AANTEEKENINGEN

[1] Verschenen in de „Wereld-Bibliotheek”.

[2] „Epochs of Chinese and Japanese Art”. London. W. Heinemann.

1912.

[3] „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême-Orient”.

Paris. H. Laurens.

[4] Het Chineesche woord „hoá” evenals ’t Japansche „kaku”

beteekent dan ook zoowel teekenen als schrijven.

[5] Uit Prof. G. von der Gabelentz: „Anfangsgründe der Chinesischen

Grammatik”.

[6] Language and Significs, by Lady Welby.

[7] Zie zijn „Oriental Religions, and their relation to Universal

Religion. China”.

[8] In zijn „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan” Leiden E. J. Brill.

[9] Hans Bethge: „Die Chinesische Flöte”. Leipzig. Insel-Verlag.

[10] Uit te spreken „Tsoeng”.

[11] Zie bladz. 30.

[12] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.

[13] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.

[14] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.

[15] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.

[16] Ta Hioh Inleiding 4.

[17] Ta Hioh Inleiding 5.

[18] Ta Hioh Inleiding 6.

[19] Ta Hioh Inleiding 7.

[20] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.

[21] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.

[22] Ta Hioh Hoofdstuk X 6.

[23] Ta Hioh Hoofdstuk X 7.

[24] Ta Hioh Hoofdstuk X 8.

[25] Dit voorbeeld wordt ook door Dr. Chen Huan Chang aangehaald in

zijn „The Economic Principles of Confucius and his School”.

[26] Th’ien overal in dit werk uit te spreken als: Th’jen.

[27] L. J. Veen, Amsterdam, en als „The New China” bij Fisher

Unwin, London.

[28] De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar

aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius

den echten volksman.

[29] Zie het Hoofdstuk over Confucius.

[30] In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’

„Choeng Yoeng”.

[31] Zie het Hoofdstuk over Confucius.

[32] Ik stel mij voor, later een apart werk over de „Yih King” en

dus de ontwikkeling der „kwa’s” te geven. In één hoofdstuk is

dit onmogelijk.

[33] „Tienduizend” is hier eene uitdrukking voor „alle”.

[34] Uit „S. Wells Williams: A Syllabic Dictionary of the Chinese

Language”.

[35] Okakura in zijn „Geest van Japan” vertaalt het door

„stof-element”, m. i. ten onrechte, en tot verwarring aanleiding

gevend. Eitel, in zijn „Fung Shui” noemt het „the breath of

nature”.

[36] Dit „Li” wordt op dezelfde wijze uitgesproken als het „Li”

dat decorum en ceremonieel beteekent, maar met een ander schriftteeken

geschreven.

[37] Niet alle hoofdstukken zijn hier in hun geheel door mij gegeven

doch fragmenten er uit.

[38] Uit te spreken: Woe.

[39] Dit is zeer belangrijk daar het Tao erkent als over en vóór den

God van dit geopenbaarde Heelal.

[40] Hoe zuiver boeddhistisch deze taoïstische tekst is zal een ieder

opmerken.

[41] R. K. Douglas: Confucianism and Taoism.

[42] Ook op eene verwording der „Yih King”-leer is dit Taoïsme

gebaseerd.

[43] Evenals voor Shang Ti, ’t opperwezen, abstract, later, in meer

concreet begrip, ook door Confucius, Th’ien, de Hemel gebruikt wordt,

gebruikt hier Chuang Tsz’ voor Tao ’t meer concrete begrip

Th’ien, Hemel, hetgeen juist in dezen tekst jammer is.

[44] Wij denken hier aan Herbert Spencer: „De antithese van subject

en object, waar wij nooit boven uit komen zoolang ons bewustzijn duurt,

maakt onmogelijk alle wetenschap van de opperste Realiteit, waarin

subject en object vereend zijn” (Principles of Psychology, p. 272).

[45] Figuren uit de Chineesche Oudheid.

[46] Men merke op dat er alleen staat dat hij „Niets gebruikte”,

maar dat er dit keer niet bij staat „om haar terug te vinden”.

Met de mystieke parel wordt bedoeld Tao.

[47] Doe-Niets Zeg-Niets had gelijk in zóó ver dat hij het niet wist;

Dolleman-Stotteraar was er dichtbij, had dus bijna gelijk omdat hij

’t vergeten had. De groote fout ligt in ’t weten. Tao moet men niet

weten maar zijn. Alleen in zijn ligt de erkentenis van Tao. Het weten

dat geen Zijn is, is geen eigenlijk weten.

[48] Tao hier even in de Confucianistische beteekenis „Weg”, bij

wijze van woordspeling, genomen.

[49] Men zie het werkje van Kern-Mannoury over Boeddhisme, in de

„Wereld-Bibliotheek” verschenen.

[50] Eerder dan ’t populaire versje van Kipling is het woord van

Goethe waar: „Orient und Occident sind nicht mehr zu trennen”.

[51] Verlag Oesterheld & Co. Berlijn.

[52] Bij Van Oest, Brussel, uitgegeven.

[53] Leiden. E. J. Brill.

[54] Uit Vetrucci’s „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan”. Leiden. E. J.

Brill.

[55] H. A. Giles: Introduction to the History of Chinese Pictorial Art.

[56] Edmond de Goncourt: La Maison d’un Artiste.

[57] Zie mijn „Het Daghet in den Oosten” (L. J. Veen, Amsterdam) en

mijn artikel „De Nieuwe Banen der Sinologie” (in „De Gids” van

1 Nov. 1911).

[58] Prof. G. von der Gabelentz: Confucius und seine Lehre.

[59] In zijne inleiding tot Ku Hung Mings „Chinas Verteidigung gegen

Europäische Ideeën.”

[60] In het werk „De Geest van Japan” van Okakura-Yoshisaburo

(Uitg. Wereldbibliotheek) vindt men op blz. 39 en 40 uittreksels uit

dit Heilig Edict.

[61] In zijn „Shantung, the Sacred Province of China”.

[62] Een zekere vorm van literaire opstellen, vereischt bij de—thans

afgeschafte—literaire staats-examens.

[63] „Mémoires relatives à l’Asie”.

[64] Men zie voor bizonderheden mijn artikel „De Nederlandsche

Sinologie” in „De Gids” van 1 Augustus 1912.

[65] De oorspronkelijke Chineesche werken zijn hierbij niet opgenoemd.

De Geest van China · 第 48 / 48 题