1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig
maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur
en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom
moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid.
2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts,
waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij
dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen,
en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij
zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit
noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.”
Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid.
De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in
„Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen
Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).
3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar
wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.”
Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het
binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar
de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen,
moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn.
Altijd moet hij er over waken.
4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter).
Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün
Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht.