HOOFDSTUK XI.

1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat

het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe.

2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van Tao, maar halverweg wijkt hij

er van af; dit is, wat ik niet doe.

3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is,

en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is

hiertoe in staat.”

Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den

eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met

den tweeden den hoogeren Wijze.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 22 / 107 题