HOOFDSTUK X.

1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het

regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den

eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen.

Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan

zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend

weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom,

de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag

kan afmeten.

Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder

„kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter

verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe

heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De

bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder

„Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder

superieuren oudere broeders en oude verwanten.

2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn

inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in

’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons

zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat

men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen

diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag

men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen,

mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe

van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten.

3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van

het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en

haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk

genoemd.

Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe

van beperking bestaat.

4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn

ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele

volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet

zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in

het geheele rijk tot schande.

5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de

liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang

Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het

groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit

blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij

ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij

ook den staat verliest.

Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang

vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher

in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk,

enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet

uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk

zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de

onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot

groote verwarring aanleiding geeft.

Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan

beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot

geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den

laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.)

Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren,

wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst

zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en

de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied

betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij

haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet

hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het

volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij

altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor

dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde

van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.

6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als

hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij

de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als

hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij

bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven.

7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het

gevolg).

Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3.

8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak,

zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt.

9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal

het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal

het volk zich verzamelen.

10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan

zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen

(van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook

tegen recht in (weer) van hem uitgaan.

11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend

(blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest

het.

„Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands,

welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid

voor zich verloren gaat.

12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet

als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een

kostbaarheid.”

Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een

Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij

droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd

geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het

gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde

(het gevolg).

13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt

dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders

als een kostbaarheid.”

Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan

was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk

was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te

heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste,

zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend.

14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur

en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen,

en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het

voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en

welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan

zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou

mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk,

en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er

een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op

hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen

(ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd

worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou

mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen

behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd.

De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de

Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een

simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei

bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte

had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als

er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige

volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche

volk.” Het volgende No. gaat hierop door.

15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden

en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met

zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld

met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen

liefhebben, of kan (andere) menschen haten.”

16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen

bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen

doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen

wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit

is een fout.

Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er

al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het

als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent

onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng

Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een

misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte

ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk

te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de

„vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren

hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende

over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet

allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral

dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het

goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar

uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak,

de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake,

want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen

deugd, zijn eigen menschelijkheid.

17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen

liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig

zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen)

rampen komen.

18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van

bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij

het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij

het.

19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59]

Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij,

die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd

voldoende zijn.

Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus

zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.”

20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij)

zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet

menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn

zelf-karakter (lett. zijn lichaam).

De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar

staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door

zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met

zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door

zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin,

dien ik hier geef.

21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid

liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet

voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van

den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet

voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en

schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven.

Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst

maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen

maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en

welzijn daarmede bevordert.

22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of

hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt

fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er

geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan

zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou

het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve

berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen

winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel

beschouwen.”

Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde

vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als

een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger,

in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg

om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou

verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden

om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft

als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet

zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet

gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen

toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren

zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.”

23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten

(weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’

gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj

beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch

gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er

tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een

goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als

behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat

moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als

voordeel beschouwen.”

Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst

niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als

goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend

moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt,

zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet

gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van

opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot

zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij

toch niet meer redden kúnnen.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 82 / 107 题