1. Tszʼ Loe [45] vroeg wat geweldigheid was.

2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van

het Noorden, of die van U zelf?”

3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met

onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin

woont de Kiün Tszʼ.

4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de

geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige.

5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe

recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden)

en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in

de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij

nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht

is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood.

Hoe flink is zijn geweldigheid!

Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden

(geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en

weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden.

Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht

harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen,

maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet

in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus

goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er

zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens

Confucius de ware geweldigheid.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 21 / 107 题