BRIEF AAN DEN GOUVERNEUR-GENERAAL IN-RUSTE.

[82]Tot vervelens toe heb ik gezegd geen schryver te zyn. Om

duidelyk te maken waarom ik deze kwalifikatie ver van my werp,

behoef ik slechts te wyzen op 't verdriet dat my de opgang van den

Havelaar heeft veroorzaakt. Het "mooi-vinden" van dat boek is door de

Natie gebruikt als huichelachtig voorwendsel om zich te onttrekken

aan de zaak die daarin behandeld wordt. Men zie hieromtrent de

vertellingen over den Impresario, over Chresos, over Dimanche,

in de Minnebrieven. Ik weet niet wat verachtelyker is. Don Juan's

laaghartig vleien, of de plompe wraakzucht van Schmoel.

Om evenwel den "mooivinders" hun voorwendsel te ontnemen, volge

hier de herdruk van een stuk, waarin een brief voorkomt aan den

Gouverneur-Generaal in-ruste. Deze brief ging den Havelaar ruim

twee jaren vooraf, en is eerst na 't verschynen van dat boek

gepubliceerd. Wanneer letterkundige roem of de begeerte om opgang

te maken, m'n doel ware geweest, zou ik m'n grieven niet zoolang in

stilte hebben behandeld.

't Spreekt vanzelf dat de ellendeling aan wien 't gemoedelyk schryven

gericht was, daarop niet heeft geantwoord. Hy rustte! Ik hecht er aan

dat dit stuk bewaard blyve, opdat men later in-staat zy met nuchterheid

te oordeelen over m'n goed recht, en over de gegrondheid myner grieven

tegen nederlandsche schelmery die in dat zwygen berust heeft.

Men bedenke toch by 't lezen, dat ik schreef aan den man wien de

zaak rechtstreeks aanging, en die door de hem aangeboden bylagen

werd in-staat gesteld, elke bewering te toetsen aan de bewyzen die ik

overlegde. Men vergelyke overigens alles wat ik omtrent die treurige

Lebaksche geschiedenis meedeel met de "Vraagpunten aan den kontroleur"

die ik publiceerde in de Minnebrieven, en met den specifieken staat

van gestolen buffels.

Hoe toch moet ik 't aanleggen, om m'n lezers optewekken tot het

beoordeelen der zaken die ik behandel? Ik geloof niet dat de straks

volgende brief aan Duymaer van Twist zoo byzonder mooi is, en hierom

juist wil ik dat hy bewaard blyve. Als de "mooiheid" van den Havelaar

zal versleten zyn, wordt er misschien eenmaal op dàt stuk recht gedaan

aan m'n kinderen!

Wie 't vreemd vindt dat ik hier over my en de mynen spreek en niet over

de zaak der Javanen: bedenke dat ik de vertegenwoordiger van de zaak

ben. Ik heb deze eer veroverd door wat ik om hunnentwil opofferde. Wie

meent meer recht te hebben op 't reprezenteeren van rechtdoen in Indië,

gelieve z'n geloofsbrieven overteleggen. Wanneer die in orde zyn,

zal ik terstond m'n plaats afstaan, en waarlyk met groot genoegen!

Tot zoolang echter blyf ik beweren dat de Nederlandsche Regeering

geen herstel van grieven beoogt, dat ze geen rechtvaardigheid wil,

indien ze voortgaat my te miskennen. Ik alleen tot-nog-toe heb door

daden bewezen, rechtvaardigheid te willen. Wie my ter-zyde schuift,

wil onrecht. De tegenwoordige Minister had de impudentie my te

zeggen dat ik niet den minsten invloed had uitgeoefend op indische

zaken. Hy zeker, toen-i in den Javaschen oosthoek fortuin maakte met

de kruieniery! Ik ontken dien invloed niet. Juist de som van zùlke

invloeden zal bewerken dat de Javaan ons eindelyk wegjaagt. Maar

wel ontken ik dat de waardigheid der Natie gediend zou wezen met de

resultaten van invloeden, die uitvloeien van zùlke bron! Dat de chefs

der huizen in de rotterdamsche Zandstraat invloed oefenen op moraal

en gezondheid, is zeker. Maar niet goed zou 't wezen die heeren--na

gemaakte zaakjes--te benoemen tot opzichters over zeden en hygiène. Ik

kan verzekeren dat de Javaan zulke benoemingen schandelyk vindt. Hy

begrypt zulke "accommodements avec la morale" nog altyd niet!

Nog-eens, ik heb metterdaad bewezen rechtvaardigheid te willen. En,

wie hoogmoed, eerzucht of eigenwaan meent te ontdekken in deze bewering

... hy neme myn plaats in! Maar: met de lasten, en onder 't overleggen

van behoorlyke lettres de créance. Men mag geen aanspraak maken op

rem et pretium te-gelyk. Dit is, meen ik, 'n regel in rechten, en

wat meer zegt: 'n regel van Recht!

[83] MAX HAVELAAR AAN MULTATULI.

Waarde Multatuli! Tine is vry wel, maar Max is aan 't vechten met 'n

kies. Hoe komt het toch, dat de Natuur, die sedert duizende jaren zich

bezighoudt met het leveren van iets meer dan één mensch in de sekonde,

na zoo lange oefening nog niet geleerd heeft zoo'n mensch d'emblée

kompleet te maken? Weet ge ook, of honden en katten last hebben van

't tanden krygen? Ik zie niet in waartoe het dient? Ik had 'n meester

die beweerde dat alles z'n doel had--als kind kon ik hem hierin

nog niet tegenspreken--maar hy wilde dat doel aanwyzen, uitleggen,

verklaren... en dan bemerkte ik dat hy dikwyls misschoot. Wenkbrauwen:

zweet des aanschyns. Goed! Knevels? Op deze vraag werd hy vies. "En

de vrouwen dan," vroeg ik verder, "als ze verkouwen zyn?" Maar

hy zei dat ik pedant en lastig was. Hierin had hy gelyk. "Maar:

meester, hoe komt het, dat ik zoo pedant en lastig ben?" Toen werd

'k gerelegeerd by de absente knevels van de vrouwen. En thans weet

ik waarachtig noch het een, noch het ander. Eén van beide: de Natuur

is volmaakt en weet wat ze wil, of zy is niet volmaakt en weet niet

wat ze wil. Of ik voldoe aan m'n bestemming door m'n lastigheid, òf

't is 'n fout van de dames dat ze geen knevels dragen.

Denk hierover eens goed na, Multatuli, en deel me den uitslag mee. Ik

vind zoo'n onderzoek nuttiger dan dat uitschryven van verzen, die

je uit m'n pak haalt. Laat dat na. Hierby zal ieder winnen: jy,

't publiek en ik.

Maar het zou my innig spyten, wanneer je tot het besluit kwam dat

ik myn pedanterie moest opgeven. Het is m'n lievelingsondeugd, en,

entre-nous, ik geloof dat er onder de lieden die daarover klagen,

velen zyn die 't van me winnen in pedanterie. Ik heb 'n chef gehad,

die eenmaal, na me vaderlyk berispt te hebben over m'n verwaandheid,

z'n toespraak sloot met de woorden: "zie naar my, m'n jongen: ik ben

zóó knap, en toch ben ik altyd modest gebleven."

Zoo knap als hy ben ik nooit geworden--hy was namelyk Staatsraad in

ik weet niet welk een soort van dienst--maar en revanche heb ik me

ook nooit schuldig gemaakt aan zooveel modestie. Ik geloof dan ook dat

modestie--even als eerlykheid en neusdoeken--'n menschelyk uitvindsel

is, en dat de waarheid, de zuivere, naakte waarheid--onverschillig

of ze ons baat of schaadt... vernedert of verheft--den grondtoon

moet aangeven van ons spreken en schryven. Er blyft nog altyd genoeg

onwillekeurige leugen in den toon over, helaas! Ik heb uitgerekend dat

men op dertien verschillende manieren, en met dezelfde woorden toch,

zeggen kan dat men z'n vader vermoord heeft, of makaroni gegeten.

"Le ton fait la chanson." Uw "ton" deugt niet! Neem me niet kwalyk dat

ik je rond-uit m'n meening zeg, en wyt het aan de gemeenzaamheid die 't

gevolg is van onzen langdurigen omgang. Wat al water zou er gestroomd

zyn door de grachten van Amsterdam--àls dat water stroomde--sedert

ik u het eerst ontmoette met wat kennis. Ik herinner me dien dag, al

was het gister! Je beet op je duim, maakte je hof aan een oude vrouw,

op wier schoot je lag met je beenen omhoog. En je hebt haar recht

hartelyk geschopt! En ze scheen niet ongevoelig voor die bewyzen van

genegenheid, want ze noemde je 'n lieve jongen, en kuste je. Maar ze

belette je 't verder schoppen, door je intespelden in 'n luur.

Wat heb ik veel met je uittestaan gehad, sedert die eerste liefde! Ik

hield niet van je, en offerde je op au premier venu. Zelfs was 't me

dikwyls 'n genoegen om je te smalen en te schimpen, en toch, toch kon

ik me niet afscheiden van u, dien ik zoo lang en zoo intiem gekend

had. Ik was aan je gehecht als 'n kind aan zyn katje, en vermaakte

my vaak met je op den staart te trappen, en te doen schreeuwen. En

ik legde je 't zwygen op, als je geschreeuw me verveelde. Maar je was

niet altyd gehoorzaam... neen, dit was je zelden! En zelfs als ik je

't schreeuwen toestond, was meestal je toon niet naar m'n zin.

Daar heb je nu, byv. dat boek over de koffiveilingen, waarin je

zooveel over my schreef... is dat nu 'n manier om my genoegen te

doen? Je vertelt aan de heele wereld dat ik verzen gemaakt heb,

en steelt me het brood uit den mond. Ik was juist in onderhandeling

over 'n betrekking by de Inkomende Rechten. Ik meende er op te kunnen

rekenen, en had al aan kleinen Max 'n paar schoentjes beloofd. Maar

toen men van u vernam dat ik dichter was...

Is dit nu fraai van je? O, ik weet wel dat je met satanieke filosofie

me zult antwoorden, dat Inkomend-Recht 'n misbruik is, 'n schandelyk,

schadelyk misbruik, 'n overblyfsel uit de middeleeuwen. Dat het

afkoop is van roof, en gereglementeerde afzettery... dat men de

wachthuisjes van de douane gebouwd heeft van 't materiaal van

ingevallen roofsloten...

Dit wil ik aannemen, maar de schoentjes van Max dan?

"O, zeg je, er zyn zooveel volken die geen schoenen dragen..."

O god, o god, wat moet ik m'n kind antwoorden, als het me vraagt

waarom ik hem geen schoenen koop?

Ik ben afgedwaald. 't Is dan ook niet moeielyk aftedwalen, als 'n

kind om schoentjes vraagt te-vergeefs!

Maar 't zal niet weer gebeuren... in dezen brief niet!

Ik zei dat je toon niet deugde. Waarom gaf je niet liever, in-plaats

van dat boek te maken, eenvoudig den brief dien ik schreef aan

den Gouverneur-Generaal in ruste? Heb je dien niet gevonden in

m'n pak? Zoek er eens naar. Hy ligt, als ik wèl heb, tusschen Job

en Vauvenargues. En kyk-met-een Vauvenargues eens in... maar Job

hoeft niet. Want dan ga ik weer aan 't verzen uitschryven, en er is

proza noodig, anders begrypen ze je niet. Lees liever eens na wat Le

Maistre aan zyn gouvernement schreef; aan het gouvernement dat niet

verwonderd wilde zyn. En tracht eens te zien te krygen wat Charles

Lavollée over China zei... en doe er niets by van je zelf, want dan

bederf je 't weer.

Als je nu niet letterlyk doet, wat ik je verzoek, breek ik met je voor

altyd. En als je weer uitstrooit dat ik een dichter ben, doe ik je 'n

proces van injurie aan, want je zoudt me schaden in de opinie myner

medeburgers, en ik hecht byzonder veel aan die opinie. Er kon weêr

'n betrekking openkomen by de Rechten!

En zoo'n proces zou je verliezen. Want ik heb getuigen! Vraag eens aan

den Minister van Koloniën, of ik niet 'n goed bureau-man was in 1848

en volgende jaren? Vraag hèm of er poësie was in m'n statistieken? Hy

zal zeker party voor me trekken, en woedend boos op je wezen, want

onwaarheid duldt hy niet! Beter dan iemand, weet hy dat ik de man

van cyfers en staten ben. Ja, gaarne zal hy getuigen dat hy eens zoo

verliefd is geweest op m'n proza, dat hy beloofd heeft my tot z'n

partikulieren sekretaris te verheffen, wat dan ook nooit geschied is.

Geef iets aan de oude jodin, die zoo tragisch roept: "got segent jedle

heer, wâ sieje bleek!" Maar zeg haar dat er 'n fout is in haar modus

van 't zegenen, en let eens op de schoentjes van haar kleinen jongen.

En als ze vraagt naar m'n kind, keer u dan af, en schrei niet!

Max Havelaar.

Ik heb die jodin niet gezien. Maar in de buurt van Job vond ik werkelyk

den brief waarvan hy spreekt. Ik zal dien meedeelen na eerst verteld

te hebben wat ik vond van Vauvenargues, van Charles Lavolleé en van

Joseph le Maistre [84]. Ik houd alle kommentaar terug, want ik wil

geen twist met hem hebben. Maar pedant en lastig is-i, dat wil ik

toch even zeggen.

Vauvenargues.

Tout ce qui sort de la route ordinaire des usages, effraie ou choque

ceux qui, favorisés par ces usages mêmes, n'ont jamais eu besoin de les

braver; et voilà pourquoi les gens de la cour observent d'ordinaire,

à l'égard des gens en place, une beaucoup plus grande circonspection,

que ceux qui, placés dans les rangs inférieurs, ont beaucoup moins

à perdre, et par cela même peuvent risquer davantage.

Vauvenargues, malheureux par sa santé, par sa fortune, et surtout

par son inaction, sentait qu'il ne pouvait sortir de cette situation

pénible, que par une résolution extraordinaire. Les caractères timides

en société, sont souvent ceux qui prennent le plus volontiers des

partis extrêmes dans les affaires embarrassantes; privés des ressources

habituelles que donne l'assurance, ils cherchent à y suppléer par

l'élan momentané du courage; ils aiment mieux risquer une fois une

démarche hasardée, que d'avoir tous les jours quelque chose à oser.

Vauvenargues, étranger à la cour, inconnu du ministre, dont il aurait

pu solliciter la faveur, privé du secours du chef qui aurait pu appuyer

sa demande, prit le parti de s'adresser directement au roi, pour lui

témoigner le désir de le servir dans les négociations. Dans sa lettre,

il rappelait a Sa Majesté, que les hommes qui avaient eu le plus de

succès dans cette carrière, étaient ceux là mêmes que la fortune en

avait le plus éloignés. Qui doit, en effet, ajoutait-il, servir Votre

Majesté avec plus de zèle, qu'un gentilhomme qui, n'étant pas né à

la cour, n'a rien à espérer que de son maitre et de ses services?"

Vauvenargues avait écrit en même temps a M. Amelot, ministre des

affaires étrangères. Ses deux lettres, comme on le conçoit aisément,

restèrent sans réponse. Louis XV n'était pas dans l'usage d'accorder de

places sans la médiation de son ministre, et le ministre connaissait

trop bien les droits de la place, pour favoriser une démarche, où

l'on croyait pouvoir se passer de son autorité.

Vauvenargues, ayant donné, en 1744, la démission de son emploi dans

le régiment du roi, écrivit a M. Amelot une lettre que nous croyons

devoir transcrire ici.

»Monseigneur,

»Je suis sensiblement touché que la lettre que j'ai eu l'honneur de

vous écrire, et celle que j'ai pris la liberté de vous adresser pour

le roi, n'aient pu attirer votre attention. Il n'est pas surprenant

peut-être, qu'un ministre si occupé ne trouve pas le temps d'examiner

de pareilles lettres, mais, monseigneur, me permettrez-vous de

vous dire, que c'est cette impossibilité morale où se trouve un

gentilhomme qui n'a que du zèle, de parvenir jusqu'à son maître,

qui fait le découragement que l'on remarque dans la noblesse des

provinces, et qui éteint toute émulation? J'ai passé, monseigneur,

toute ma jeunesse loin des distractions du monde, pour tâcher de me

rendre capable des emplois, où j'ai cru que mon caractère m'appelait;

et j'osais penser qu'une volonté si laborieuse me mettrait du

moins au niveau de ceux qui attendent toute leur fortune de leurs

intrigues et de leurs plaisirs. [85] Je suis pénétré, monseigneur,

qu'une confiance que j'avais principalement fondée sur l'amour de

mon devoir, se trouve entièrement déçue. Ma santé ne me permettant

plus de continuer mes services à la guerre, je viens d'écrire a M. le

duc de Biron, pour le prier de nommer à mon emploi. Je n'ai pu, dans

une situation si malheureuse, me refuser a vous faire connaître mon

désespoir. Pardonnez-moi, monseigneur, s'il me dicte quelque expression

qui ne soit pas assez mesurée.

»Je suis, etc."

Ziehier het tweede stuk dat-i me opdroeg in z'n pak te zoeken.

Charles Lavollée over China.

Pour administrer tant de provinces, plus grandes que des royaumes, il

faut que l'empereur et ses ministres soient assurés d'une obéissance

passive, et qu'ils comptent sur l'exécution immédiate de l'ordre une

fois donné. Les observations, les conseils même, sont mal accueillis,

et taxés de révolte. Mais alors qu'arrive-t-il? C'est que les

fonctionnaires, moins peut-être par adulation que par crainte, envoient

dans les moments critiques des rapports incomplets ou inexacts,

dissimulent les petites difficultés, amoindrissent ou dénaturent

les difficultés sérieuses, se décernent des triomphes diplomatiques

et militaires, imaginés pour l'entière satisfaction de leur cour,

enfin saturent leurs depêches de toutes les exagérations, de tous

les mensonges que peut contenir un récit officiel. Trompé par leurs

rapports, et conservant ses illusions, le cabinet impérial s'obstine

dans le vieux systême, il repousse toute idée de concession, et les

affaires s'agitent dans une sorte de cercle vicieux, ou s'accumulent

les malentendus et les embarras. [86]

JOSEPH LE MAISTRE aan zyn Gouvernement.

Ja, Max, 't is volstrekt noodig dat ik hier wat by zeg, of: "ZE

begrypen je niet." Ik vind dat "ze" onhoffelyk, en scherper dan

de uitvallen die je zoo afkeurt in my. Hoe dit zy, ik ben aan de

nagedachtenis van Le Maistre verschuldigd, te zorgen dat men hem

niet behandele als 'n verzenmaker. Ik houd veel van Le Maistre. Hy

had overtuiging, hy was geheel wat-i was.

De onttroonde koning van Sardinië wachtte op Sicilië den loop

der gebeurtenissen af. De kolos die hem ter-zy geschoven had, kon

sterven. Misgewas kon ontevredenheid wekken, en ontevredenheid,

onwil. Onwil, machteloosheid, en machteloosheid, neêrlaag. "Alles

verandert--zoo redeneerde waarschynlyk die koning in partibus--het

kan niet altyd blyven zooals 't is. Wie weet hoe spoedig ik m'n

koninkschap weêr aanvaarden kan." Ja, men zegt dat hy zich reeds

bezighield met het herscheppen van de uitmonstering der kragen van

de garde, die hy zou laten exerceeren, exerceeren ...

Maar Joseph Le Maistre, die voor half geld ... neen, nagenoeg zonder

bezoldiging--hy deelde het middagmaal met z'n knecht--de betrekking

waarnam van resident zyner onttroonde Majesteit, aan het Russische hof

... Joseph Le Maistre verzuimde geheel-en-al de zoo noodige studie

der uitmonstering van de garde. Hy was excentriek genoeg om niet de

minste sympathie te voelen voor ministers die de kleermakery verhieven

tot zaken van staat, en onbekwaam als z'n groote tegenstander--die by

z'n geëskorteerd bezoek te Berlyn, zoo onnoozel stond te kyken toen

de koning van Pruisen hem toonde hoe er zeven rokrugbanen te snyden

waren uit één breedte--ergerde hy zich over de fainéantise van z'n

gouvernement at home, want hy was 'n man van handeling. Het verdroot

hem te wachten tot de kolos zou gelieven te vallen ... hy wilde hem

omstooten: 'n koalitie! Hy dacht hieraan met al de kracht van zyn

zoo krachtig denkvermogen, en na lang beraad, na véél inspanning, na

z'n pogen te hebben betaald met het beste van z'n ziel, riep hy uit:

"ik heb het gevonden!"

Napoleon zou niet op z'n gemak zyn geweest, als hy gehoord had

dat Le Maistre meende het middel gevonden te hebben om hem te doen

vallen. Want Napoleon kende Le Maistre.

En toch had dezelfde Napoleon weer gerust kunnen wezen, want Le

Maistre had 'n gouvernement ... er was 'n kabinet op Sicilië!

Le Maistre nu schreef aan zyn Sardinische Majesteit. Hy schreef

duidelyk, uitvoerig, overtuigend. Hy boog zich neer tot de vatbaarheid

van ministers, en misschien heeft hy, als Havelaar, gezegd: anders

begrypen ze 't niet!"

Nu moet ik erkennen dat er in het plan van onzen diplomaat wel iets

was dat afkeuring verdiende; 't was eenvoudig. De koning verlangde

naar z'n garde, naar z'n kroon, en naar wat daarby behoort.

Er was weinig kans tot een-en-ander te geraken, want Napoleon

behield gewoonlyk die dingen, wanneer ze eens in z'n macht waren

voor zichzelf. Men wachtte dus op 'n ommekeer van 't lot, op Himmels

einfallen, en zie daar komt 'n man op half traktement, die niet eens

den rang van Excellentie had, met een plan voor den dag dat, dat

... kortom, hy bracht het verloren speelgoed weer, en de goddelyke

légitimiteit zou zegepralen over 't ondragelyk parvenuschap van den

gehaten indringer, die niet wist hoe men 'n militairen rok snydt.

Natuurlyk werd het plan van Le Maistre verworpen.

Deze verzocht verschooning voor z'n verkeerdheid, en wat nu volgt,

is 'n uittreksel uit den brief, waarin hy dit deed. Met onzen Max

ben ik van meening dat deze weinige regelen opheldering geven van

veel wat anders onverklaarbaar schynt.

Comment donc cette idée a-t-elle été si mal accueilli à Cagliari? Je

crois que vous m'en dites la raison, sans le savoir, dans la première

ligne chiffrée de votre lettre du 15 février, où vous me dites que

la mienne est un monument de la plus grande surprise. Voilà le mot,

monsieur le ministre: le cabinet est SURPRIS ... tout est perdu. Envain

le monde croûle, Dieu nous garde d'une idée IMPRÉVUE. [87] Et c'est

ce qui me persuade encore davantage, que je ne suis pas votre homme,

car je puis bien vous promettre de faire les affaires de S. M. aussi

bien que tout autre, mais je ne peux vous promettre, de ne jamais

vous SURPRENDRE. C'est un inconvénient de caractère, auquel je ne

vois pas trop de remèdes!

En nu:

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 119 / 125 题