2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er
van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is
iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en
vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat
betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een
Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat
den menschen (nog) hatelijk is.
Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er
niets onder den Hemel zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid
(er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan
splijten.
De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer
duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I
confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met
de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan.
Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de
volgende:
„De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ
is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het
niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het
oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie
Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het
allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo
iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs
Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de
grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij
’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom
wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag
verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen,
de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden,
die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de
allerkleinste dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en
geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het
zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i.
nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn.
3. De Shi King [46] zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen
springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder
(alles) doordringt.
4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone
leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen,
strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde.
De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne
opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt
ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen
springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel
gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen,
maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het
Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk
begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde
in mij”.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het: