1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het
regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den
eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen.
Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan
zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend
weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom,
de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag
kan afmeten.
Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder
„kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter
verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe
heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De
bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder
„Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder
superieuren oudere broeders en oude verwanten.
2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn
inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in
’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons
zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat
men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen
diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag
men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen,
mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe
van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten.
3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van
het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en
haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk
genoemd.
Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe
van beperking bestaat.
4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn
ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele
volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet
zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in
het geheele rijk tot schande.
5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de
liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang
Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het
groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit
blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij
ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij
ook den staat verliest.
Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang
vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher
in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk,
enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet
uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk
zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de
onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot
groote verwarring aanleiding geeft.
Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan
beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot
geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den
laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.)
Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren,
wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst
zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en
de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied
betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij
haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet
hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het
volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij
altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor
dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde
van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.
6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als
hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij
de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als
hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij
bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven.
7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het
gevolg).
Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3.
8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak,
zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt.
9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal
het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal
het volk zich verzamelen.
10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan
zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen
(van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook
tegen recht in (weer) van hem uitgaan.
11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend
(blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest
het.
„Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands,
welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid
voor zich verloren gaat.
12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet
als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een
kostbaarheid.”
Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een
Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij
droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd
geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het
gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde
(het gevolg).
13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt
dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders
als een kostbaarheid.”
Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan
was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk
was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te
heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste,
zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend.
14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur
en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen,
en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het
voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en
welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan
zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou
mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk,
en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er
een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op
hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen
(ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd
worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou
mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen
behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd.
De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de
Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een
simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei
bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte
had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als
er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige
volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche
volk.” Het volgende No. gaat hierop door.
15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden
en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met
zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld
met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen
liefhebben, of kan (andere) menschen haten.”
16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen
bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen
doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen
wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit
is een fout.
Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er
al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het
als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent
onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng
Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een
misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte
ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk
te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de
„vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren
hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende
over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet
allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral
dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het
goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar
uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak,
de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake,
want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen
deugd, zijn eigen menschelijkheid.
17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen
liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig
zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen)
rampen komen.
18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van
bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij
het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij
het.
19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59]
Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij,
die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd
voldoende zijn.
Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus
zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.”
20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij)
zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet
menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn
zelf-karakter (lett. zijn lichaam).
De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar
staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door
zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met
zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door
zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin,
dien ik hier geef.
21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid
liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet
voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van
den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet
voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en
schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven.
Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst
maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen
maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en
welzijn daarmede bevordert.
22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of
hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt
fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er
geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan
zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou
het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve
berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen
winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel
beschouwen.”
Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde
vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als
een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger,
in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg
om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou
verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden
om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft
als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet
zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet
gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen
toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren
zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.”
23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten
(weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’
gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj
beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch
gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er
tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een
goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als
behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat
moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als
voordeel beschouwen.”
Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst
niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als
goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend
moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt,
zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet
gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van
opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot
zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij
toch niet meer redden kúnnen.