HOOFDSTUK VI.

1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig

maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur

en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom

moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid.

2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts,

waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij

dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen,

en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij

zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit

noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.”

Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid.

De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in

„Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen

Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).

3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar

wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.”

Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het

binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar

de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen,

moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn.

Altijd moet hij er over waken.

4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter).

Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün

Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 74 / 107 题