Toen ik het merkwaardige werk van Okakura-Yoshisaburo gelezen had „De
Geest van Japan” [1] kwam het denkbeeld in mij op, een boek te
schrijven: „De Geest van China”. Hierbij kwamen de woorden mij in
de gedachte uit een aan mij gerichten brief van mijn Chineeschen vriend
Dr. Lim Boon King: „We want sinologues in Europa who understand the
spirit of our culture, not only the literalism of our books”.
Over den geest van de Chineesche beschaving zijn nog maar weinig boeken
geschreven, terwijl er boekenplanken te vullen zijn met werken over
Chineesche „folklore” en Chineesch bijgeloof. Schrijvende over
Chineesche cultuur hebben de meeste sinologen de fout begaan, die zij
ook bij het schrijven over Chineeschen godsdienst gemaakt hebben, zij
hebben namelijk de uitwassen en verwordingen voor de oorspronkelijke
cultuur aangezien.
Wanneer men werken leest over China en de Chineezen als b. v. het
verscheidene dikke folio’s groote „Religuous System of China” van
Prof. Dr. J. J. M. de Groot, kan men niet anders denken dan dat de
Chineezen een volk van barbaarsche, domme, bijgeloovige heidenen zijn,
onvatbaar voor ontwikkeling, zonder eenige werkelijke beschaving. Deze
sinoloog, eene officieele autoriteit van wereld-reputatie, noemt de
Chineezen zonder blikken of blozen „semi-civilized”, hij vergelijkt
ze zelfs met „most barbarous and semi-civilized peoples”, hij noemt
het Chineesche ras „for ever stamped with the total incapacity to
rise to a higher level of mental culture”, ja, hij wijst er op, hoe
hij godsdienstige gebruiken en ceremoniën onder hen heeft gevonden
„which one would scarcely expect to find anywhere, except amongst
savages in a low state of culture”.
De groote fout van de meeste schrijvers over China, van de groote
sinologen ook die daaronder waren, is geweest dat zij gemeend hebben,
de cultuur van een groot Oostersch volk als het Chineesche, eene
cultuur, waarvan de geest intuïtief, filosofisch, poëtisch, en zelfs
metaphysisch is van kern en wezen, op eene nuchtere,
westersch-europeesche, wetenschappelijke manier, met westersche denk-
en observatie-methoden te kunnen doorgronden. Nergens spreekt de Geest
van China zich zoo karakteristiek uit als in zijn godsdienst, zijn
filosofie en zijn kunst. Wie den godsdienst, de filosofie en de kunst
van een volk kent, kent de Geest van dat volk tot in zijn diepste
wezen. Dat heeft ook Okakura-Yoshisaburo zoo goed begrepen in zijn
werk: „De Geest van Japan”. Ik zal dan ook vooral den godsdienst en
de filosofie der Chineezen in dit werk in hun essentieele wezen
trachten duidelijk te maken voor den lezer, en mij bij de behandeling
daarvan op het Oostersche, Chineesche standpunt stellen, om vervolgens
het kernwezen der Chineesche kunst, doordrongen als die is van de
Chineesche wereld-beschouwing der wijsbegeerte, bloot te leggen. Mocht
ik hierin geslaagd zijn, zoo heb ik dáármede reeds van zelf ook doen
gevoelen, wàt de eigenlijke „Geest van China” is.
In de voortreffelijke werken van Prof. Fenollosa [2] en van Raphaël
Petrucci [3], vooral in die van dezen laatsten sinoloog, die tevens een
groot wijsgeer en poëet is, en die in zijn standaardboek over
Chineesche kunst een onvergankelijk monument stichtte, waarin de Geest
van China is vereeuwigd, is deze arbeid reeds gedaan, maar toch
eigenlijk meer voor sinologen of voor een kleine élite van zijn
kunstkenners. Een populair boek, voor het groote, beschaafde publiek
bestemd, ontbrak tot nu toe over China.
Ik moet er vooraf even den nadruk op leggen, dat mijn werk geenszins
eene navolging, in precies denzelfden trant zal zijn, van Okakura’s
„Geest van Japan”. Het maken van een nauwkeurig z.g. „pendant”
van andermans werk lijkt mij te gevaarlijk en ook wat onkiesch. Ik zal
daarom in dit boek geheel mijn eigen, aparte methode volgen, en het ook
anders indeelen, zooals ik zooeven heb uiteengezet.
Mijne bedoeling is, dien Geest voor den lezer uit China’s godsdienst,
filosofie en kunst als ’t ware vanzelf te doen oprijzen, zoodat de
lezer hem, bij de behandeling daarvan, ongemerkt over zich zal voelen
komen. Dit leek mij de beste, want meest suggestieve methode.
Ik schrijf daar, in westersche termen, van godsdienst en filosofie,
alsof deze twee verschillende dingen waren, maar reeds dadelijk
vertoont de Geest van China zich, wanneer ik zeg, dat deze twee in
China eigenlijk één zijn.
Zooals terecht door Raphaël Petrucci in zijn hierboven aangehaald
meesterwerk is gezegd, heeft de Chineesche gedachte eigenlijk nooit de
godsdienstige phase gekend. Haar eerste poging is direct tot filosofie
geworden. Het godsdienstige element en de filosofie zijn nooit
gescheiden. Daarom is de studie van de Chineesche filosofie tegelijk
die van den Chineeschen godsdienst. Die twee hebben zich vermengd en
zijn ineengevloeid. Wat nu de Chineesche kunst aangaat, ook deze is
onafscheidelijk van godsdienst en filosofie, waarvan zij de uiting in
schoonheid is, en hier komt nog bij, dat de literatuur één is met de
filosofie. Godsdienst, filosofie, kunst, literatuur, zij zijn geen
aparte, verschillende zaken in China, als in het Westen, maar zij zijn
één. Onder Literatuur, in den allerhoogsten zin, wordt in China niets
anders verstaan dan de in volmaakt schoonen vorm geschreven Wijsheid.
De Chineesche Literatuur, dat is: de geschreven Wijsheid van Confucius,
van Mencius, van Lao Tsz’, van Choe Hie, van de „Yih-King” en de
andere „Kings”, die ik in de volgende hoofdstukken zal behandelen,
in den volmaakt schoonen vorm. Want dit is wel een der
karakteristiekste eigenschappen van den Geest van China, dat de
filosofie in China haar uiting heeft gevonden in den hoogsten
literairen vorm. De Wijsheid en de Schoonheid zijn hier één, en
daarin openbaart zich het goddelijke. Lectuur, die in China slechts
voor amusement, spanning of verstrooiing dient, wordt niet tot de
Literatuur gerekend, maar wordt aangeduid met de benaming „siao
shwoh”, d.i. klein (inferieur) gepraat. Alléén de goddelijke
Wijsheid, uitgedrukt in Schoonheid, is in China de Literatuur. Hiermede
heb ik eigenlijk den Geest van China reeds gekarakteriseerd.
Dit boek zal den lezer een geheel anderen Geest van China doen voelen
dan hij zoo dikwijls over zich heeft voelen komen uit
reisbeschrijvingen van nuchtere Europeanen, die in dezen Geest nooit
zijn doorgedrongen.
Het is al eens door een groot Chineesch schrijver, Ku Hung Ming,
gezegd, in zijn „Story of a Chinese Oxford Movement”, hoe weinig de
Europeanen, en dus ook de Engelschman, tegen wien hij dit schreef, ooit
in de ziel der Chineezen is doorgedrongen.
„Voor den Engelschman uit de aristocraten-klasse”, zoo schreef Ku
Hung Ming, en dit geldt ook voor de meeste Europeesche geleerden en
zoogenaamde „China-kenners”, „is een Chinees met smerige
kleederen, met een staart en gele huid alleen maar een Chinees met een
staart en een gele huid en anders niets. De Engelschman kan niet door
die gele huid heen het innerlijke zien, het moreele wezen, en de
geestelijke waarde der Chineezen. Als hij het kon, zou hij zien wat
voor een feeënwereld eigenlijk in het innerlijk der Chineezen
verborgen ligt. Hij zou dan o.a. de dingen van het Taoïsme zien, met
beelden van feeën en genieën, die niet onderdoen voor de goden van
Griekenland. Hij zou er het Boeddhisme vinden met zijn zang van
oneindig lijden, medelijden en genade, zoo zoet-treurig en diep als de
mystieke, oneindige zang van Dante. En ten slotte zou hij er het
Confucianisme vinden, met zijn „Weg van den Edelen Mensch”, die,
hoe weinig de Engelschman hier ook een voorgevoel van heeft, op een
goeden dag nog eens de maatschappelijke orde van Europa veranderen en
zijne beschaving vernietigen zal”.
Ook ik geloof hier stellig aan. Ik geloof dat de ware Geest van China
nog eenmaal tot Europa zal doordringen, en onze geheele maatschappij,
onzen godsdienst, onze kunst, onze gansche wereldbeschouwing zal
wijzigen. En dit is een der voornaamste redenen, waarom ik het nuttig
en noodig vond, dit boek te schrijven.