Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het
doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie
Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de
bedoeling van den filosoof Chʼing te nemen om dit aan te vullen als
volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit
het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het
hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan
hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van
eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel,
dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is
de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den
leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om
van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te
doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang
zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende
kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het
fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn
geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder
wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de
kennis tot het hoogste opvoeren.
De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door
anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb
Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik
kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de
„Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle
dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen
schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen
voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie,
maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien
uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd.