Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn
school, en zeide: „Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi
King zegt: „Vreezende, vreezende, bezorgd, bezorgd, als aan den rand
van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten wij zijn).”
„Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine
kinderen!”
De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders
gekregen heeft, ook in gaven staat, zonder wonden, wordt behouden
tot den dood. Daarom deed Tseng handen en voeten ontblooten om te
laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo te kunnen
behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met groote
bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging,
of over broos ijs.
Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het
met hem ging). De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven
is zijn gezang droef. Als de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden
goed.”
De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet
kunnen; met zelf véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende
alsof hij niet had; vol zijnde en toch zijn alsof hij ledig was;
beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had vroeger een vriend,
die dit alles volgde.”
De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos
wordt door armoede zal oproerig worden. Een mensch zonder
menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem intens doet zijn, zal
oproerig worden.”
De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den
hertog van Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen
niet genoeg waard zijn om naar te zien.”
(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage
positie dingen van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom
en aanzien dingen van schaamte!”
Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te
doen voelen. Er staat ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao heeft. Bedoeld
is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in
overeenstemming met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel
is, dus „als de staat goed, rechtvaardig geregeerd wordt.”
De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt
bereiken, alsof gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.”
De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk
bezaten, alsof het niets voor hen was!”
De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven!
Alleen de Hemel is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos!
Het volk kon het niet met een naam (noemen).”
Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII.