André had Sarah, sedert zijn onderhoud met haar over Lidewyde's
betrekking tot Ruardi, schier niet wedergezien. Opzet of toeval, van
geene enkele gelegenheid om zich met hem alleen te bevinden was partij
door haar getrokken.
Ware hij zich volkomen bewust geweest van hetgeen hij wilde, welligt
zou die bescheidenheid hem verdroten hebben. Waarschijnlijker nog zou
hij in dat geval het initiatief genomen en door de eene of andere daad
van toenadering zijnerzijds mededeelingen hebben uitgelokt, die men
uit eigen beweging niet voor hem ten beste scheen te hebben. Doch hij
handelde niet overeenkomstig een vast plan; en zoo hij aan den eenen
kant zou hebben gewenscht, vollediger door Sarah op de hoogte gehouden
te worden omtrent Lidewyde's doen en laten, aan den anderen kant was
het hem eene verligting, dienaangaande min of meer in het onzekere te
blijven verkeeren. Hoe langer hij met een goed geweten zich zelven
diets kon maken dat zijne betrekking tot Lidewyde eene zaak van geene
beteekenis was en niemand anders als Emma bij voortduring de eerste
plaats in zijn hart bekleedde, hoe aangenamer hij het vond. Het was
dan ook geenszins een kreet van onvermengde vreugde, die hem
ontsnapte, toen hij op het reeds vergevorderd avonduur van een der
volgende dagen, terwijl hij, met de lamp aan zijne zijde, voor het
geopend venster zijner kamer zat en de sterrebeelden aan den
donkerblaauwen hemel bespiedde, eensklaps door een bezoek van Sarah
verrast werd.
Met Adriaan, Lidewyde en Emma was hij in den vooravond uit rijden
geweest naar Zeeburg, waar men gezamenlijk, luisterend naar de
muziekale uitvoering van een militair orkest en groeten wisselend met
bloedverwanten of vrienden, de zon had zien ondergaan. André was niet
ongevoelig voor zulke genietingen. Hij vond Dijks landauer een
voortreffelijk rijtuig, en het voorregt twee vrouwen tot =vis-à-vis= te
hebben als Emma en Lidewyde vergoedde honderdvoudig in zijne schatting
het ongerief van Dijks konversatie. Het Zeeburgsche badhuis was klein
van omvang, dit gaf hij toe, en wanneer men het met dat van
Scheveningen of Ostende vergeleek, verzonk het in het niet. Doch alle
dingen zijn betrekkelijk; en niet zelden zal men aan een beperkt
terras, mits men zich omgeven weet door een uitgelezen kring van
bekenden, de voorkeur geven boven een veel uitgestrekter grondgebied,
waarover vreemdelingen den schepter voeren. In het gezelschap van
Lidewyde en haren man, gevoelde André zich opgenomen in de M'sche
=beau-monde=, en al kende hij de meeste dier heeren en dames nog slechts
van naam of van aangezigt, het was niettemin eene weldadige
gewaarwording, zichzelven en zijn meisje tijdelijk als een onderdeel
dier fiere keurbende te mogen beschouwen.
--"Kom binnen, Sarah," zeide hij opstaand en het venster sluitend.
"Het is reeds laat, en de avonden beginnen koel te worden."
--"Vergeef mij, mijnheer," antwoordde zij, "dat ik zulk een ongelegen
uur kies om u mijnen dank te komen betuigen. Mijne vrijheid is
beperkt, en het behoort tot de zeldzaamheden dat ik voor mijzelve
eenige oogenblikken uitbreken kan."
--"Om uwentwil wenschte ik, dat daarin verandering kwam, Sarah. Gij
zijt in uwe afhankelijke betrekking hier aan huis niet op uwe plaats,
en indien ik iets bijdragen kon om u eene betere positie te
verzekeren, zou ik het gaarne en met ijver doen. Doch ik bezit geene
noemenswaardige relatien, en moet voorshands in de eerste plaats voor
mijzelven zorgen."
--"Ik dank u voor uwe belangstelling, mijnheer André, maar het is niet
over mij dat ik kom spreken. Mijne positie is geheel en al het gevolg
van mijne eigen keus, en ik twijfel of gij met den besten wil daarin
eenige verandering zoudt kunnen brengen. Men heeft u verhaald, naar ik
bemerk, dat mijn lot eenmaal zeer verschillend is geweest van hetgeen
het nu is, en evenals vele andere welwillende personen verlangt gij,
dat ik mijnen rang in de zamenleving, gelijk men dat noemt, hernemen
zal. Doch gij zoudt mij toch niet gelukkig willen maken tegen mijnen
wensch? Geloof mij, gij kunt niets voor mij doen, en elke poging die
gij zoudt aanwenden om mij uit dit huis te verwijderen, zou mij juist
van datgene berooven waarop ik den hoogsten prijs stel. Voor mij gaat
niets boven de vriendschap van mevrouw Dijk, en de gelukkigste
oogenblikken van mijn leven zijn die, waarin ik mij beroemen mag iets
gedaan of beproefd te hebben om haar leven te veraangenamen."
--"Die gevoelens strekken u zeer tot eer, Sarah," zeide André op een
gewigtigen en beschermenden toon, "en met u geloof ik dat mevrouw Dijk
volle aanspraak heeft op uwe erkentelijkheid. Doch, in ernst, zijt gij
overtuigd dat aan haar geluk iets wezenlijks ontbreekt? Zij heeft
hare vlagen van somberheid en afgetrokkenheid, nu ja; doch welke vrouw
is altijd dezelfde? Mij komt het voor, dat mevrouw Dijk niets anders
behoeft als nu en dan een weinig afleiding."
--"Ik begrijp zeer wel, mijnheer André, dat gij tegenover mij uwe
verdiensten poogt te verkleinen; doch mijne dankbaarheid voor uwe
tusschenkomst is daarom niet minder levendig. Gij hebt gedaan hetgeen
ik voor onmogelijk zou gehouden hebben, en tot hiertoe is uw overleg
met den besten uitslag bekroond geworden."
--"Mijn overleg, Sarah? Verkeert mevrouw Dijk in de meening dat ik met
overleg gehandeld heb?"
--"Mevrouw Dijk is geheel en al onkundig, mijnheer, van het verzoek
dat ik mij verstout heb tot u te rigten. Zij vermoedt in de verte
niet, dat gij kennis draagt van de zorgen, die haar kwellen, en
waarvan de oorzaak bij dokter Ruardi ligt. Niet-alleen heeft zij mij
niet opgedragen u eenigerlei mededeeling te doen omtrent hetgeen zij
voor u gevoelt, maar tot hiertoe is uw naam te naauwernood door haar
genoemd geworden. Ik kan u alleen zeggen, dat zij in de hoogste mate
ingenomen is met jufvrouw Visscher, en daareven nog heb ik haar in den
lof van uw meisje hooren uitweiden. Zij verhaalde mij dat jufvrouw
Emma ook weder dezen avond aan het Badhuis het voorwerp van allerlei
oplettendheden geweest is, en dat de geheele wereld haar u benijdt.
Zoo is het ook, mijnheer, daar ben ik zeker van; en juist om die reden
doet het mij zulk een groot genoegen, dat in weerwil van hetgeen gij
aan jufvrouw Visscher verschuldigd zijt, gij middel hebt weten te
vinden om dokter Ruardi op een afstand te houden. Sedert uwe komst, en
vooral sedert de komst van jufvrouw Emma, gevoelt mevrouw Dijk zich
veel krachtiger tegenover hem; en ik heb reden om te hopen, dat zij
binnen kort voor goed van hem ontslagen zal zijn."
--"Ik bespeur, Sarah, dat men voor u geene geheimen behoeft te hebben;
doch laat mij nu alleen, bid ik u, en spreek niet meer met mij over
deze zaak. Het is volkomen waar, dat ik door u op het denkbeeld
gebragt ben om mevrouw Dijk eene dienst te bewijzen, die zij van
niemand anders scheen te kunnen verwachten. Ik verneem van u, dat ik
daarin geslaagd ben, of kans heb van te zullen slagen. Des te beter.
En nu gij alles weet, behoort ook dit u niet onbekend te zijn, dat ik
gehandeld heb met voorkennis van jufvrouw Visscher en onder het zegel
van hare goedkeuring. Met dokter Ruardi, die vooral in de eerste dagen
van mijn verblijf alhier zeer vriendelijk voor mij geweest is, wensch
ik voor het uitwendige op een goeden voet te blijven. Mijnheer Dijk,
gelijk van zelf spreekt, weet van niets, en zal, dat beloof ik u,
nimmer van iets weten. Ook mevrouw Lidewyde behoort onkundig gelaten
te worden van hetgeen tusschen ons verhandeld is, en in geen geval zou
ik meer voor haar kunnen doen dan hetgeen zij tot hiertoe door mij
verkregen heeft. In een woord, het zal mij bijzonder aangenaam zijn,
indien aan de scheve positie, waarnaar ik mij uit vriendschap voor
mevrouw Dijk eene poos gevoegd heb, zoodra mogelijk een einde komt."
Nog nooit had André in éénen adem zoo vele onwaarheden op elkander
gestapeld als in dit antwoord van hem aan Sarah. Dat Sarah hem op den
inval had gebragt om voor de leus aan Lidewyde het hof te maken; dat
hij daarover met Emma gesproken en Emma's toestemming op dat
gedrochtelijk plan verworven had; dat hij in zijne verhouding tot
Ruardi geene verandering wenschte te zien komen; dat hij hoe eer hoe
liever ontslagen wilde worden van zijne geheime verstandhouding met
Lidewyde: dit waren even zoo vele leugens; en Sarah kon, hij gevoelde
het aan zijn hart, van al die verzinselen geen woord gelooven. Een uur
geleden zou hij zichzelven onbekwaam geacht hebben om in die mate zijn
eigen beter-ik geweld aan te doen, en nog daareven, toen Sarah de
kamer binnentrad, had hij er op durven zweren dat geene magt op aarde
hem immer tot zoo iets zou kunnen bewegen. Toch was de valschheid,
waaraan hij thans eensklaps in zijne eigen oogen schuldig stond,
slechts eene bevestiging der misdaad waarvoor Emma, gehoor gevend aan
een schrander instinkt, hem van den dag zijner komst op Soekabrenti af
gewaarschuwd had.
Vanwaar dat men somtijds in weerwil van zichzelven er toe gebragt
wordt, de dingen voor te stellen onder een licht, waarvan men zich
bewust is dat het daaraan een met de werkelijkheid onvereenigbaren
schijn leent?... André zou dan-alleen in staat geweest zijn een
bevredigend antwoord op die vraag te geven, indien hij tevens en in de
eerste plaats had kunnen verklaren, hoe het kwam dat Emma's beeld in
zijne ziel door dat van Lidewyde overschaduwd en verduisterd werd.
Helaas, hij wist het niet; en daar hij de oorzaak van het kwaad niet
kende, kon hij ook zijne gevolgen niet wegnemen. Waarom werd Theseus
ontrouw aan Ariadne? Waarom deed Herakles op den tweesprong eene
loffelijke keus? Omdat Herakles Herakles, en Theseus Theseus was.
Doch het zou er met de menschelijke wetenschap treurig uitzien, indien
zij, om belangrijk te zijn, onvoorwaardelijk moest kunnen doordringen
tot den diepsten grond der dingen. Ook tweede gronden kunnen somtijds
belangstelling wekken; en zelfs dan nog bijwijlen bestaat er uitzigt
op een wetenswaardig resultaat, wanneer de kennis der oorzaken u te
eenemaal ontzegd is en gij u met de ontleding van feiten en
overleggingen te vreden moet stellen.
Na eene korte poos--te kort, voor een held--geworsteld te hebben tegen
het licht, hetwelk Sarah's dankbetuiging in zijnen geest deed opgaan,
was André voor het eerst tot een besluit gekomen. Hij overzag nu den
toestand, waarin hij zichzelven gebragt had, en meende wijs, of
althans manlijk te handelen, door dien te aanvaarden. Waren zijne
eerste antwoorden aan Sarah half ontwijkend geweest, het laatste had
de kenmerken van een gevestigd voornemen vertoond. Of de schaduwzijden
dier vastberadenheid niet welligt talrijker waren dan hare voordeden;
of de strik, waarin hij verward was geraakt, instede van losser te
worden, niet van nu af dagelijks meer zou gaan klemmen; of zijn geloof
aan Lidewyde's genegenheid voor hem niet de vermetelheid-zelve was; of
toe te geven aan dien mogelijken waan niet in den grond der zaak
gelijk stond met het opofferen van zijne eerste liefde ter wille van
eene andere en mindere,--daaraan dacht hij niet en vroeg zich dat niet
af. Hetgeen hem aan zijn onderhoud met Sarah plotseling een einde had
doen maken en hem op gemelijken toon den wensch had doen te kennen
geven, alleen gelaten te worden, was de volgende redenering geweest:
"Er is tegenspraak tusschen Sarah's beweren, dat Lidewyde mijnen naam
niet noemt, en het feit, dat zij zich aanvankelijk krachtiger gevoelt;
"Zoo Lidewyde mij al niet regtstreeks lief heeft, is het nogtans
duidelijk dat zij aan mij de voorkeur geeft boven Ruardi;
"Ik wil voortaan niets meer met Sarah te maken hebben;
"Het beste middel om mij van haar te ontslaan, is haar te doen
gelooven, dat ik haar plan geheel en al tot het mijne gemaakt en in
alles met Emma's voorkennis gehandeld heb.
"Op die wijze zal de eenige persoon, welke thans nog tusschen mij en
Lidewyde staat, uit den weg geruimd zijn, en zal het moeten blijken,
of ik werkelijk in Lidewyde's oogen niets anders ben als een bruikbare
afleider."
Ware dit laatste denkbeeld minder ondragelijk geweest, misschien zou
André niet met zulk eene snelle vaart zijn voortgehold op den weg
zijns verderfs. Doch tegen eene zoo sterke slingering tusschen hoop en
vrees was zijn karakter niet bestand. Stelde hij zich voor, dat de
verdorven Ruardi zich eene plaats in Lidewyde's hart had weten te
veroveren, dan maakte een onuitsprekelijk gevoel van haat zich van hem
meester, en hij zou, indien de dokter zich in zijne nabijheid bevonden
had, hem een slag in het aangezigt hebben willen geven. Dacht hij
daarbij aan Ruardi's gaven, dan klom, door het gevoel van zijne eigen
minderheid, de haat tot woede. Te beseffen dat Lidewyde regt had
Ruardi te verwijderen, en tevens te moeten bekennen dat hij zelf in
het oog der wereld niet in Ruardi's schaduw kon staan, was in de
hoogste mate smartelijk. Oneindig pijnlijker nog evenwel was de
mogelijkheid, dat Lidewyde van zijne dagelijks aangroeijende liefde
voor haar, die zij ongetwijfeld opgemerkt had, alleen gebruik maakte
om daarmede haar voordeel te doen, en zij hem met geen ander oogmerk
aanmoedigde,--of indien de gesprekken, die zij met hem voerde, indien
de bladzijden, die zij hem liet voorlezen, geene aanmoediging waren,
wat zou dan immer zoo heeten?--als om zich des te gemakkelijker te
kunnen ontslaan van zijnen medeminnaar. Die vrees maakte hem
waanzinnig. Zij gaf overmagt op zijn gemoed aan eenen invloed waaraan
hij nog nooit onderworpen was geweest; en misschien lag in die
demonische verbijstering,--tenzij men liever elke verklaring mist, dan
zich op te houden bij eene zoo willekeurige,--de sleutel tot den
nieuwen hartstogt, die hem aan Lidewyde ketende. Daarentegen geraakte
hij buiten zichzelven van verrukking, wanneer hij zich de andere
mogelijkheid voorstelde. Het was een gevoel, duizendmaal verhevener
dan het oogenblik, toen hij, een half jaar geleden, voor het eerst van
hart tot hart met Emma sprak. Aan Emma's zijde zou hij een bezoek aan
de Elyzeesche velden hebben willen brengen; en zonder blozen zou hij,
door haar begeleid, getuige zijn geweest van de reine blijdschap der
gelukzaligen in het Paradijs. Doch wat zeide zulk eene hemelvaart, al
moest dezelfde togt, met Lidewyde ondernomen, in eene hellevaart
eindigen? Sommige genietingen, meende hij, waren voor geene
vergelijking vatbaar; en indien men hem te dezer ure aan zijn woord
gehouden had, zou hij de eeuwige straf geen te duren prijs gevonden
hebben voor één kus van Lidewyde's lippen.