HOOFDSTUK XIV.

1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar

niet buiten te gaan.

2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een

positie van weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen

stand doet hij wat gepast is aan eene positie van armoede en lagen

stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat gepast is aan barbaarsche

stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden doet hij wat

gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een

toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen)

verkrijgt.

3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne

inferieuren. Is hij in een lage positie, dan vleit hij niet zijne

superieuren. Hij maakt zich zelf recht, en zoekt het niet bij anderen,

zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert niet tegen den

Hemel en mort niet op de menschen.

4. Daarom woont [47] de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de

Hemel) beschikken zal, en de kleine mensch gaat op gevaarlijke paden,

en hoopt op de fortuin.

5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de

handelwijze van) den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert

hij zich om en zoekt de fout in zich zelf.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 28 / 107 题