze den Pastoor
wilde doen verstaan dat Godelieve zot was.
De man verstond er niets van. Hij schudde het hoofd, en kreeg op al
zijn vragen onbeduidende antwoorden. "Ze valt altijd van haar zelve
als ze eventjes rechtstaat, of ze is misschien betooverd, mijnheer
Pastoor?" en dat dacht hij ten slotte ook.
Hij haalde zijn stool uit zijn zak, hing hem om den hals en sprak
met hooge stem:
"In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, helsche
krachten en booze geesten die intrek genomen hebt in het lichaam van
het begijntje Godelieve, bezweer ik u terug te trekken in de krochten
van Satan!"
De tafel kraakte maar Godelieve en roerde niet.
De Pastoor ten einde raad ging heen met een "tot wederziens!" Dat
laatste woord hield haar voor goed in bed want hij zou terug komen. En
hij kwam terug, bleef lang bij haar maar kon er toch geen kop aan
krijgen.
De herfst verslapte den zomer. Zwaarder en zwaarder werd de vrucht
van Godelieve terwijl haar hoofdje van dag tot dag kleiner scheen te
worden en zoo teeder dat men het met een keersken kon doorlichten,
als een gezoden kievitsei.
Rodegunda en Hildegardis dachten aan het einde en ze gingen gebukt
onder den angst van het onvermijdelijke: de geboorte. Ze spraken
weinig. Ze kenden elkaars gepeinzen toch. Soms glinsterden er wondere
vlammekens in hun oogen, alsof ze iets gevonden hadden dat hulpe
bracht. Er groeide een gedacht in hun hoofd, en ze konden elkaar bezien
heel lang, zonder roeren; dan bogen ze tevreden hun hoofd. Ze hadden
in malkaars oogen hetzelfde voornemen gelezen; en ze waren gelukkig,
en ze loechen van genot hun Heer alzoo van den Antikrist te verlossen.
De herfst was geel als een pruim. De winden stormden op de boomen en
scheerde er de bladeren af. De Nethe zwol en stroomde over de beemden,
en de koude blaasde over de velden. De hemel ging toe, en regende alles
plat en rot. Als er dan een bolle wind alles weer droog had gewaaid,
kwam de sneeuw als een goede vrede de wereld onderdekken.
Nu zou het Kerstmis worden en Godelieve's vrucht die rijp woog, zou
vandaag het daglicht zien. Op Kerstnacht, schooner dan de dagen,
zou, volgens den natuurlijken gang der zaken, het duivelskind ter
aarde komen.
Wat een gezonde vrucht zou het worden! Want Godelieve had heel de
dracht geen pijn gevoeld; ze had nooit moeten braken, krijt knauwen,
of andere grillen gehad.
Buiten was alles wit. De zusters baden dagelijks voor haar aanstaande
verlossing en ook voor dat andere, waarvan ze niet spraken, maar
waarvan hun gedachten opgepropt waren. Elken avond brandden ze een
keerse klaar.
En op den nacht, dat het licht der wereld geboren werd, en in de
vrieslucht de Engelen wiekten, vol geur en zoete muziek, ontstaken ze
al de kaarsen, die zij in huis hadden. Het was een struik van licht. De
maan stond als een zilveren schotel op het blauwe hemeltapeet,
als moest daarin het Kerstkindeken gelegd worden, en de sterrekens
leken de roomerkens te zijn, waaruit de Engelen en de Heiligen zouden
drinken op de gezondheid van Jezus.
De drie begijntjes legden dien avond heel hun ziel in hun gebed, opdat
Jezus zou zegepralen op het kind dat in hun huis moest geboren worden.
Terwijl ze baden brandden de kaarsen, en spon de vorst wondere bloemen
op de ruiten.
En in den stillen nacht vol sneeuw, klonk er ineens door het huis een
schreeuw, die galmde van op den zolder tot in den kelder. Rodegunda
en Hildegardis liepen haastig naar hun zuster.
"Wat is er? Wat is er?!" riepen ze.
Godelieve toonde met een glimlach en lichte buiging van haar hoofd,
naar iets dat nevens haar lag.
Rodegunda hief het laken op, en kijk! daar lag een kindeken!...
Ze brachten de keersepan nader, en verschoten door zijn schoonheid. Het
lag daar roos als een bloemeken van den hagedoorn, en een kuifje
van wit haar krulde op zijn koppeken. Het keek lachende rond
en het had reeds al zijn tandjes, wit als schaapkens, die twee
aan twee naar hunnen stal gaan. Het lachte; zijn oogen waren als
vergeet-mij-nietjes. Het lachte en stak zijn armkens naar hun uit. Wat
was het toch een zeer schoon jongeske!
En toen vergaten Rodegunda en Hildegardis, en bijzonder Godelieve,
de wereld en God; de moederlijke liefde welde los; ze zouden het kind
in het geniep opbrengen en er veel vreugde aan hebben.
Maar ze herinnerden zich de woorden: "Hij zal schoon van aangezicht
zijn, en gij zult de slang niet zien, die rond zijn hart gekronkeld
is".
En dan ineens met verachting en boosheid, grepen ze de kleeren van
Godelieve die op een stoel lagen, ploften die op het kindeken, dat
niet schreide, en zij duwden er op met alle kracht, zooveel ze duwen
konden, tot ze dachten dat het genoeg was.
Toen lag het dood met een geel koleurken over zijn lijf; de oogen
waren toe, maar het mondje lachte nog, toonend de zilveren tandjes
als een halve maan.
Haastig haalden de twee zusters een laken uit de kast en wikkelden
het om het doode kindeken. Ze droegen het, geruischloos als spoken,
naar beneden, en opende de deur die op het achterhofken uitgaf.
De nacht was schoon en wit in de maan. Dik lag de sneeuw in het hofken.
Rodegunda nam een schup en Hildegardis een kapmes, en ieverig begonnen
zij te hakken en te graven in den harden grond. Weg moest het kind,
weg vóór het schemerde. Ze werkten zwijgend, zwoegend, en na langen
arbeid hadden ze een kuiltje van een halven meter diep, dat donker
gaapte in de sneeuw. Ze ploften het nietig pakje er in, schopten er
de aarde over, kuischten voorzichtig de sneeuw effen, en dan wierd
alles weer stil.
Alle smart en angst was nu verdwenen. Ze hadden den Antikrist begraven,
en ze loechen alle drie als kinderen, en ze verkneukelden zich aan
het geluk het vredige leven van vroeger te kunnen herbeginnen.
Bij de brandende keersen baden zij lovend den Heer, die door zijn
komste het booze geweld vernietigd had. En als de morgen kwam en de
klokken luidden den grooten feestdag in de lucht, zaten zij daar nog.
Als zij het licht op hun handen zagen, toen gingen Rodegunda en
Hildegardis nogmaals naar het hofken zien.
Ze meenden neer te stuiken van verwondering, en ze moesten mekaar
vasthouden om niet te vallen: waar het kindeken begraven lag, daar
stak een bundel ranke leliën naar omhoog. Seffens liepen ze het naar
Godelieve vertellen, maar een groot gedruisch kwam hun te gemoet op
de trap.--
Wat hebben ze toen gezien en beleefd!
Godelieve lag dood vóór haar bed, en de groote Engel Michaël in gouden
harnas en vlammende vleugels en een kolk van zonnelicht rond zijn
gezicht, kapte met een vlammend zwaard naar den ouden duivel, die kromp
en vloekte onder de slagen. Hij hield in zijn linkerhand het zielken
van Godelieve: een blauw wolksken met een zilveren sterreken daarin.
De duivel greep er naar met zijn vuile klauwen, ondanks het brandend
zwaard, dat hem onbarmhartig op zijn bakkes kletste. Hij raasde en
tierde. Plots schoot hij onder het zwaard naar Michaël, en greep met
vlugge handen naar het beverige zieltje. Maar Michaël, vertoornd over
deze driestheid, plofte zijn gouden puntschoen met zulke kracht in
't achterste van den duivel dat deze openbarstte en verdween in een
wolksken solferstank.
En toen richtte zich de Engel Michaël naar de twee begijntjes en hij
kloeg met zeer droeve stem: "Ach, ach! Waarom hebt gij den profeet
Elias vermoord? Hij was gekomen om den Antikrist te bestrijden,
en gij hebt hem met uw eigen handen versmacht. En geen derde maal
kan hij op aarde nederdalen.--Bidt voor het zieleken van uwe zuster,
en weest sterk in de bekoring".
Toen vloog Michaël door het open venster de lucht in, een reusachtigen
vuurpijl gelijk, dragend het blauwe zieleken van Zuster Godelieve
naar Gods guldene hemeltuinen.
Rodegunda en Hildegardis vielen toen gebroken op het lijk, en snikten
dat er heel hun lijf bij schokte...
Godelieve werd begraven, en nooit heeft iemand de oorzaak van haren
dood gekend, dan wij, die het nu vertellen in hinkende tale tot profijt
ende jolijt van de menschen, die wonen langs de boorden van de Nethe.
"ECCE HOMO" EN HET BANGE PORTIERESKEN
Toen de wondere gebeurtenissen waarvan we in dees boekje verhalen,
voorvielen, was Cicielken portieresken van 't Begijnhof.
't Was een gespraakzaam, oud juffrouwken, zeer zachtzinnig en
hulpveerdig, dat op heur een-en-twintig jaar tot: "Begijntjen van
Ons-Heere-Jesus-Kristus" was begenadigd.
Zij leefde door de dagen heel devotielijk, houdend heur zielken
zeer zuiver van allen mogelijke smet, om bij heur verscheiden van
deze aarde, door Gods schoone engelen recht naar den Hemel te worden
gedragen. Nooit wist iemand wat te stribbelen op heur ambt van poorten
open en toe doen en dat was een zoete voldoening voor 't begijntje:
immer wel heur plicht als portieresse gekweten te hebben. Want ze
woonde reeds veertig jaar op het Hof, steeds in hetzelfde huizeken;
ze sloot reeds veertig jaren, geregeld elken avend, om negen klokslag
de groote poort, evenals de poort aan 't klooster der Marollen en de
deuren van 't waschhuis aan den Grachtkant ook, en deed ze telken
morgen, als de vroege zon achter het stedeken de wereld in piepte,
weder open.
Daarbij, Cicielken had sedert heur veertig jaren woonste ten begijnhof,
geen enkel woord te kibbelen gehad, met de een of andere twistzieke
begijn.. en dat is geen geringe weldaad.
Heur huizeken, blekkend-gewit, met diepe, getraliede vensteren, lag
in de schaduw van de groote poort die uitgaf in de Begijnenstraat en
't zicht opende op de wereld waar de duivel en het vleesch regeerden.
Cicielken leefde in heur huizeken, heel alleen zonder poes of
kanarievogel, op heur eigen zoo, en met heur kinderlijke gedachten. En
heur dagelijksche werk was afgemeten en bepaald al naar gelang de
wijzers van heur horlogie over de koperen wijzerplaat kropen. Alles
had onder het groen-mossig, scherpe dak, zijn vastgesteld uur en
't eene liep nooit voor het andere.
Als de blauwe dag triomfantelijk door de witte gordijnen van heur
kamerken zeefde en heel het sante kamerboeltje in het jonge licht deed
glimlachen, trapte ze met een: "Heer! ontferm u onzer," uit heur witte
beddekoets, zeeg op heur stijve knieën neer vóór het zwarte kruis met
lans en spons dat tusschen de twee vensters vastgenageld was, en ze
las neerstiglijk heur morgengebeden. En eer 't een kwartierken later
was, waren de poorten opengedaan en zat ze in heur keuken, achter de
groene, getraliede ruitjes smakelijk in heur liefste boek: 't Lijden
van O. H. Jesus-Kristus, te lezen; of ze telde, zoetjes weg en met
toeë oogen, de bollekens van heur beenen paternoster af, om alzoo wat
aflaat te verdienen voor de geloovige zielen van het vagevuur. Daarna
eerst profiteerde ze heur kommekens koffie met twee dunne boterhammen.
Na de mis deed ze heur huishoudelijk werk: keerde den tichelvloer
schoon, strooide zand, begoot de bloempotten op de vensterrichels en
neep met heur stijf-voorzichtige vingers de dorrende bladeren van
fuchsia en geranium af. 't Middageten klaarmaken kostte niet veel
moeite want heur schraal lijveken vroeg niet veel voedsel, gewoon als
het was aan lange vasten en vrijwillige ontberingen. Een worteltje
en een aardappel en een vinger vleesch waren heur voldoende.
In den nanoen als het kerkkloksken zijn liedje van drie tonen uit
het spitste torentje over het Begijnhof uit-zong, ging Cicielken
ter vespers. Ze zette zich dan op een der witgeschuurde bidbankskens
van de root, plooide een groot, wit, gesteven doek over heur zwart
kappeken en begon, met geheven armen, den Heer te loven...
Na den dienst, als mijnheer Pastoor in gouden koorkleed gehuld,
den "Grooten Meester" over de gebogen menschkens had doen kruisen
en 't altaar verliet terwijl de bellen rinkelden en de orgel een
feestelijken marsch uitdreunde, als het kristelijk volk nog een
kruisweg of een vaderonsken bidden bleef voor de arme zielkens of
voor hun eigen belang, dan knielde Cicielken op de harde steenen, vóór
Onzen-Lieven-Heer, die op blauwe marmertrappen, in een zijkapelleken,
gedoornekroond zat.
"Ecce Homo!..."
't Was een wonderlijk, diep-treffend beeld, met zijn grauwen, verganen
mantel, vroeger purper, de beenderige, lange vingeren saamgesnoerd met
een ruwe hennepzeel en den ijzeren riet-staf roestig... zijn naakt,
paars dooraderde lijf, met vuil-rosse bloeddruppels bespetterd... zijn
zware kroon, ruw en onhandig dooreengevlochten, met lange, dreigende
doornen, drukkend op de bestofte haren...