BOEK IX.

De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang.

En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij

gehuisvest?

Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik,

latere sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen.

Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van

Kʼwang mij dan doen?”

Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent,

heb ik hier, evenals andere vertalers, door „waarheid” vertaald,

omdat dit nog het dichtste bij komt aan Choe Hie’s verklaring

daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao is

wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.”

Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’

Meester) op en des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te

dringen en des te massiever (werd zij); ik keek er naar vóór mij, en

plotseling was zij achter mij.”

De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het

Oosten.

Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?”

(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder hen) woont, wat voor

ruwheid kan er dan zijn?”

De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als

dit, het houdt niet op, dag noch nacht!”

Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat

hier bedoeld wordt „de loop der Natuur.”

De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief

heeft als de schoonheid.”

De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij

niet in bloei komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen

vruchten komen.”

De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan

weggerukt worden. De Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet

weggerukt worden.”

Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil

kon weggerukt worden, dan was het geen voldoende wil.”

De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij

menschen, die in bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet

schamende,—dit is zooals Yioe is.”

Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo

dikwijls berispte om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel

degelijk zijne andere goede eigenschappen, b. v. hier zijne

waardigheid in de armoede, erkende.

De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de

pijnboom en de cypres het laatst hunne blaren verliezen.”

„In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel

eenigszins op gelijken. De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo

lang goed blijven, de symbolen in China van langdurigheid, trouw,

ouderdom.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 94 / 107 题