1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí [57] is
daar waar het volk rust.”
Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen
plaats waar hij moet rusten.”
2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van
den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te
rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het
vogeltje?”
3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend
vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in
menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon
rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in
liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in
waarheidlievendheid.
4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O!
Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en
welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen,
zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe
streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en
welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij
snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren.
„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het
verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter).
„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe
majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige)
ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij
zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en
de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten.
De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in
N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is
de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting
loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat
het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe
van Wei.
5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De
latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en
hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in
datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot
hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de vroegere koningen na hunnen
dood niet werden vergeten.
Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld
koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow.