2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van
het Noorden, of die van U zelf?”
3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met
onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin
woont de Kiün Tszʼ.
4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de
geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige.
5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe
recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden)
en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in
de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij
nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht
is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood.
Hoe flink is zijn geweldigheid!
Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden
(geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en
weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden.
Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht
harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen,
maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet
in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus
goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er
zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens
Confucius de ware geweldigheid.