De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te
vergelijken met de noordelijke poolster, [60] die haar (vaste) plaats
houdt, en alle sterren draaien er om heen”.
Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt
opgesloten—evenals ik in de bespreking van Hoofdstuk XXII der
„Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de deugd een macht is, die vanzelf
influenceert en transformeert.
De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles
kan worden vervat in één woord: „Hebt geen lage gedachten.” [61]
De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid
brengt met strafwetten zal het (schending daarvan en dus straf)
vermijden, maar geen schaamte (kennen).
Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t
Decorum) zal het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.”
De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de
studie.
Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te
richten).
Toen ik veertig was, had ik geen twijfel.
Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels.
Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede).
Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten
(des Hemels) te overschrijden.”
Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is,
om zich te volmaken in die volkomenheid, dat ten laatste onze
neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust mogen volgen, omdat zij
de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in leeren;
toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij
zich dus aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en
dwaalde hij niet; toen hij vijftig was wist hij wat de Hemel
vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam naar
het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten;
toen hij zeventig was waren al zijne neigingen beweging in Tao,
volgen van den Sing dus, dus lagen zij in de goddelijke beweging
der natuur.
Meng Ie [62] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam
zijn.”
Toen Faan Chʼi [63] zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng
Soen vroeg mij, wat Hiao was, en ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam
zijn”.”
Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De Meester zeide: „Hen (de
ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na hun dood te
begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.”
Meng Woe [64] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn
toch zoo bezorgd, dat hunne kinderen eens ziek zouden worden.”
Tszʼ Yioe [65] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige
Hiao noemt men het kunnen onderhouden van zijne ouders. Maar honden en
paarden kunnen ook wel zoo iets doen. Zonder reverentie is tusschen die
beide soorten geen verschil.”
De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij
heeft mij niet tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en
ik heb zijn eigen handel en wandel nagegaan en voldoende bevonden om
mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij is niet dom!” [66]
De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!”
Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek
of hij er in te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet
weer veranderen zal dus.)
Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn
karakter) verbergen!
Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen,
al hun motieven en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand
er ooit in, zijn karakter te verbergen, daar hij toch alles ziet.
De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan
men zeggen dat hij een Meester is van anderen.”
De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat
iedereen maar gebruiken kan).
Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij
handelt vóór hij spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.”
De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de
kleine mensch is partijdig en niet katholiek.”
De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk
gevaarlijk!”
De Meester zeide: „Yioe, [67] ik zal U leeren, wat weten is. Als gij
iets weet ook vol te houden dat gij het weet, en als gij iets niet weet
ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.”
De hertog Ngai [68] vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te
onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder de oprechten, en zet de
heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. Bevorder de
heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet
onderwerpen.”
Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk
(zijn Vorst) eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?”
De Meester zeide: „Laat hem over hen regeeren met waardigheid (ernst),
dan zullen zij hem vereeren; laat hij Hiao hebben en menschenliefde,
dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden bevorderen en de
onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.”
Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de
regeering in het eigen karakter van den vorst moet zijn geworteld.
De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder
waarheidlievendheid kan voortkomen. Een groote wagen zonder dwarshout
(om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen zonder koppel (voor
de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?”
De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is
vleierij.”
Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner
voorvaderen mocht offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren
aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd hebben.
(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen,
is geen moed hebben.”