Noordduitsche liberalen van vóór den slag van Königgrätz, uit den tijd
toen men aan gene zijde van den Rijn nog aan het staatsomwentelend
vermogen van politieke maaltijden geloofde, zouden het heden door den
heer Dijk in de groote zaal van Soekabrenti aangerigt diner een
=Zweck-Essen= genoemd hebben. Werkelijk bestond het gezelschap, voor zoo
ver de heeren betrof, zoo niet uitsluitend dan toch grootendeels uit
personen, wier ondersteuning de gastheer voor zijne parlementaire
kandidatuur behoefde. Doch in koopsteden heeft de staatkundige wereld
een zeer weinig afschrikwekkend diplomatisch voorkomen, en men weet in
die kringen de regeling van 's lands zaken gepaard te doen gaan met
een ongedwongen behartiging van al de belangen der gezelligheid. Het
waren welopgevoede mannen, niet uitermate schrander of geleerd, geene
feniksen in het staatsregt, maar doorkneed in hunne mercantile, of
industriële of financiële specialiteit; mannen, die, onder den
nederigen naam van commissionairs, russische leeningen sloten of
americaansche spoorwegen hielpen aanleggen; makelaars in suiker, die
niet opstonden voor een paar ton; eigenaars van scheepstimmerwerven,
die met het grootste genoegen van de wereld den aanbouw van een
volledig gepantserd eskader voor hunne rekening zouden genomen hebben.
Huisvrienden van Adriaan Dijk waren zij niet; evenmin als hunne
vrouwen of dochters tot Lidewyde's gewone omgeving behoorden. Doch zij
vertegenwoordigden dezelfde maatschappelijke belangen als hij, en
waren hem genegen omdat zij hem als den regten man beschouwden om in
de Tweede Kamer (zoodat zijzelven te huis konden blijven) als orgaan
van die belangen plaats te nemen. Die sympathie, niet overmaat van
intimiteit, ontboeide wederzijds de tongen. En waarom ontveinsd, dat
eene al te gemeenzame bekendheid het middel niet is om talrijke
gezelschappen in eene aangename stemming te brengen? Vaak zal men een
opgeruimder geest en levendiger gesprekken waarnemen bij lieden, die
heden zamenkomen om morgen weder elk huns weegs te gaan, dan onder
hen die sedert lang op de hoogte zijn van elkanders wedervaren en de
een voor den ander geene geheimen meer hebben. "Men moet twintig jaren
uitlandig geweest zijn," heeft iemand gezegd, "om het in een salon vol
boezemvrienden twintig minuten te kunnen uithouden."
Toen de maaltijd afgeloopen was, en de dames, met Lidewyde aan de
spits en Emma in de achterhoede, zich verwijderd hadden, vroeg
Lefebvre het woord en stelde hij, in den vorm eener eindelooze
redevoering, welke al de gasten van het sterker geslacht, en André
niet het minst, met hooge bewondering voor hem vervulde, den volgende
feestdronk in:
"Om te weten, mijne heeren, wie onze vrienden zijn, behooren wij ons
eene juiste voorstelling te vormen van onze vijanden. Misprijst het
niet, bid ik u, dat ik thans deze kwestie aanroer. Zij raakt ons
zamenzijn van nabij.
"De rigting, die wij bestrijden, is geen alledaagsch kwaad, maar een
voortwoekerende kanker. Triomfeerde zij, wij zouden niet-alleen in
Staat en Kerk en School, in onzen handel en in onze nijverheid den
treurigsten achteruitgang waarnemen;--neen, ook ons gezellig verkeer
zou gestoord zijn, en eene bijeenkomst als de onze op dit oogenblik,
zoo genoegelijk en vriendschappelijk, zou weldra tot de
onmogelijkheden behooren.
"Onze tegenstanders hebben een woord gekozen en vastgesteld, waarmede
zij deze voorspelling zoeken te brandmerken. Doch mij intimideert
hunne aanklagt wegens intimidatie niet. De vrees, beweren zij, is de
meest nuttelooze van alle hartstogten; en aan die spraak herkent men
hun bestaan. Alleen het nuttige toch heeft waarde in hunne oogen; en
vrijpostigheid is hun levenselement. Zouden zij niet anders denken en
anders spreken, indien hetgeen zij nuttig noemen in het algemeen,
schadelijk bleek te zijn voor henzelven? Zoo ja, ik zou er hen niet
minder om achten. De vrees, die zij bespotten, is een trek der
menschelijke natuur. Zij is het begin der wijsheid. De mensch is
geschapen om te vreezen, even als hij geschapen is om lief te hebben
en na te denken.
"Of is het zelfzucht en eigenbaat, indien wij in naam van dit ons
zamenzijn waarschuwend den vinger opheffen? Ik loochen het. Wie de
gezelligheid verwoest, is een vijand der maatschappij; en het is geen
egoïsme, het is ware menschenmin, die ons de maatschappij doet
liefhebben. De omwenteling en het despotisme hebben ook dit met
elkander gemeen, dat zij in hun gevolg slemppartijen medevoeren. De
ingehouden overvloed daarentegen, de gekuischte weelde, zijn een vast
kenmerk van een toestand van orde en van eerbied voor de wet. Deze
feestelijke tafel, mijne heeren, is meer dan zij schijnt. Zij is het
symbool der konservative beginselen. Zij vertegenwoordigt de nationale
welvaart, gegrondvest op nationale tucht.
"Zeide ik tucht? In het woordenboek der vrijzinnigheid zult gij die
uitdrukking misschien niet vruchteloos zoeken; doch zij is een klank
geworden, eene letter zonder geest, eene formule waarvan men zich
bedient om zichzelven en anderen te misleiden. Die soort van bedrog is
eene specialiteit van de mannen der vrijzinnige rigting. Hun
dagelijksch handwerk is, te ploegen met den os van hunne tegenpartij.
"Vraag de liberalen, u den zetel van het gezag te noemen,--zij zullen
u op den volkswil wijzen. Beteekent dit, dat zij het ernstig meenen
met de heerschappij der menigte? In geenen deele: zij slaan een kruis
bij die gedachte. Is dan de vorst hun souverein? Nog veel minder. Zij
meesmuilen onder elkander om alle Koningen der aarde; zouden
zesendertig gekroonde Hoofden, en meer, voor een droog flanelletje
wenschen te kunnen bieden, en gelooven aan geene andere souvereiniteit
als die der rede, zeggen zij. Doch met die aangelengde wijsbegeerte is
geen praktisch resultaat te verkrijgen, en men regeert geen volk met
paragrafen uit een schoolboek. Dit gevoelen zij. En ook weten zij wel,
dat onze natie haar woord verpand heeft aan eene dynastie. Vandaar een
Janussysteem, waarvan waarheid in staatsbeleid het uithangbord en
onopregtheid de geheime kracht is. Zij zweren trouw aan een Vorst,
dien zij in hunne binnenkamer minachten en bespotten, en vleijen de
ijdelheid eener schare aan wier onmondigheid zij hunne populariteit
ontleenen.
"Ziet het liberalisme in de kaart, mijne heeren, en gij zult bespeuren
dat onze beginselen, die het verwerpt, zijne eenige levenskracht zijn.
Om iets tot stand te kunnen brengen moet het onze liefde en onze
geestdrift huichelen. Geloofden wij niet, het ongeloof van onze
tegenstanders zou niets te beteekenen hebben. Aan ons hebben zij het
te danken, dat hunne negatien een schijn van magt vertoonen. Zij
willen den Staat regeren; doch indien het van hen afgehangen had, zou
geen Staat zich ooit gevormd hebben. Niets van hetgeen een volk tot
volk maakt, is door hen in het leven geroepen, en veel daarvan is
onherroepelijk door hen verwoest. Zij weten te bedillen; maar om iets
te stichten, daartoe zijn zij onbekwaam. Zegt men dat Indie de kurk
is, waarop Nederland drijft? welnu, wij konservatieven zijn het, die
de liberalen boven water houden. Wij zijn het gezag, wij de orde, wij
de welvaart. Zonder ons vermogen zij niets.
"Indie, mijne heeren! Ik behoef niet uit te weiden over hetgeen voor
ons in dat ééne woord besloten ligt. Door het bezit dier onschatbare
kolonie is Nederland onder de volken als een man van fortuin, die
eigen rijtuig en een buitenplaats nahoudt. Zwitserland, Wurtemberg,
Beijeren,--wat zijn zij, met Nederland vergeleken? Daglooners onder de
Staten! Laat mij niet vragen hoe het u smaken zou, indien uw
rentmeester, uw pachter, uw tuinman tot u zeide: "Twintig jaren lang
heb ik uwe bloembedden aangelegd, uwe velden omgespit, uwe bosschen
verzorgd: dit geeft mij het regt om na uwen dood uw landgoed als mijn
eigendom te beschouwen." Op even goede gronden zou uw koetsier kunnen
beweren, dat gij hem bij testamentaire beschikking uwe paarden behoort
te vermaken, die hij zoo lang gereden heeft. Doch ongaarne scherts ik
waar het hooge en heilige belangen geldt. Nederlands regt op Indie is
even onbetwistbaar als het regt van een zoon op de nalatenschap van
zijnen vader. De liberalen noemen zich filanthropen, omdat zij van de
Javanen een onafhankelijk volk willen maken; en de christelijke liefde
gebiedt ons te gelooven, dat zij het met dien toeleg eerlijk meenen.
Doch wij, mijne heeren, zijn de leer toegedaan, dat wie Java van
Nederland poogt te scheiden, misschien een goed mensch, maar stellig
een slecht Nederlander is. Ook in deze aangelegenheid (ik vraag
verlof, dit nogmaals te mogen doen uitkomen), ook hier is het
parasitisch karakter der vrijzinnigheid openbaar. Zij werpt koloniale
kwestien op, zij draagt kultuurwetten voor, zij bepleit de toekomst
der Javanen, en bemerkt niet, de kortzigtige, dat men zonder duiven
geene duivenpastei vervaardigen kan. Al de lauweren, welke onze
koloniale vrijzinnigen zich zelven om de filanthropische slapen
hechten; al de populariteit, welke hunne Javanenliefde hun tot hiertoe
heeft opgebragt; al het geld, hetwelk zij in de toekomst uit hunne
koloniale kwestie slaan zullen;--hebben zij hieraan te danken, dat het
behoudend Nederland eene koloniale mogendheid is... Nog eene
opmerking, mijne heeren, en ik zal uw geduld op zijne laatste proef
gesteld hebben.
"Wanneer men van de schare onzer tegenstanders diegenen aftrekt, die
aanspraak kunnen maken hetzij op onze hoogachting, omdat zij te goeder
trouw hunne krachten wijden aan eene in hunne oogen loffelijke zaak,
hetzij op onze deernis en onze verschooning, omdat zij blindelings
gelooven hetgeen hun gepredikt wordt door lieden, die zij voor
bekwamer houden dan zich zelven;--ik bedoel, wanneer men het totaal
der liberale partij vermindert met de som van hare dupen en van hare
dweepers,--en gij zult mij toestemmen dat geen dier twee elementen
geacht kan worden, tot de kern der partij te behooren,--blijken
nooddruft en eerzucht de voorname springveeren van het liberalisme te
zijn. Tallooze malen is men in de gelegenheid geweest te konstateren,
dat niets te verliezen te hebben een afdoend motief is om zich onder
de vanen van eene rigting te scharen, welke met het hazardspel dit
gemeen heeft, dat zij somwijlen de bank kan doen springen. Men is
liberaal om dezelfde reden, waarom men in benarde omstandigheden een
loterijbriefje koopt. Voegt daarbij dat in de gelederen van het
liberalisme geen avancement is als voor diegenen, welke uitmunten door
verstandelijke gaven. Hebben zij het doel van hunne eerzucht bereikt,
dan werpen deze berooide vernuften het masker af; verloochenen het
gepeupel waaraan zij hunne opkomst te danken hadden, en worden eene
bastaardsoort van konservatieven, voor wie behoud en zelfbehoud
woorden van eenerlei beteekenis zijn.
"Ik vraag niet, mijne heeren, of wij het in onze magt hebben, en zoo
ja, of het verstandig van ons gehandeld zou zijn, die partij te
vernietigen. Ik vraag alleen, of het heilzaam geacht kan worden voor
den nederlandschen Staat, het beruchte =laissez-faire= in praktijk te
brengen ten aanzien van menschen, wier eenige drijfveer carrière-maken
is; met wier opkomst of wier val geen enkel nationaal belang
zamenhangt, en van wie men alleen dit getuigen kan, dat zij den loop
der vaderlandsche geschiedenis stremmen, en ons volk verhinderen, zich
overeenkomstig zijnen aanleg te ontwikkelen? Voor mij, ik eerbiedig in
het bestaan ook van hen, die ik bestrijd, de wegen der goddelijke
Voorzienigheid. Wij moeten met onze tegenstanders doen gelijk de Staat
met dezulken doet, die zich aan het leven of eigendom van hunne
medeburgers vergrijpen. Onschadelijk maken moet ons wachtwoord zijn.
"=Similia similibus curantur=, zeiden de Ouden; hetgeen ik aldus
vertolk: het beste tegengif der vrijzinnigheid is de vrijheid. Gij,
mijne heeren, zijt vrij. Waarom? Omdat gij kapitalisten zijt. De
zwaarste slavernij in deze wereld is het lijfeigenschap der
broodeloosheid; want de hongerige mensch is geneigd tot alle kwaad en
bezwijkt voor de geringste verleiding. Met de welvaart begint de
onafhankelijkheid; en waar de meeste overvloed heerscht, bij die natie
wordt ook de grootste mate van vrijheid aangetroffen. Vrijheid van
drukpers, van denken en spreken, van arbeid en handel, al die
vrijheden, de gewetensvrijheid niet uitgezonderd, zijn in zichzelven
slechts holle klanken en kunnen hoogstens als tijdverdrijf voor ledige
magen een voorbijgaanden opgang maken. Alleen die vrijheid houdt
stand, waarvan gijlieden, mijne heeren, de vertegenwoordigers zijt en
die gij door het omzetten van uwe kapitalen in het leven helpt roepen.
Hoe krachtiger dat beginsel in het nederlandsch Parlement optreedt,
des te beter zal de nederlandsche natie varen. Laat ons daarom hopen,
dat onze geachte vriend, in wiens huis en om wiens disch wij op dit
oogenblik vereenigd zijn, eerlang in die vergadering de plaats zal
innemen, waarnaar met het volste regt door hem gedongen wordt!"