Havelaar aan den Gouverneur-Generaal in-ruste. [88]

Brussel, Januari 1858.

Excellentie!

Voor negentien jaren trad ik in dienst van het Nederlandsch-Indisch

gouvernement. Ik ging by myn chefs door voor yverig, wèlopgevoed en

bekwaam. De bewyzen daarvan bevinden zich in de archieven, en moeten

Uwe Excellentie voorgelegd zyn.

Ik heb vele en velerlei betrekkingen vervuld. Ik was successief

geplaatst te Batavia, op Sumatra, te Poerwakarta, in Bagelen, te

Menado, op Amboina, en laatst te Lebak.

Sommige dier betrekkingen waren moeielyk.

Op Sumatra, waar ik in 1843 de afdeeling Natal bestuurde, vond ik de

bevolking in gisting, ten-gevolge van den sedert kort geëindigden

oorlog tegen de Padries, en van de, door den gouverneur te Padang

genegeerde, maar niettemin bestaan hebbende, samenzwering van

Jang-di-Pertoean in de Battah-landen. De processtukken over den

aanslag van den Maleyer Si Pamaga tegen het leven myns voorgangers,

en dat van den Toeankoe van Natal, leveren daarvan het bewys. [89]

Te Menado, waar ik drie jaren sekretaris was, heb ik naar myn beste

krachten medegewerkt tot de reorganisatie der residentie. By myn

schryven van 6 Augustus 1851 No. 476, beval de resident my dringend

tot zyn opvolger aan.

Iets later werd ik benoemd tot adsistent-resident, magistraat en

kommandant der burgery te Amboina. De benoeming was van beteekenis

en eervol.

Amboina toch was in onrust en spanning. Men had ter voorkoming van

konflikten noodig gevonden het inlandsch bestuur met het burgerkommando

te vereenigen. Het gezag zoowel van den gouverneur der Molukken,

als dat van den adsistent-resident was ondermynd. Myn voorganger was

feitelyk aangerand. Oproerige troepen volks bedreigden den gouverneur

op Batoe-Gadjah.

Ik herhaal dus dat myn benoeming tot adsistent-resident onder

die omstandigheden vereerend was. En dit nog te meer, daar ik de

eerste adsistent-resident van Amboina wezen zou, die ter vermyding

van een gezagstwist, als er plaats had na den dood van den generaal

Cleerens, den gouverneur der Molukken by ontstentenis of onvermogen

zou vervangen, gelyk by het besluit myner benoeming bepaald was.

Ik heb te Amboina niet kunnen doen wat ik wilde. Ik had te kampen

met oproer onder my, met lauwheid of timiditeit boven my. Ergernis

over het laatste heeft me ziek gemaakt. Ik werd in 1852 bewusteloos

ingescheept naar Europa.

De toenmalige gouverneur had later de eer Uwe Exc. op een reize in de

Molukken te vergezellen. Als er op dien tocht onder hooger belangen,

tyd mocht overgeschoten zyn ook myn persoon te gedenken, kan hy aan

Uwe Exc. niets dan goeds van my gezegd hebben. [90] My althans heeft

hy, ook na myn vertrek, nog vereerd met vele bewyzen van hoogachting.

En ten-laatste blykt er uit een zinsnede der kabinets-missive van

Uwe Exc. van 23 Maart 1856 No. 24, dat zich gedurende de zeventien

jaren die ik toen het gouvernement diende, de goede meening over my

heeft staande gehouden. Uwe Exc. zelf verklaart daar, dat ik by het

gouvernement gunstig genoteerd stond. [91]

Ik had dus by den aanvang en het vervolgen myner loopbaan, gegronde

uitzichten op een goede carrière.

Die uitzichten zyn niet verwezenlykt.

En de verydeling myner hoop is niet als die van velen, die zich

beklagen over eenigen rang lager, of eenig inkomen minder dan dezen of

genen ... neen, de schipbreuk van m'n leven is totaal. Ik ben armer dan

de armste daglooner. Het papier waarop ik schryf is geborgd. Meermalen

heb ik geen plaats om het hoofd ter-ruste te leggen. Myn vrouw en

kinderen heb ik moeten opdragen aan het medelyden myns broeders.

Op de mislukking myner vooruitzichten heeft Uwe Exc. een noodlottigen

invloed uitgeoefend.

Ik heb Uwe Exc. een verzoek te doen. Haar antwoord daarop zal misschien

beslissen over myn leven en dat van myn gezin. De wyze waarop ik

dat verzoek inkleed, is dus voor my van het hoogste belang. En toch,

toch moet ik alle captatio benevolentiae versmaden, en aanvangen met

de uitdrukkelyke verklaring die deze alinea voorafgaat.

Want ik geloof dat ik aan iemand schryf, die een hoogeren rang

heeft dan koningen hem geven of ontnemen kunnen, ik geloof dat Uwe

Excellentie eerlyk man is. Ik geloof dat Uwe Excellentie onwetend en

onwillens onrecht deed ... maar onrecht was het!

Ik meen Uwe Exc. en myzelf te vereeren, als ik ronduit de waarheid

zeg, ook waar ze onaangenaam klinken moge. En al ware het dat ik me

weder bedroog, ik kan niet anders!

Meermalen als ik dezen of genen aantoonde hoe de stand der zaken was

in de afdeeling Lebak, vraagde men verbaasd of Uwe Exc. dat wist? Of

ik dat aan Uwe Exc. geschreven had?

Neen, Uwe Exc. wist het niet. Ik had het Uwe Exc. niet geschreven. Maar

Uwe Exc. had het kunnen weten!

Ik geloof dat Uwe Exc. het had moeten weten!

Ik had verzocht: gehoord te worden. Officieele missive 28 Februari

1856 No. 93, geheim. [92]

Aan dat verzoek is niet voldaan.

Te Batavia heb ik door den adjudant baron van Heerdt laten verzoeken

Uwe Exc. eenige oogenblikken te naderen.

Uwe Exc. had een abcès aan den voet. Ik werd niet toegelaten.

Andermaal liet ik, toen ik vernam dat Uwe Exc. hersteld was om gehoor

verzoeken. Ik bekwam van den adjunkt-sekretaris Hoogeveen ten antwoord,

dat Uwe Exc. door de drukte van Haar aanstaand vertrek, verhinderd

was my te ontvangen.

Den avond vóór uw afreize bad ik weder, en zeer dringend, om gehoor,

ditmaal schriftelyk. [93]

Zy het dezen avond, schreef ik, zy het heden nacht, zy het morgen

vroeg ...

Ik bekwam geen antwoord.

Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?

Gesteld dat al myne meeningen onjuist waren, dat ik alles verkeerd

inzag, en dat zy recht hadden die my tegenwerkten... gesteld, dat

ik in alles dwaalde: dit wist uwe Exc. toch, dat ik in die dwaling

eerlyk was! Dat ik myn bestaan had opgegeven voor een principe.

Vond Uwe Exc. dusdanige personen in Indië vele?

Waren er velen zoo, onder de audiëntie-loopers die bedelen kwamen om

traktements-vermeerdering, of hoogeren rang?

Had men Uwe Exc. zoo te-over verzadigd van integriteit, dat het haar

walgde iemand te zien die zyn werk er boven zyn leven stelde?

Ik geloof het niet, Excellentie!

En wat ik dan toch Uwe Exc. te zeggen had?

Het staat geschreven in myn brief van 15 April 1856 no. 153, den brief

waarin ik het bestuur der afdeeling Lebak overgaf. [94] Dààr staat het,

waarom ik Uwe Exc. spreken wilde:

"Dadelyk kan ik u (de arme bedrukte bevolking) niet helpen. Doch

ik zal naar Batavia gaan, ik zal den Grooten Heer spreken over uw

ellende. Hy is rechtvaardig, en Hy zal u bystaan. Gaat voorloopig

naar huis! Verzet u niet, verhuist nog niet ... wacht geduldig af

... ik denk ... ik hoop, dat er recht geschieden zal."

Zóó schreef ik, ofschoon ik Uw afkeurende kabinets-missive [95]

ontvangen had! Ik hield Uwe Exc. voor misleid. Ik bouwde vast op

uw rechtvaardigheid.

En nog heb ik myn woord aan de arme bevolking van Lebak niet

kunnen inlossen. Nog moest ik antwoorden op de vraag: "wist Hy dat

alles?" Neen, Hy wist het niet!

Maar had ik niet recht, toen ik zeide: Uwe Exc. had het kunnen,

had het moeten weten?

Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?

Het oogenblik is gekomen, waarop Uwe Exc. het weten zal, en ik hoop

dat het Haar na het lezen van dezen brief zal bevreemden, dat ik niet

eer schreef.

Ik wilde vóór alles beproeven, wat ik voornam in myn schryven van 28

Februari 1856 No. 93, geheim:

"Al ware het zelfs dat een hoogere macht dan die van UWEd.G.--des

residents van Bantam--iets afkeurde in wat ik deed ... al ware het,

dat ... doch neen, dit kan niet zyn, maar al ware het zoo--ik heb

myn plicht gedaan!

Wel doet het my--zonder bevreemding niettemin--leed, dat

UWEd.G. hierover anders oordeelt, en wat myn persoon aangaat, zou

ik terstond berusten in wat my een miskenning toeschynt, maar er is

een principe in het spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat

uitgemaakt worde, welke meening juist is, die van UWEd.G. of de myne.

Anders dienen, dan ik te Lebak diende, kan ik niet. Wenscht dus het

Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man

eerbiedig verzoeken my te ontslaan.

Dan moet ik, op zes-en-dertigjarigen leeftyd, trachten opnieuw

een loopbaan aantevangen. Dan moet ik, na zeventien zware moeilyke

dienstjaren, na myn beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht

aan wat ik voor plicht hield, opnieuw aan de maatschappy vragen of

ze my brood wil geven voor vrouw en kind, brood in ruil voor myne

denkbeelden, brood wellicht in ruil voor arbeid met kruiwagen of

spade, als de kracht van myn arm meer waard wordt gekeurd, dan de

kracht myner ziel.

Maar ik kan, ik wil niet gelooven dat de meening van UWEd.G. door

den gouverneur-generaal gedeeld wordt."

Helaas!

Ik heb gedaan wat ik daar schreef. Er ligt een lange odyssee van

jammeren tusschen dien brief en heden. Wat een gezin lyden kan!

Meermalen heb ik vluchtig den wensch in my voelen opkomen, dat ik my

iets mocht te verwyten hebben. Dan toch ware het me licht gevallen,

een schuldbekentenis interuilen voor brood. Ik had vrouw en kind kunnen

kleeden met de opbrengst der schildering hunner naaktheid. Maar Uwe

Exc. weet immers hoe Barneveld's weduw genade vraagde voor de schuldige

zonen, zy die geen genade gevraagd had voor den onschuldigen vader?

Ik vraag Uw genade, Uw medelyden niet, Excellentie.

En mocht Uwe Exc. meenen de zaken vergeten te hebben waarover ik

schryf, ik zal ze duidelyk in Haar geheugen terugroepen. Ik zal

afschriften overleggen van de gewisselde stukken. Ik zal zorgen dat

Uwe Exc. weder wete wat Haar ontging, en wete wat Zy niet wist.

En zegge Uwe Exc. niet: "dit gaat my niet meer aan: ik ben niet meer

Gouverneur-Generaal" ... want ik zou antwoorden met een zinsnede uit

bylage H2: "Bedenk dat uw geweten niet van verplaatsing of ontslag

afhankelyk is." [96]

Gedurende myn Indische loopbaan was ik ruimschoots in de gelegenheid de

wyzen na te gaan, waarop door beambten, zoo Europeesche als inlandsche,

misbruik wordt gemaakt van de bevolking. Dit geschiedt in meerder

of minder mate overal. Wèl wordt in het Regeerings-reglement den

Gouverneur-Generaal uitdrukkelyk aanbevolen daartegen te waken ... wèl

vordert men van de beambten met binnenlandsch bestuur belast--boven

den gewonen ambtseed--den eed, de bevolking te zullen beschermen tegen

uitzuiging en knevelary ... wèl wordt van-tyd tot-tyd iemand bestraft,

die meer, of liever: die anders misdeed dan de gewoonte meebrengt,

maar de hoofdzaak blyft wat ze was. Ik zou hiervan treurige voorbeelden

kunnen meedeelen, en heb onder myn Indische herinneringen stof voor

boekdeelen, doch wensch my in dit schryven striktelyk te bepalen tot

hetgeen myn verzoek om ontslag onmiddellyk voorafging, en veroorzaakte.

Ik knevelde niet. Ik had een afschuw van onbetaalden arbeid. Ik gaf

zooveel ik kon waar het noodig was ... en het was dikwyls noodig. Ik

was, in weerwil van eenig vermogen dat myn vrouw my aanbracht,

arm. Zelfs had ik schulden toen ik den dienst verliet.

De getuigenis die ik hier myzelf geef, wordt voor waar gehouden door

ieder die my kent, en ik hoop dat ieder my kent, die dezen brief

ten-einde leest.

Dikwyls had ik stryd over dit punt. Overal yverde ik voor billykheid,

rechtvaardigheid, menschelykheid. De gronden die men tegen my

aanvoerde, waren gewoonlyk: de algemeenheid van het kwaad, de gewoonte

en vooral: "De geest des Gouvernements" die--heette het--niet wilde

dat men in dusdanige zaken al te scherp zag, dewyl zulks eene het

budget bezwarende traktementsvermeerdering zou ten-gevolge hebben.

Ik loochende het bestaan van dien geest des Gouvernements. Ik ontkende

dat het de bedoeling wezen zou op onwettige wyze te doen aanvullen,

wat aan wettig inkomen te-kort kwam. Ik wilde my houden aan de

geschreven letter der wetten, en aan het gezond verstand, dat toch

nooit kan toelaten dat uitzuiging systeem worde, ik wilde my houden

aan rechtvaardigheid en eergevoel.

Hoe voorts andere ambtenaren den eed uitleggen dien zy deden, begryp

ik niet. De gewoonte van het kwaad en de algemeenheid daarvan, maakt,

meen ik, de noodzakelykheid tot tegengang des te grooter.

Ik weet dat er in een der vele konduite-rapporten over my, staat

aangeteekend: "maar hy is eenigszins excentriek."

Dit vereert me zeer, Excellentie! Meer dan de lof die dat "maar"

voorafgaat.

Ja, ik was excentriek! Ja, ik vond het schandelyk, als woekerplanten

te zuigen aan de armoede des Javaans! Ja, ik vond het schandelyk, myn

tuin te mesten met het zweet dat den braakliggenden akker behoorde,

myn paarden te doen voeden door lieden die hongerden! Schandelyk,

te koopen tegen gedwongen prys, te doen arbeiden om-niet!

Ja, ik was excentriek! ik vond het stelen schande ... en dubbel

schande waar het den arme treft, die niets te missen heeft! Honderdvoud

schande, als hy steelt, die geroepen is tegen diefstal te waken!

Vóór ik de afdeeling Lebak betrad, wist ik wat daar gaande was. Reeds

in 1845 en 1846, had ik in de residentie Krawang hooren gewagen

van de ontzettende armoede die daar heerschte, en hoe de bevolking

stelselmatig werd uitgezogen. Ik kende de familie des Regents van

Lebak, en wel vele leden daarvan niet van een gunstige zyde. Het is die

Regent, over wien sedert onheugelyke jaren in de konduite-rapporten,

als ware het een eigenschap van verstand of hart, wordt vooropgesteld:

"hy heeft een groote familie die hy onderhoudt." Dit is overal de

eerste "hoedanigheid" die men dezen Regent toeschryft, en voor ieder

die de euphonie kent, welke de ambtenaren meenen in hun korrespondentie

met het bestuur te moeten in acht nemen, heet dit vertaald: "een

menigte nietsdoende vagabonden gebruikt hare verwantschap met den

Regent om ten-koste der bevolking te bestaan."

Door velerlei relatien was ik reeds lang in de Bantamsche afdeelingen

geen vreemdeling. Ik wist hoe de later uitgebroken onlusten in de

Lampongs, door Bantamsche uitgewekenen waren voorbereid, gevoed en

versterkt, en ik kende de oorzaken van dat uitwyken. Ik wist hoe

ongaarne eenige Bataviasche en Buitenzorgsche landheeren een intègre

bestuur in het Bantamsche zagen. "Als er in Bantam niet gekneveld

wordt, hebben wy volk gebrek" heb ik een hunner te Buitenzorg

hooren zeggen. Ik wist dat, onder anderen, een groot gedeelte

der opgezetenen van het particulier land Djassinga, uit gevluchte

Bantammers bestond. Ik wist dat in Lebak sedert ruim twintig jaren

veestapel en zielental nagenoeg onveranderd waren staan gebleven. En

eindelyk, dat dáár--waar de ryst zoo goedkoop is in den oogsttyd,

dat men de helft van het gewas voor snyloon betaalt--dat dáár geregeld

alle jaren hongersnood heerschte!

By aankomst te Serang, sprak ik over dit alles met den resident, die

't beaamde, doch de gewone gronden ter berusting uiteen zette, en

als vermaning om niet te streng tegen de daar heerschende misbruiken

te-velde te trekken, onder anderen aanvoerde: "dat dit alles in een

andere Bantamsche afdeeling--Tjiringien--nog erger was."

De kalmte en eenvoudigheid waarmee hy dit zeide, als sprak hy van iets

dat hem niet aanging, overtuigde my al terstond dat er van hem niets

te verwachten was. Dat bevreemdde my echter niet. Ik wist hoe de meeste

residenten, met het oog op 't aanstaand pensioen, zich tevreden stellen

de zaken gaande te houden, er geschiedde dan later wat er wil. [97]

By aankomst te Lebak vond ik in den Regent iemand die my in den

omgang zeer goed beviel. Ook is er tusschen hem en my nooit iets

onaangenaams voorgevallen. Ik moet dit laten voorafgaan, omdat men

later de zaak heeft willen verdraaien, als bestond er een veete

tusschen hem en my. Reeds dit is een treurig teeken, dat men niet

aan plichtsvervulling gelooven kon, zonder te denken aan vyandschap

tegen den aangeklaagde. By my bestond juist het tegendeel. Ik had

medelyden met den Regent, en trachtte hem te helpen. Het was niet dan

myns ondanks dat ik hem aanklaagde. Dit alles blykt ten-duidelykste

uit de beantwoording der door my aan den kontroleur gestelde vragen

en bovendien uit het slot myner eerste aanklacht tegen den Regent. [98]

Dit inlandsch Hoofd erkende dat er veel misbruiken plaats vonden,

doch gaf voor, daartegen te waken. Ik bemerkte aldra dat hy my hierin

bedroog. Want het is een axioma van inlandsch bestuur, dat er niet

kan gekneveld worden zonder dat de Regent er van weet. Een gering

Javaan beklaagt zich niet gaarne over zyn hoofd, en toch duurde het

niet lang voor men zich by my over weggenomen buffels en onbetaalden

arbeid beklaagde.

In den aanvang bevreemdde het my dat men meestal des avends om gehoor

verzocht.--Maar weldra--vooral daar ook de kontroleur en de Djaksa

buitengewone omzichtigheid aan den dag legden--werd ik gewaar dat er te

Lebak, meer dan elders, reden tot zulke omzichtigheid bestond. Zonder

wellicht zelf de strekking te begrypen, verhaalde my de militaire

kommandant hoe hy eenmaal des morgens het lyk van een inlander voorby

het fort de rivier zag af dryven, dien hy zich den vorigen avond met

een klacht tot den adsistent-resident had hooren wenden. [99]

Ik ging niettemin met zachte vriendelyke vermaningen voort. Ik

hield den Regent zelf niet voor slecht, en er waren veel redenen

die zyn pozitie moeielyk maakten. Het was misschien niet altyd met

zyn medeweten, dat z'n "talryke familie" de bevolking afnam wat haar

aanstond. Daarby was hy uiterst devoot, en gaf meer dan goed was aan

Mekka-gangers, of voor het oprichten van bedehuizen, enz. uit. Hy had

bovendien een voorschot aan het Gouvernement te betalen, waardoor

zyn maandelyksche ontvangst tot een, voor een hoofd van zyn rang,

onbeduidend cyfer werd teruggebracht. En de ongelukkige afdeeling Lebak

bracht hem aan kultuur-emolumenten niets op. Daarby kwam de weelde

der Regenten van Bandoeng en Tjanjor, die hy uit valsche schaamte

meende te moeten navolgen, omdat hy het hoofd was der familie waarvan

de Regenten te Tjanjor en te Buitenzorg leden zyn. En eindelyk de

slechte voorbeelden die hy dikwyls voor oogen had gehad. [100]

Het bewys dat geen vyandschap tegen den Regent my bezielde, ligt in

het slot van myn brief van 24 Februari 1856, No. 88.

"Ik heb de kracht tot het vervullen van dezen moeielyken plicht--myn

aanklacht--gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my vergund zal

zyn later een-en-ander ter verschooning van den ouden Regent by te

brengen, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt,

ik diep medelyden gevoel."

De klachten duurden altyd voort, en kwamen hoofdzakelyk uit het

distrikt Parang-Koedjang, waar des Regents schoonzoon hoofd was.

Ik bied Uwe Excellentie extrakt uit de konduite-staten van 1855 aan. Zy

gelieve daaruit te zien met welk een zwarte kool deze schoonzoon

van den Regent daar staat aangeteekend, en te bedenken dat niet ik

daarvan de schryver ben.

Die konduite-staten zyn vol beteekenis, en zouden stof opleveren

tot vele opmerkingen, vooral door aantetoonen wat men daarby door

"kleine willekeurige handelingen" verstaat. Ik durf bovendien vragen

aan ieder die ooit in Indië binnenlandsch bestuur uitoefende, of het

mogelyk is dat de schoonzoon eens Regents, in zyn hoedanigheid van

distrikshoofd steelt en rooft, zonder dat de Regent daarin betrokken

is? Het was in Lebak van publieke bekendheid, dat de Dhemang alleen

dáárom zoo "ongevoelig was voor vermaningen" gelyk de berichtgever

in de konduite-staten zich uitdrukt, omdat ieder wist dat hy voor,

vanwege, en ten-behoeve van den Regent handelde, en dat hy er op

vertrouwde dat men "dezen niet aandurfde." [101]

Als het door my gevraagde onderzoek ware toegestaan, zou er gebleken

zyn, dat het distrikt Parang-Koedjang wérd uitgezogen ten-behoeve

van den Regent.

Gedurig zag ik troepen volks voorby myn deur gaan, die door den Regent

van mylen ver waren opgeroepen om voor hem te arbeiden. Daaronder

waren zwangere vrouwen, vrouwen met zuigelingen, kinderen. Deze lieden

bekwamen geen betaling en geen voedsel. Men vond ze des avonds op

den weg liggen. Zy leefden van boombladeren en aardwortelen, en er

kwamen er die zand aten. [102] Velen kwamen om.

De Regent, die my eenmaal in geschrifte plechtig had verzekerd, het

hem toegekend getal heeredienstplichtigen niet te overschryden, dreef

de onbeschaamdheid en het vertrouwen op zyn straffeloosheid zóó ver,

dat hy my eenmaal--eveneens in geschrifte: ik bezit dat stuk--durfde

voorstellen zeker stuk gronds door die onwettig gepreste lieden te

doen bewerken. En zelfs de zeer vreesachtige kontroleur drong er op

aan, den Regent over zyn wyze van handelen te onderhouden. Ook het

billet waarin dit geschiedde, kan ik produceeren, en opmerkelyk is

het daarby gedaan verzoek, toch vooral den Regent niet te doen blyken,

dat hy kontroleur my dit gerapporteerd had, alsof hy daarin niet zyn

bezworen plicht deed! [103]

Maar het was te Lebak gevaarlyk zyn plicht te doen.

Ik had evenwel de rapporten, noch van den kontroleur, noch van den

Djaksa noodig.

Integendeel, nadat eenmaal de kontroleur op myn vraag naar de oorzaken

zyner schuwheid, had geantwoord: "dat hy de eenige steun was zyner

twee zusters" [104] heb ik hem verboden my iets te rapporteeren. Myn

woorden waren: "het is goed, myn jongen! Niet ieder is voor held of

martelaar geboren; ik zal je niet meer beknorren over je halfheid."

Van dat oogenblik af heb ik alles op my genomen, zoo zelfs, dat de

kontroleur van den resident zelf voor het eerst vernam dat ik den

Regent had aangeklaagd.

Hoe ik echter vóór die aanklacht te werk ging, blykt uit de mondelinge

boodschap, die ik eenmaal den kontroleur opdroeg, toen deze naar

Serang zou vertrekken.

"Zeg den resident dat hy, hoorende van de vele misbruiken die hier

plaats hebben, niet van my denke dat ik daaromtrent onverschillig ben,

maar dat ik eerst, voor ik officiëel rapporteer, pogen wil den Regent

met zachtheid tot zyn plicht te brengen."

Waarschynlyk zou ik op die wyze nog eenigen tyd zyn voortgegaan,

meer uit afkeer van wat te krimineel klinkt, dan uit de meening dat

ik slagen zou--daartoe toch was het kwaad te diep geworteld!--toen

het volgend voorval my tot handelen noodzaakte.

De weduw myns voorgangers was zwanger toen ik te Lebak aankwam. Zy

verzocht, met haar gezin, hare bevalling ten mynent te mogen afwachten,

hetgeen ik natuurlyk toestond. Reeds terstond bespeurde ik dat zy

met byzondere opmerkzaamheid iedere persoon gadesloeg, die het erf

myner woning betrad. Haar antwoorden op myn vragen naar de redenen

hiervan, waren langen tyd ontwykend. Eindelyk vernam ik, dat zy een

oppasser last gaf, onder geen voorwendsel te gedoogen, dat iemand,

buiten hare of myne bedienden, de keuken naderde. Ik drong nu iets

sterker op verklaring aan, en eindelyk bekende ze my, dat zy haar man

voor VERGIFTIGD hield. Hy was van een inspektiereis, na gegeten te

hebben by den Dhemang van Parang-Koedjang, den schoonzoon des Regents,

onverwachts in een deerlyken toestand te-huis gekomen. Hy riep op

de maag wyzende: "vuur, vuur!" en weinige oogenblikken daarna was hy

dood. [105]

Ik liet een kontroleur roepen, en vraagde: waaraan myn voorganger

gestorven was? Hy betuigde dit niet te weten, doch bevestigde de

ziektegeschiedenis, zooals die my door de weduwe was medegedeeld,

en voegde er by, zeker zou hy vergiftigd geworden zyn, als hy

langer geleefd had, want hy maakte veel werk van het tegengaan van

knevelary. [106]

Ik vond werkelyk onder de papieren van myn voorganger, twee kladnota's,

bevattende blykbaar punten waarover hy met den resident te spreken

had. Ik bezit die stukken in originali, en heb daarop door twee klerken

laten certificeeren dat ze van de hand myns voorgangers zyn. Op de

eene komt voor:

"Over het misbruik dat de Regenten en mindere hoofden van de bevolking

maken."

De andere bevat de volgende aanteekening:

"Parang Koedjang. De verloop van volk is alleen toe te schryven aan

het VERREGAAND MISBRUIK dat van de bevolking wordt gemaakt."

Hy had dus zyn plicht gedaan! Hy had geaboucheerd met den resident van

Bantam! Hy heeft zelfs gedreigd, dat, als er geen verandering kwam,

hy zich op ultimo 1855, met voorbygang van den resident van Bantam,

rechtstreeks zou wenden tot den Gouverneur-Generaal...

Maar een maand vóór dien tyd is hy ellendig omgekomen,

Excellentie! [107]

Ik erken dat de geneesheer--die hem trouwens slechts weinige

oogenblikken behandelde--aan de ziekte van myn voorganger een anderen

naam heeft gegeven, dan z'n arme weduw en de publieke opinie te

Lebak. Op het oogenblik toen ik van het bestuur werd ontheven,

lag er een voorstel gereed om het lyk myns voorgangers te doen

opgraven. De beslissing is niet aan my, of hy omkwam als offer zyner

plichtsvervulling, doch zeker is 't, dat velen in Lebak hem voor

vergiftigd Houden, en dat de omzichtige kontroleur durfde zeggen en

schryven: "hy zou vergiftigd geworden zyn, want hy trachtte knevelary

te-keer te gaan."

Myn aandoeningen by het vernemen hiervan, waren onbeschryfelyk. Ik had

Lebak betreden met het heilige voornemen, myn plicht te doen. Ik had

dit met zachtheid gedaan: ik vond de korrespondentie myns voorgangers

te hard, te scherp. Ik wilde helpen, terechtbrengen, niet verderven,

maar nu...

Vrouwen en kinderen volgden schreiend den laatsten buffel... geheel

Parang Koedjang stond op het punt te verhuizen... geheele dorpen

waren uitgeroofd... en my wachtte een lot als myn voorgangers, als

ik myn plicht deed...

Toen deelde ik myn vrouw 't gehoorde mede. Ik verzocht haar zich te

verwyderen met ons kind. Zy antwoordde met heldhaftige eenvoudigheid:

"Wel neen, ik blyf! wy eten en drinken te zamen."

Daarop klaagde ik den Regent aan, van misbruik van gezag en knevelary.

Excellentie! Ik weet dat men geneigd is zichzelf te hoog te schatten,

maar ik bid U, heb ik verdiend arm en ellendig rondtedolen, ver van

de mynen, en vruchteloos zoekende naar brood?

Beloont men den schildwacht niet die alarm roept, met het vyandelyk

wapen op de borst?

Ik ben afgewezen aan de poorten van Uw paleis, toen ik--geen belooning

vroeg--neen, toen ik om recht kwam smeeken voor de arme bevolking

van Lebak.

En wat heeft Uwe Exc. my gedaan?

Uwe Exc. heeft een kabinetsbrief geteekend, waarin ik berispt

werd! Waarin het als hooge gunst werd voorgesteld, dat ik langer het

Gouvernement dienen mocht.

En toen Uwe Exc. dien brief schryven deed--of liever toen men Uwe

Exc. dien brief liet teekenen--had zy voor zich liggen myn stukken van

24, 25 en 28 Februari No. 88, 91 en 93, waaruit ik zoo gemakkelyk te

beoordeelen was. [108] Of is er in die brieven niet iets mannelyks,

iets kordaats, iets dat den eerlyken, standvastigen man aantoont? Iets

dat denken doet aan het justum ac tenacem!

Excellentie, toen ik voor weinige dagen,--voor het eerst sedert

lang,--die brieven weder ter-hand nam, maakten ze op my dien indruk.

Maar Uwe Exc. wist niet dat ze geschreven waren in doodsgevaar! In

grooter gevaar dan dat van den schildwacht van wien ik sprak, omdat

ik niet alleen was. Gevoelt Uwe Exc. den angst die my bezielde by de

minste ongesteldheid van vrouw en kind? Was er geen heldhaftigheid

in die plichtsvervulling?

En wat was het antwoord van den resident op myn aanklacht?

Hy klaagde in een brief dien ik nog toonen kan: "dat ik hem stoorde

in zyn drukke bezigheden."

Excellentie, kan het scherper afgeteekend worden, dat onderscheid

tusschen de vereerders van den "geest des Gouvernements", en my,

dan door de brieven--den myne en dien des residents van Bantam--te

plaatsen naast elkander?

Op myn aanklacht volgde alzoo van den resident van Bantam een

berisping, omdat ik niet eerst particulier had geschreven, een klacht

over storing in drukke bezigheden, en het bericht dat hy ten-mynent

komen zou, om over de zaak te confereeren.

Het was juist een dusdanige konferentie die ik vreesde. Myn voorganger

had zoo dikwyls "gekonfereerd!"

Myn antwoord teekent de pozitie duidelyk. Het is een verzoek om de

schuldigen niet tegen my in bescherming te nemen. [109]

Het was in 't belang van den resident myne aanklacht onwaar te

maken. Uwe Exc. toch zou, wanneer het door my gevraagd onderzoek had

aangetoond hoe deerlyk de toestand der bevolking was, daarvan aan den

resident van Bantam rekenschap gevraagd hebben, die dat alles vroeger

had behooren te weten. Daarom was me zyn komst zoo onaangenaam. Ik

vreesde dat hy in zyn belang den Regent zou waarschuwen, en in de

gelegenheid stellen om lastige getuigen omtekoopen, of uit den weg

te ruimen.

"By de minste verdenking, schreef ik, zendt de regent een expresse

naar zyn neef, den regent van Tjanjor, die herwaarts op weg is, en

belang heeft by zyn maintien. Hy vraagt, ten koste van wat ook, geld,

deelt het met kwistige hand uit aan ieder dien hy in den laatsten

tyd heeft te-kort gedaan, en het gevolg zou wezen dat het schynen zou

alsof ik een lichtvaardig oordeel had geveld, alsof ik een onbruikbaar

ambtenaar ware, om niet erger te zeggen."

Ja, dan ware ik een lasteraar geweest.

Myn verzoek om de schuldigen niet tegen my in bescherming te

nemen, moet overtollig en zelfs belachelyk schynen aan ieder die

onbekend is met den tegenzin der meeste Indische autoriteiten om het

"Gouvernement te bemoeilyken met onaangename berichten," en zichzelf

voor pensioens-uur "soessah" op den hals te halen.

En dat die bede niet overtollig, niet belachelyk was....

Excellentie, weinige uren na het ontvangen van dien brief, heeft de

resident den regent geld gegeven, en getracht hem te bewegen iets

tegen my in te brengen! [110]

Dat is de hoofdambtenaar, op wiens rapporten moeten gebazeerd zyn

de berispingen in Uwer Excellentie's kabinetsmissive, die my drongen

myn ontslag te vragen.

Het was de vraag niet of er iets tegen my kon gevonden worden, en al

hadde ik, ik weet niet wat misdreven, dit zou toch niet hebben af-

of toegedaan tot de schuld of onschuld des Regents. Hy was door my

R. O. aangeklaagd: die klachte moest onderzocht worden, en niet de

eventueel tegen my bestaande bezwaren.

Maar er bestonden geen bezwaren tegen my. Want wat antwoordde de

Regent op de insidieuse vraag: "of hy iets tegen my had" waardoor

zyn resident hem zoo duidelyk tegen my zyn steun aanbood?

"Neen, ik heb niets tegen den adsistent-resident, volstrekt niets,

dat kan ik bezweren!" [111]

En toch heeft men middel gevonden Uwe Exc. dien kabinetsbrief te doen

teekenen, dien brief vol berisping en verwyt! Toch heeft men het U

weten te doen voorkomen alsof ik, ik die stipt myn plicht had gedaan,

de schuldige was!

Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?

Ik had goed gehandeld. Ik geloof dat ik edel gehandeld heb. Maar

al ware dit niet zoo, het recht om gehoord te worden heeft zelfs

de misdadiger! En ik had het zoo uitdrukkelyk gevraagd in myn brief

van 28 Februari No. 93, waarvan ik ten overvloede Uwe Exc. afschrift

aanbood, uit vrees dat de resident van Bantam, wiens belang meebracht

dat ik niet gehoord werd, myn verzoek zou achterhouden.

Bovendien, Uwe Exc. had kunnen weten dat hare afkeuring; niet my

alleen trof, maar het principe: of het gouvernement al dan niet wilde,

dat men wèl deed zonder omzien.

Te-gelyk met de kabinetsmissive van 23 Maart 1865 No. 54, ontving ik

een partikulier schryven van een ambtenaar uit de omgeving Uwer Exc.,

met wien ik vroeger nooit had gekorrespondeerd. Hy raadde my dringend

aan, op de kabinetsmissive niet te antwoorden.

Men scheen dus intezien dat er iets te antwoorden viel!

Hy wenschte my voorts geluk met den "goeden afloop der Lebaksche

zaken, en zegt: "dat ik dien grootendeels aan de gunst Uwer Exc. te

danken had!"

Dit was--al bedoelde de schryver het zoo niet--dit was een

bedreiging! Het beduidde: "als ge niet zwygt zal het nog erger voor

u afloopen."

"Après tout, staat er, zyt ge er toch eervol afgekomen!"

Myn god, alsof er kwestie van oneer geweest was!

O, hadde Uwe Exc. de verontwaardiging gezien van iemand die tenmynent

was, toen ik dien brief ontving! Iemand die zeven jaar in Bantam de

gruwelen had bygewoond, waaraan ik een eind wilde maken!

Maar ik beweerde dat men Uwe Exc. misleid had.

Myn overplaatsing naar Ngawie kon ik echter niet aannemen. Ik wist

niet hoe ik daar te handelen had. Anders dienen dan te Lebak, konde

en wilde ik niet!

Bovendien zag ik in, dat ik Uwe Exc. als ambtenaar niet kon

naderen. Ik voelde dat ik te kiezen had tusschen myn bestaan en myn

plicht. Want ik hoopte dat Uwe Exc. een particulier zou vergunnen,

wat zy den ambtenaar geweigerd had: een oogenblik gehoor. Ik hoopte

dat myn verzoek om ontslag, eenvoudig als het is, maar een scherp

afgedrukt zegel zettende op myn vorige brieven, Uwe Exc. zou hebben

doen inzien dat ik geen gewoon ambtenaar was, geen frazenschryver,

geen ambtsbejager, maar iemand die--al meende dan Uwe Exc. dat ik

dwaalde--toch getoond had in die dwaling eerlyk te zyn.

Na myn bekomen ontslag overlaadde men my te Serang met

eerbewyzingen. De resident zeide: my te bewonderen, en bood me zyn

huis aan. Maar ik moest naar Batavia, om Uwe Excellentie te spreken.

Wat ik na dien tyd en ten-gevolge van dat alles geleden heb, ga ik

voorby. Ik vraag Uw medelyden niet, Excellentie.

Maar ik verzoek Uwe Exc. de moeite te willen nemen de bylagen dezes

aandachtig doortelezen, en vooral te letten op de beantwoording der

aan den kontroleur voorgelegde vraagpunten.

Die ambtenaar wist dat hy op dit oogenblik niets van my te hopen of

te vreezen had. Ikzelf herinner hem daaraan. Er behoorde voor hem moed

toe om verklaringen aftegeven die getuigden vóór zyn aftredenden chef,

tegen den resident die zyn chef bleef. Tegen het Gouvernement zelfs,

dat getoond had my niet te beschermen.

Om nog ten-overvloede de zedelyke waarde van de getuigenissen des

kontroleurs aantetoonen, neem ik de vryheid hierby overteleggen

afschrift eener korrespondentie, die vreemd schynen moge aan de

behandelde zaak, maar in het algemeen aantoont hoe ik myn verplichting

opvatte. Ik durf vragen of ik op 29 en en 30 Maart onwaarheden in myn

belang eischen kon van den ambtenaar, wien ik op den 3den te-voren

den brief No. 87 schreef? [112]

Het zou me licht vallen, punt voor punt de beschouwingen te ontzenuwen,

waarop de afkeuring myner handelingen gebazeerd was. Ik kan bewyzen

dat ik niet onberaden ben te werk gegaan. Dat er niet altyd gunstige

rapporten omtrent den regent van Lebak zyn uitgebracht. Dat myn houding

tegen-over den resident van Bantam is geweest respectueus. Dat ik niet

geweigerd heb hem inlichtingen te geven. En eindelyk, dat er in de

konferentie tusschen hem en my volstrekt geen spraak geweest is over

de GEGRONDHEID DER AANKLACHT--dat was een uitgemaakte zaak!--maar

over het principe OF HET GOUVERNEMENT GAARNE ZAG DAT MEN DUSDANIGE

ZAKEN BY DEN NAAM NOEMDE.

Daarop toch doelt myn geheele missive van 28 Februari die door den

resident nooit beantwoord is. [113]

Als Uwer Exc. na de lezing der stukken, eenige twyfel overblyft,

ben ik bereid ten klaarste aan te toonen:

Dat er werkelyk in Lebak gekneveld werd.

Dat ik myn plicht deed, door daarvan aan m'n chef kennis te geven en

wel op de wyze zooals ik het deed.

Dat ik niet verdiende daarvoor te worden berispt en gestraft.

Dat eindelyk die berisping, tegen de bedoeling Uwer Exc. voorzeker,

heeft doen zegevieren de noodlottige meening des residents van Bantam,

en van de meeste O. I. ambtenaren, dat het gouvernement niet wil dat

men strikt uitlegge en nakome den eed: de bevolking te beschermen

tegen mishandeling en knevelary. [114]

Tallooze malen heeft men my aangeraden me tot den Minister van

Koloniën te wenden, tot de Staten-Generaal, of tot Zyne Majesteit

den Koning. Tot nog toe deed ik noch het een, noch het ander. Na myn

verzoek om ontslag, heb ik over deze zaak geen letter geschreven. Dit

moge Uwe Exc. een bewys zyn dat ik niet heb getracht opzien te baren

door reklame of schandaal. Ik poogde eenvoudig te doen wat ik schreef

op 28 Februari 1855 en zocht een ander middel van bestaan.

Tot-nog-toe is me dit niet gelukt.

Thans ben ik in België, en zal trachten my eenigen tyd staande te

houden door letterkundigen arbeid. Ik geloof echter niet dat ik slagen

zal. En al ware het dat ik voor myn behoeften het noodige wist te

verkrygen--myn vrouw en kinderen hebben aanspraak op ander voedsel,

dan wat hun gereikt wordt door het medelyden myns broeders. Bovendien

geloof ik dat ook ik-zelf niet verdiend heb zonder have of huis rond

te zwerven, dagelyks in angst voor het hoognoodige.

En men heeft my opmerkzaam gemaakt dat ik verkeerd deed, uit tegenzin

in rekriminatiën of publiek effekt, my te bepalen tot het zoeken naar

een bestaan voor myzelf. Myn lot toch in een afschrikkend voorbeeld

geworden voor de weinigen, die is Indië myn voorbeeld zouden willen

navolgen, en thans zou er--meer nog dan vroeger!--moed noodig

zyn om iets te pogen tot tegengang der gruwelen, die in Indië den

Nederlandschen naam schande aandoen. Vooral is dit het geval, omdat

het met my gebeurde voorviel onder het bestuur van Uwe Excellentie

die in Indië als strikt rechtvaardig geroemd werd. [115]

Deze omstandigheid werkt noodlottig op den indruk dien de my te-beurt

gevallen behandeling gemaakt heeft.

"Hy heeft het zelfs onder dien Gouverneur-Generaal niet kunnen bewerken

dat er verbetering kwam" heet het, en nu zou hem ieder een dwaas

noemen die het onder een anderen Gouverneur-Generaal weer beproefde.

Niet ieder acht zich geroepen, de martelaar te zyn eener goede

zaak. Men laat de zaken zoo als ze zyn, houdt, zoo men het noemt,

"den boel met schipperen gaande", tracht alles te dekken en te

dempen, wat de leugenachtige berichten van tevredenheid en welvaart

weerspreken zou, en de een vóór, de ander na, geniet in vrede en rust

het onverdiend pensioen [116] latende den last der ongerechtigheid

drukken op de toekomst....

Op de toekomst, die schrikkelyk wezen zal!

Want er is in Indië meer publiek leven dan de Raden van Indië

weten. Maar het openbaart zich niet vóór de explozie.

Dáárom is het myn plicht terugtekomen op de zaken die ik behandelde,

en ik geloof Uwer Exc. een bewys van hoogachting te geven door my

tot niemand anders te wenden, dan tot Uwe Excellentie zelf.

Het verzoek dat ik Uwer Exc. te doen heb, is: de herhaling myner bede

om dezen brief en de daarby gevoegde stukken aandachtig te lezen,

en my wel te willen antwoorden op de vraag: of Uwe Exc. daarin

niet aanleiding vindt, my te ondersteunen in de pogingen die ik wil

aanwenden, om op de meest eervolle wyze weder te mogen intreden in

Nederlandsch-Indischen dienst.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 120 / 125 题