blz. 22. „Bij de studie van Chineesche klassieke boeken is het niet
zoozeer de vertaling van de karakters, door den schrijver gebruikt, die
er op aankomt, als wel het aandeel in de gedachten; er is het zien van
geest tot geest”.
blz. 27. „Deze dichtkunst richt zich tot oor en oog op gelijke
wijze”.
blz. 70. „Wij hebben een dynastie onttroond, die den Geest der
Oudheid verloren had, en te midden van de ruïnen der revolutie, zullen
wij, hoop ik, een nieuwen tempel weder opbouwen op de Wijsheid der
Ouden”.
blz. 76. „De eenvoud en universeelheid van natuurlijke wetten”.
blz. 80. „een gouden ketting van geestelijk leven loopende door
iederen vorm van bestaan en, als in één levend lichaam, samenbindend
alles dat bestaat in den hemel boven en op de aarde beneden”.
blz. 90. „Ahnungen” = voorgevoelens.
blz. 91. „Jenseits” = generzijds.
blz. 97. „Wirken aus ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter
Einheit” = Werken uit ongescheiden, tegenstelling-looze, van vrede
omgeven Eenheid.
blz. 97. „the doctrine of action without attachement” = de Leer van
handeling zonder er zich aan te hechten.
blz. 121. „het open geweten van het volk, waar alle plichten bloot
worden gelegd voor de Wijsheid en Orde der wereld, opgesloten in deze
Vereerden.”
blz. 130. „met één streek”.
blz. 131. „Men gaat uit van een heel gemakkelijk bereikbare
étagère-curiositeit, van welker houding, beweging, bouw zich een
doordringende bekoring losmaakt, en men eindigt met, achter het
geschilderde of gebeeldhouwde werk, de magische visie van het heelal te
ontdekken”.
blz. 154. „De Geschiedenis der Kunst laat eveneens ter zijde liggen
de buiten-europeesche kunsten, de Mohammedaansche kunst, de Chineesche
kunst, de Japansche kunst”.
blz. 154. „Als ik niets zeg, noch van de kunst van Indië, noch van
die van China, dan is dat omdat de hooge oudheid die men haar
toeschrijft een illusie is. Indië heeft geen kunst gehad vóór het
tijdvak van Alexander den Groote en wat de Chineesche kunst betreft,
zij is pas begonnen haar meesterstukken voort te brengen in den loop
der Europeesche middeneeuwen”.
blz. 155. „De triomf van den Geest over de Stof”.
blz. 163. „Het is Chineesche onsterfelijkheid, deze Feniks van
Letteren. Het is de analogie van Westersche wetenschap, als algeheele
overblijving van kracht.”
blz. 165. „Het gevaar in China van heden is niet dat het de juiste
hoeveelheid mannen zal missen om zijn landbouw en mijnen te
ontwikkelen, maar de neiging om de hoogere en hemelsche godsdienstige
instincten te verliezen”.
blz. 165. „Als een handleiding voor Modern China in zijn strijd met
het Westen, toonende hoe het de oude wegen van de oudste ouden weer
moet doen herleven”.
blz. 170. „voor altijd gebrandmerkt is met de totale onbekwaamheid om
tot een hooger niveau van verstandelijke beschaving op te rijzen.”